|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:144 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-04-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 23/1892 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | De intekening van de percelen in Mijn percelen is bedoeld als ondersteuning voor de maatschap bij het indienen van de Gecombineerde opgave en is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat er geen bezwaar tegen openstaat. De minister heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | agrarisch natuur- en landschapsbeheer | | | gecombineerde opgave | | | glb | | | landbouw | | | natuur- en landschapsbeheer | | Wetreferenties | : | Uitvoeringsregeling GLB 2023
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1892
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] (maatschap)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. I.M.H.G. van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop
Met een brief van 13 juni 2023 heeft de maatschap in het kader van haar aanmelding voor landbouwsteun bezwaar gemaakt tegen de weergave van haar percelen in “Mijn percelen-applicatie”.
Met het besluit van 27 september 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 18 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] en [naam 2] namens de maatschap, en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
1. De maatschap kan na aanmelding op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 digitaal een aanvraag indienen voor landbouwsteun. Bij die aanvraag gebruikt zij “Mijn percelen-applicatie” (Mijn percelen). De maatschap is het niet eens met de intekening van haar percelen in die applicatie, in het bijzonder met bufferstroken die langs de waterlopen zijn aangewezen.
2 De minister heeft het bezwaar van de maatschap niet-ontvankelijk verklaard, omdat de intekening van de percelen in Mijn percelen niet op rechtsgevolg is gericht en daarmee geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De maatschap kan de intekening van haar percelen in Mijn percelen aanpassen. Pas nadat de maatschap de intekening heeft aangepast en de Gecombineerde opgave heeft ingediend zal de minister een besluit nemen over de omvang van de percelen. De weergave in Mijn percelen is dus geen beslissing over de omvang van de percelen.
3 De maatschap erkent dat de intekening van de percelen in Mijn percelen geen besluit is, maar wijst erop dat de perceelgrootte van groot belang is voor de vaststelling van de mestplaatsingsruimte en de vergoeding voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De minister heeft naar aanleiding van haar bezwaar in 2022 over de in de Basisregistratie Grootschalige Topografie opgenomen waterlopen meegedeeld dat dit in de Gecombineerde opgave van 2023 gecorrigeerd zou worden. De minister heeft dit echter niet gedaan.
Beoordeling door het College
4.1
Het College is van oordeel dat de minister het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hieronder legt het College uit waarom.
4.2
Artikel 8:1 van de Awb bepaalt dat tegen een besluit beroep openstaat bij de bestuursrechter. Uit artikel 7:1, eerste lid, van de Awb volgt dat daaraan als regel eerst een bezwaarprocedure voorafgaat. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat betekent dat zo’n beslissing alleen een besluit is als die is gericht op rechtsgevolg. Uit het voorgaande volgt dat alleen tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt.
4.3
De intekening van de percelen in Mijn percelen is bedoeld als ondersteuning voor de maatschap bij het indienen van haar aanvraag (de Gecombineerde opgave). De maatschap kan die intekening zelf aanpassen als zij het met de voorgestelde intekening niet eens is. Daaruit volgt al dat de voorgestelde perceelintekening niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is. Dit betekent dat er geen bezwaar tegen openstaat.
4.4
Het College ziet ook geen reden om de perceelintekening omwille van de rechtsbescherming gelijk te stellen met een besluit. De maatschap kan immers een aanvraag indienen en daarmee een besluit van de minister verkrijgen met betrekking tot de omvang van haar percelen. Tegen dat besluit staat dan wel bezwaar open.
Slotsom
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
R.C. Stam w.g. H. Caglayankaya
De voorzitter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|