|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:224 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-05-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/884 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Oppervlakte van gangen terecht niet meegenomen in de subsidieberekening, omdat deze geen onderdeel vormen van dierenverblijf. Geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel | | Trefwoorden | : | landbouw | | | stallen | | | subsidies | | | varkens | | | veehouderij | | Wetreferenties | : | Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/884
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [naam 1] , te [vestigingsplaats] (de vennootschap)
(gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)
Procesverloop
Met het besluit van 28 mei 2024 heeft de minister de aanvraag van de vennootschap om subsidie uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) gedeeltelijk toegewezen en aan de vennootschap een subsidie verleend van maximaal € 2.897.686,70.
Met het besluit van 3 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De vennootschap heeft een nader stuk ingediend.
De zitting was op 9 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en namens de vennootschap [naam 2] , [naam 3] en ing. [naam 4] , kantoorgenoot van haar gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De vennootschap exploiteerde een vleesvarkenshouderij. Op 18 augustus 2023 heeft de vennootschap subsidie op grond van de Lbv aangevraagd voor de onomkeerbare sluiting van haar veehouderijlocatie. De minister heeft deze subsidieaanvraag gedeeltelijk ingewilligd. Het maximale subsidiebedrag dat de minister heeft berekend, is lager dan het door de vennootschap aangevraagde subsidiebedrag, omdat de minister onder meer de oppervlakte van de centrale gangen hierin niet heeft meegenomen. Deze gangen liggen aan weerszijden van stal 2b en verbinden deze stal met de stallen 2a en 2c.
1.2
In deze procedure gaat het om de vraag of de centrale gangen in dit geval als onderdeel van het dierenverblijf moeten worden aangemerkt.
Standpunt van partijen
2.1
De vennootschap voert aan dat de minister de oppervlakte van de centrale gangen ten onrechte niet heeft meegenomen bij de subsidieberekening. De centrale gangen zijn tegelijkertijd met stal 2b gebouwd en maken (constructief) onderdeel uit van de romp van het gebouw. Bovendien zijn de centrale gangen onmisbaar voor de reguliere bedrijfsvoering, omdat de varkens alleen via deze gangen het gebouw kunnen betreden en verlaten. Tot slot is volgens de vennootschap sprake van strijd met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel.
2.2
De minister stelt zich op het standpunt dat hij de centrale gangen terecht niet heeft meegenomen bij de subsidieberekening, omdat deze ruimtes geen onderdeel vormen van één bouwkundige romp. Uit de overgelegde bouwtekeningen blijkt dat de stallen 2a, 2b en 2c – die op verschillende momenten zijn gerealiseerd – afzonderlijke gebouwen zijn, met een eigen romp en eigen buitenmuren. De daartussen gelegen centrale gangen functioneren als verbindingsconstructies en zijn niet gesitueerd binnen de buitenmuren van een van deze stallen. De centrale gangen zijn volgens de minister bouwkundig te kwalificeren als aanbouwen tussen zelfstandige gebouwen, waarvan de oppervlakte – zoals blijkt uit de toelichting bij de Lbv (Stcr. 2023 nr. 14992, p. 30) – niet wordt meegenomen bij het bepalen van de oppervlakte van de romp. De functionele of praktische noodzaak in de bedrijfsvoering speelt daarbij geen rol. Volgens de minister is geen sprake van gelijke gevallen. De situatie van de centrale gangen aan weerszijden van stal 2b wijkt af van die van de stallen 4a en 4b, omdat de gang in die stallen wel is gelegen binnen de buitenmuren van het dierenverblijf en daarvan onderdeel uitmaakt. Uit de in beroep overgelegde bouwtekeningen van andere deelnemers aan de Lbv volgt dat deze (ook) in lijn met de systematiek van de Lbv juist zijn beoordeeld. De minister stelt verder dat het bestreden besluit niet onevenredig is.
Beoordeling door het College
3.1
De hoogte van de Lbv-subsidie wordt bepaald door de omvang van het waardeverlies van de productiecapaciteit (artikel 7 van de Lbv). De waarde van de productiecapaciteit bedraagt de gecorrigeerde vervangingswaarde, die wordt bepaald door het aantal vierkante meters van het dierenverblijf (artikel 9 van de Lbv). Het begrip dierenverblijf is in artikel 1 van de Lbv gedefinieerd als ‘gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop’. In de toelichting bij dit artikel van de Lbv staat dat bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van stallen is uitgegaan van een standaardstal (romp, afbouw en inrichting), zoals beschreven in de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) 2020-2021. Het betreft alleen het gebouw en een, al dan niet overdekte, uitloop is uitgezonderd. Verder is in paragraaf 6.3.1 van de toelichting van de Lbv toegelicht dat de oppervlakte van de romp van de stal wordt bepaald aan de hand van de buitenmaat van de stal.
3.2
Naar het oordeel van het College heeft de minister de centrale gangen aan weerszijden van stal 2b terecht niet aangemerkt als onderdeel van het dierenverblijf. Uit de bouwtekeningen van de stallen, de foto’s en de op de zitting getoonde filmopname blijkt duidelijk dat de centrale gangen niet binnen de buitenmuren van de (afzonderlijke) stallen zijn gelegen. De tussen deze stallen gelegen gangen, die beschikken over voorzieningen voor stroom en klimaatbeheersing, hebben bovendien een andere dakconstructie (plat dak). De minister heeft de centrale gangen dan ook terecht aangemerkt als aanbouwen die stallen onderling verbinden. Uit de toelichting bij de Lbv volgt de oppervlakte van de romp wordt bepaald aan de hand van de buitenmaat van de romp en dat aanbouwen daarvan uitdrukkelijk zijn afgezonderd. Verder is het College van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, al omdat de vennootschap genoemde gevallen niet op een lijn kunnen worden gesteld met de situatie van de stallen 2a, 2b en 2c. Voor zover de vennootschap stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel vanwege de nadelige (financiële) gevolgen daarvan voor de vennootschap, kan dit niet slagen. Het gaat hier om een regeling waarvoor de Europese Commissie op grond van de staatssteunregels goedkeuring heeft gegeven. Voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bestaat in het Europese staatssteunkader geen ruimte.
4 Uit het voorgaande volgt dat de minister de oppervlakte van de centrale gangen terecht niet heeft meegenomen in de subsidieberekening.
Slotsom
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.W.L. Koopmans en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
w.g. A. Venekamp de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|