|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:209 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 26/272 en 26/273 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Verzoeken om voorlopige voorziening. Wet dieren. Dwangsom- en bestuursdwangbesluiten wegens overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en 1.6, tweede lid en 1.7, aanhef en onder c, d, e en g, en 1.8, eerste en derde lid, van het Besluit houders van dieren. In wat verzoekers hebben aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de staatssecretaris niet mocht uitgaan van de juistheid van het toezichtrapport. De staatssecretaris heeft terecht geconcludeerd dat sprake is van overtredingen. De voorzieningenrechter is, alles overziende, van oordeel dat de belangen van verzoekers niet zodanig zijn, dat dit het treffen van een voorziening rechtvaardigt. | | Trefwoorden | : | bestuursdwang | | | landbouw | | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 26/272 en 26/273
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
Schakel in Bewind, in de hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] ( [naam 1] ), te [woonplaats 1] ,
Fedis PGB Dienstverlening B.V., in de hoedanigheid van bewindvoerder van
[naam 2]
, te [woonplaats 2] ,
(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer)
verzoekers
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. drs. P. Kooiman)
Procesverloop
Met gelijkluidende besluiten van 15 april 2026 (dwangsombesluiten 1 en 2) heeft de staatssecretaris aan elk van de verzoekers een last onder dwangsom opgelegd.
Met gelijkluidende besluiten van 15 april 2026 (bestuursdwangbesluiten 1 en 2) heeft de staatssecretaris aan elk van de verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de aan hen gerichte besluiten en elk een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Met de brief van 29 april 2026 heeft de staatssecretaris meegedeeld niet tot handhaving wegens het niet naleven van de dwangsom- en bestuursdwangbesluiten te zullen overgaan totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op de verzoeken om een voorlopige voorziening.
De zitting was op 7 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, verzoekers en [naam 3] (districtsinspecteur van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LID)).
Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over de vraag of de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening moet treffen door te bepalen dat de dwangsom- en bestuursdwangbesluiten worden geschorst tot zes weken nadat de staatssecretaris op de bezwaren van verzoekers heeft beslist. Verzoekers willen bereiken dat zij tot die tijd niet geconfronteerd kunnen worden met het verbeuren van (een) dwangsom(men) en met het toepassen van bestuursdwang door de staatssecretaris.
1.2
Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt het College in de (eventuele) bodemprocedure(s) niet.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening
Feiten en omstandigheden
3.1
In oktober 2021 is naar aanleiding van een melding over diverse dieren op het woonadres van [naam 1] in [woonplaats 1] een controle uitgevoerd. [naam 1] heeft na de controle een waarschuwingsbrief ontvangen, inhoudende dat zij diverse maatregelen moest nemen. Zo moest zij onder meer de vlooien bij haar dieren en de vervuilde dierenverblijven aanpakken. Hierna is hulpverlening betrokken en is de situatie verbeterd. Daarna is het dossier gesloten.
3.2
In maart 2023 zijn opnieuw meldingen binnengekomen met betrekking tot de situatie van dieren op het woonadres van [naam 1] . Er is een bestuursrechtelijk traject opgestart en aan [naam 1] zijn diverse maatregelen opgelegd. Er is aan [naam 1] een last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling opgelegd en er hebben vervolgens enkele hercontroles plaatsgevonden. De situatie leek daarna, ook met behulp van ambulante begeleiding, verbeterd.
3.3
Op 16 en 19 maart 2026 hebben districtsinspecteurs van de LID, in samenwerking met agenten van de (dieren)politie, naar aanleiding van een melding, de gezondheid en het welzijn onderzocht van de dieren die op het woonadres van [naam 1] worden gehouden. Tijdens de controle zijn, volgens de inspecteurs, overtredingen van de Wet dieren vastgesteld. Zij hebben hun bevindingen opgenomen in een toezichtrapport van 23 maart 2026, dat is voorzien van foto’s.
3.4
Naar aanleiding van deze controle heeft de staatssecretaris de dwangsombesluiten 1 en 2 genomen. De staatssecretaris heeft daarbij aan elk van de verzoekers wegens overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en 1.6, tweede lid en 1.7, aanhef en onder d, e en g, en artikel 1.8, eerste en derde lid, van het Besluit houders van dieren (Bhd) een last onder dwangsom opgelegd, ook ter voorkoming van herhaling. Met deze besluiten zijn verzoekers gelast om, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 250,- per niet uitgevoerde maatregel, de volgende herstelmaatregelen te nemen en deze in stand te houden:
1. Zorg dat uw katten genoeg gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer krijgen. Dan komen uw katten in goede gezondheid en kunnen uw katten aan hun voedingsbehoefte voldoen. Dit voer moet goed toegankelijk zijn voor al uw katten. (per direct),
2.1
Zorg dat uw honden en katten altijd een schone en droge huisvesting hebben. Verwijder onder andere de aanwezige ontlasting en/of urine en reinig de ruimtes goed. (voor 28 april 2026),
2.2.
Zorg dat uw papegaai altijd een schone en droge huisvesting heeft. Verwijder
onder andere de aanwezige ontlasting en reinig de kooi goed. (voor 28 april 2026)
2.3.
Zorg dat uw haai en vissen altijd een schone huisvesting hebben. (voor 28 april 2026)
3. Zorg voor schone kattenbakken. Verwijder onder andere de aanwezige ontlasting en/of urine. (voor 28 april 2026),
4.1.
Zorg dat het aquarium waar u uw haai en vissen houdt, geschikt is voor de
diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen. Dit kunt u doen door bijvoorbeeld het grotere aquarium te gebruiken welke u reeds in huis heeft. (voor 28 april 2026),
4.2.
Zorg dat de schuur en de keuken waar u uw honden houdt, geschikt is voor de diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen. Dit kunt u doen door bijvoorbeeld hondenmanden aan te schaffen en daarin een voldoende dikke deken te leggen zodat zij over een schone comfortabele ligplaats kunnen beschikken. (voor 28 april 2026),
4.3.
Zorg dat de woonkamer, de keuken en de schuur voldoende groot zijn voor uw honden en katten. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen. (voor 28 april 2026),
5. Zorg dat in de ruimte waar u uw hond houdt voldoende daglicht is. Zo zorgt u ervoor dat het welzijn en/of de gezondheid van uw dier niet wordt aangetast door het gebrek aan een natuurlijk dag- en nachtritme. (voor 28 april 2026),
6. Zorg dat in de ruimtes waar u uw dieren houdt voldoende verse lucht binnenkomt. Alle ruimtes waarin dieren aanwezig zijn, moeten goed geventileerd zijn en de dieren moeten voldoende frisse lucht hebben. (voor 28 april 2026), en
7. Zorg dat uw honden zich niet kunnen verwonden of beschadigen aan materialen. Verwijder of repareer de scherpe losliggende materialen in de schuur en uit de tuin. Controleer ook de overige ruimtes en verwijder daar ook eventuele scherpe uitstekende delen en/of losliggende materialen die schadelijk kunnen zijn voor de dieren. (voor 28 april 2026).
3.5
Naar aanleiding van de laatstgenoemde controle heeft de staatssecretaris ook de bestuursdwangbesluiten 1 en 2 genomen. De staatssecretaris heeft daarbij aan elk van verzoekers wegens overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd een last onder bestuursdwang opgelegd, ook ter voorkoming van herhaling. Met deze besluiten heeft hij verzoekers gelast om voor 28 april 2026 de volgende maatregelen te nemen en deze in stand te houden:
1.1.
Ga met uw honden (1, 2 en 7) en katten (1 tot en met 6 en 8) naar een dierenarts voor onderzoek naar de algemene gezondheidstoestand, waarbij u vooral laat kijken naar de geconstateerde aandoeningen. Volg het behandelplan van de dierenarts op die de dierenarts heeft opgesteld voor de geconstateerde aandoening(en),
1.2.
Indien een dier ziek of gewond lijkt en uw zorg geen verbetering in de toestand van uw dier brengt, raadpleeg dan zo spoedig mogelijk een dierenarts en volg zijn behandeladvies op, en
2. Zorg dat u de nagels van uw hond (10) tijdig en op de juiste wijze verzorgt. Indien nodig kunt u hiervoor een dierenarts inschakelen.
Spoedeisend belang
4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek. De aan de dwangsom- en bestuursdwangbesluiten verbonden begunstigingstermijnen zijn inmiddels verstreken. Op de zitting is gebleken dat verzoekers aan in ieder geval een deel van de herstelmaatregelen die aan hen zijn opgelegd (nog) niet hebben voldaan. Zij lopen dus kans de dag na de uitspraak met een toepassing van bestuursdwang door de staatssecretaris te worden geconfronteerd en of dwangsommen te verbeuren.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel inzake de dwangsom- en bestuursdwangbesluiten
5.1.1
Verzoekers betwisten dat sprake is van overtredingen.
5.1.2
Wat betreft de overtredingen die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan de dwangsombesluiten voeren verzoekers het volgende aan.
Omdat er alleen hondenbrokken in huis waren en verzoekers nog geen tijd hadden om voer voor de katten te kopen hebben de toezichthouders geconstateerd dat er alleen hondenbrokken waren voor de katten. Verzoekers waren daarnaast voornemens om de woning, tuin en schuur op te ruimen en te ontdoen van ontlasting en/of urine. Wat betreft de kooi van de papegaai betwisten verzoekers dat deze was vervuild met uitwerpselen. In de kooi is een aantal kranten neergelegd om het vocht te absorberen. Verzoekers hadden verder nog geen tijd gevonden om de kattenbak te verschonen. Verzoekers moesten deze werkzaamheden nog uitvoeren toen de controle plaatsvond. Omdat het grote aquarium schoongemaakt moest worden en de pomp van dit aquarium niet goed functioneerde zijn de vissen en de haai tijdelijk in een klein aquarium geplaatst. De honden hebben daarnaast de beschikking over een zachte ondergrond.
Verder hebben de dieren volgens verzoekers voldoende bewegingsruimte. Van de negen katten zijn vier katten altijd buiten. De rest van de katten is binnen. Ook binnen hebben de katten en honden voldoende bewegingsruimte. Verder wandelen verzoekers regelmatig met de honden. Verzoekers erkennen verder dat in de ruimte van een hond slechts daglicht binnenkwam door een raampje. De hond kan echter naar buiten lopen. De hond heeft voldoende beweging om naar binnen en buiten te lopen en krijgt dus voldoende daglicht.
Daar waar mogelijk wordt er volgens verzoekers geventileerd. Er is sprake van één kiepraam dat open kan en ook altijd openstaat. Voor het overige zijn alle roosters geopend. Verzoekers betwisten ten slotte dat er scherpe en losliggende materialen in de schuur en in de tuin zouden liggen. Er is volgens hen geen sprake van voorwerpen waaraan de dieren zich kunnen bezeren.
5.1.3
Wat betreft de overtredingen die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan de bestuursdwangbesluiten voeren verzoekers het volgende aan. Hond 1 mag volgens verzoekers graag indommelen en daarbij krabt deze zich aan het rechteroor. Dit is inherent gedrag. Hond 2 heeft inderdaad zeer waarschijnlijk staar. Het is een oude hond en deze gedraagt zich navenant. Hond 7 heeft last van zijn oren. Deze zijn al ingesmeerd met zonnebloemolie om daarmee het jeuken te verminderen. Met kat 1 is al een bezoek gebracht aan de dierenarts. Deze kat gebruikt inmiddels medicatie. Deze kat is volgens verzoekers niet mager en kampt bovendien pas recent met veelvuldig niezen. Ook kat 2 gebruikt inmiddels medicatie. Deze kat zit goed in zijn vacht. In de vacht van kat 3 zitten geen vlooienpoepjes. Ook deze kat zit goed in zijn vacht. Kat 4 is een kat die van straat is gehaald. Kat 5 is volgens verzoekers niet mager. Het is volgens hen een dikke kat. Kat 6 is 16 jaar en de conditie van deze kat is navenant aan de leeftijd. Kat 8 is mager en kent een normaal postuur. De nagels van hond 10 worden volgens verzoekers ten slotte regelmatig geknipt.
5.2
Volgens rechtspraak van het College, waaronder de uitspraak van 29 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:391), mag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder, van in dit geval de LID, kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.
5.3
In het toezichtrapport van 23 maart 2026 hebben de inspecteurs van de LID uitgebreid en gedetailleerd verklaard over elk van de dieren die worden genoemd in de opgesomde herstelmaatregelen. Van veel van deze dieren zijn ook foto’s bij het toezichtrapport gevoegd. Volstaan wordt hier met een weergave van de samenvatting die de inspecteurs in het toezichtrapport hebben opgenomen over wat zij tijdens de controles hebben waargenomen:
“Overtredingen:
Betrokkenen houden alle dieren in een met resten ontlasting en urine vervuilde leefomgeving. Er is onvoldoende verse lucht en zuurstof. De ruimtes waar verschillende dieren in worden gehuisvest is te klein en ontoereikend. Er zitten op 2 slaapkamers elk een hond gehuisvest, ook in de schuur zat langdurig een hond opgesloten in een kleine onhygiënische ruimte en werd er tot twee keer toe een hond gehoord opgesloten in de toiletruimte. Daarbij beschikte de hond in de schuur en de beide honden in de keuken niet over een comfortabele ligplaats. De tuin waar honden worden uitgelaten, ligt bezaaid met uitwerpselen. Er is geen sprake van een schone zindelijke leefomgeving voor de dieren (zowel binnen- als buiten niet). Er zijn voor de minimaal 7 katten die permanent in de woonkamer leven (en op sommige momenten 9 katten wanneer de katten die naar buiten mogen ook binnen zijn) te weinig geschikte (lig)plekken om zich individueel terug te kunnen trekken. De beschikbare ruimte in de woonkamer is ongeschikt om permanent een dergelijk aantal katten in te houden en beperkt hen in hun natuurlijke gedrag hetgeen ook zichtbaar was aan onderlinge stress en strijd.
Er zijn maar 2 kattenbakken beschikbaar die beiden te vervuild waren met urine en ontlasting.
Tevens zijn er meerdere katten mager of schraal tot mager en waren sommige katten zichtbaar
ziek. Wij hoorden ze niezen, rochelend ademhalen en zagen snot en/of vieze oogjes.
Betrokkenen hebben met deze katten geen dierenarts geconsulteerd.
Er was er geen voer beschikbaar voor de katten en toen de katten op ons verzoek gevoerd werden kregen zij hondenbrokken waar ze op aanvielen omdat ze kennelijk honger hadden.
Hondenvoer is per definitie ongeschikt voor katten, onder andere omdat het niet is afgestemd op de voedingsbehoeften van katten en bovendien waren deze brokken zo groot dat met name de jonge kittens moeite hadden de brokken te verwerken.
De hond [naam 4] had zichtbaar erg veel last van zijn oren, betrokkenen hadden geen oorzalf meer in huis en hebben met deze hond geen dierenarts geconsulteerd in de afgelopen jaren.
De vachten van de honden [naam 5] en [naam 4] waren onverzorgd, er zat veel oude vacht/losse onderwol in hetgeen jeuk veroorzaakt en waardoor er nagenoeg geen zuurstof meer bij de huid kan komen.
De hond [naam 7] in één van de slaapkamers geen drinkwater en [naam 6] op de andere slaapkamer had te lange nagels.
Buiten in de tuin waar regelmatig honden lopen en ook in de schuur waar een hond zat opgesloten, staan en liggen diverse materialen waar honden zich aan kunnen verwonden.
De minihaai zit in een aquarium wat te weinig bewegingsvrijheid biedt en tevens geen enkele vorm van verrijking of een schuilgelegenheid heeft. Er ligt geen substraat op de bodem. Dit biedt voor de haai te weinig gelegenheid om zijn natuurlijke gedrag uit te kunnen voeren.
De kooi waarin de grijze Roodstaart gehouden werd was vervuild met uitwerpselen.
[…].”
5.4
In wat verzoekers hebben aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de staatssecretaris niet mocht uitgaan van de juistheid van het toezichtrapport. Verzoekers betwisten weliswaar (deels) dat sprake is van overtredingen, maar zij hebben geen stukken, bijvoorbeeld een verklaring van een eigen dierenarts of foto’s, in het geding gebracht ter onderbouwing van hun stellingen. Dat [naam 1] stelt dat zij als medewerkster van de dierenambulance zelf een goede inschatting kan maken van de gezondheidstoestand van de dieren is onvoldoende. De voorzieningenrechter constateert bovendien dat de in het toezichtrapport gedetailleerd beschreven bevindingen grotendeels worden ondersteund door de bij het toezichtrapport gevoegde foto’s.
5.5
De staatssecretaris heeft, gelet op de constateringen zoals opgenomen in het toezichtrapport en de daarbij behorende foto’s, in de dwangsom- en bestuursdwangbesluiten terecht geconcludeerd dat sprake is van de in die besluiten genoemde overtredingen. Dat verzoekers, naar zij stellen, van plan waren nog schoonmaakwerkzaamheden te gaan verrichten, maar daar op het moment van de controles nog niet aan toe waren gekomen, acht de voorzieningenrechter, gelet op de aard en de omvang van de volgens (de foto’s bij) het toezichtrapport aangetroffen vuiligheden, niet aannemelijk. Dat verzoekers, naar zij verder stellen, een deel van de overtredingen inmiddels ongedaan hebben gemaakt is verder niet relevant.
5.5
De bezwaargrond slaagt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet. De dwangsom- en bestuursdwangbesluiten zullen daarom naar verwachting in bezwaar in stand blijven.
Belangenafweging
6 Volgens verzoekers is er aanleiding een voorziening te treffen, omdat zij financieel (nog) niet in staat zijn met de dieren naar een dierenarts te gaan. Zij zijn onder bewind gesteld en hebben op dit moment onvoldoende financiële draagkracht. De aan de besluiten verbonden begunstigingstermijnen zijn volgens hen veel te kort. In de dwangsombesluiten is bovendien geen maximum dwangsombedrag genoemd.
7 De voorzieningenrechter is, alles overziende, van oordeel dat de belangen van verzoekers niet zodanig zijn, dat dit het treffen van een voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter neemt hierbij het volgende in aanmerking.
De gezondheid en het welzijn van een groot aantal dieren staat voorop en op het spel. Verzoekers lijken daarvan onvoldoende doordrongen. De zaak kent al een lange voorgeschiedenis. De staatssecretaris heeft bij het nemen van de dwangsom- en bestuursdwangbesluiten terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan het belang van het dierenwelzijn. Hij hoefde daarbij geen rekening te houden met de psychische en financiële omstandigheden van verzoekers.
Verzoekers stellen weliswaar dat zij financieel niet in staat zijn te voldoen aan de herstelmaatregelen van met name de bestuursdwangbesluiten, maar zij hebben die stelling niet onderbouwd. Zo is niet gebleken dat zij kort na de ontvangst van de besluiten contact hebben gezocht met hun bewindvoerders om te bezien of het mogelijk is afspraken voor de dieren te maken bij een dierenarts. Zij hebben ook geen verklaring van hun bewindvoerders ingebracht waaruit blijkt dat zij om financiële redenen geen toestemming van hen krijgen om met de dieren naar de dierenarts te gaan.
De voorzieningenrechter acht de lengte van de aan de dwangsom- en bestuursdwangbesluiten verbonden begunstigingstermijnen redelijk. Aan een van de herstelmaatregelen (nummer 1 van de dwangsombesluiten) die ziet op het moeten geven van voer is logischerwijs geen begunstigingstermijn verbonden. Voor de overige herstelmaatregelen gold een termijn van een krappe twee weken. Dat is gezien de omstandigheden waarin de dieren volgens (de foto’s bij) het toezichtrapport verkeerden geen onredelijke termijn. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij de overtredingen niet binnen die gestelde termijnen konden opheffen. Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij daartoe niet in staat zijn voordat uitspraak wordt gedaan op hun verzoeken om een voorlopige voorziening. Er is dan ook geen aanleiding de begunstigingstermijnen verder te verlengen. Het is zaak dat de dieren zo snel mogelijk door een dierenarts worden gezien en dat de leefomstandigheden van de dieren zo snel mogelijk in orde worden gemaakt. Dit om te voorkomen dat de gezondheidssituatie van de dieren mogelijk nog verder verslechtert.
In de dwangsombesluiten is ten slotte vermeld dat als de maatregelen niet juist, volledig en/of op tijd worden uitgevoerd, verzoekers gezamenlijk aansprakelijk zijn voor het betalen van een dwangsom van € 250,- per niet uitgevoerde maatregel. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat dit betekent dat per maatregel maximaal een bedrag van € 250,- kan worden verbeurd. Het ligt in de rede dat de staatssecretaris dit in de nog te nemen besluiten op bezwaar verduidelijkt, zodat daarover geen misverstand (meer) kan bestaan.
Slotsom
9 De voorzieningenrechter zal de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.
10 De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
w.g. T. Pavićević de griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
Bijlage
Wet dieren
Artikel 2.2
[…]
8 Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
Besluit houders van dieren
Artikel 1.6
[…]
2 Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.
Artikel 1.7
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
a. […];
b. […];
c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;
d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;
e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;
f. […];
g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.
Artikel 1.8
1. Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.
[…]
3 In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|