Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:236 
 
Datum uitspraak:02-06-2026
Datum gepubliceerd:02-06-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:23/1977 23/1980 24/365 en 25/230
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Belanghebbendheid Stichting Dierenambulance. Toepassing (spoed)bestuursdwang. Overtredingen van art. 1.7, onder c, en 2.4, lid 5, Bhd (inschakelen dierenarts en passende verzorging); art. 1.7, onder e, Bhd (voldoende voer); art. 1.6, lid 3, Bhd (bescherming tegen slechte weersomstandigheden). 139 en 12 magere en zieke schapen in beslaggenomen, opgeslagen en verkocht. Kostenverhaal. Geen onredelijk hoge kosten voor transport, opvang en taxatie. Opbrengsten niet te laag. Beroepen ongegrond.
Trefwoorden:bestuursdwang
landbouw
perceel
stallen
tarieven
taxatie
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 23/1977, 23/1980, 24/365 en 25/230

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats 1] (schapenhouder)
(gemachtigden: mr. C. Karlas en mr. J.L. Baar)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden en P.M.M. van Bennekom)

met als derde partijen

Stichting Dierenambulance de Ronde Venen/Amstelland, te Mijdrecht (Stichting)
(gemachtigde: mr. C.M. van de Ven)

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)




Procesverloop


Het beroep in zaaknummer 23/1977


Met het besluit van 20 december 2022 (spoedbestuursdwangbesluit I) heeft de minister de toepassing van spoedbestuursdwang op 20 december 2022 wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd) op schrift gesteld.

Met het besluit van 3 mei 2023, gewijzigd op 17 juli 2023 (kostenbesluit I), heeft de minister de kosten van de spoedbestuursdwang van € 193,06 bij de schapenhouder in rekening gebracht.

Met het besluit van 22 augustus 2023 (bestreden besluit I) heeft de minister de bezwaren van de schapenhouder tegen het spoedbestuursdwangbesluit I en het kostenbesluit I ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd.

De schapenhouder heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.


Het beroep in zaaknummer 23/1980


Met het besluit van 21 december 2022 (last onder bestuursdwang) heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren en het Bhd.

Met het besluit van 22 augustus 2023 (bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van de schapenhouder tegen het bestuursdwangbesluit ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

De schapenhouder heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.


Het beroep in zaaknummer 24/365


Met het besluit van 27 januari 2023 (spoedbestuursdwangbesluit II) heeft de minister de toepassing van spoedbestuursdwang op 16 en 17 januari 2023 wegens overtreding van de Wet dieren en het Bhd op schrift gesteld.

Met het besluit van 1 maart 2024 (bestreden besluit III) heeft de minister de bezwaren van de schapenhouder tegen het spoedbestuursdwangbesluit II ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

De schapenhouder heeft tegen bestreden besluit III beroep ingesteld.

Met het besluit van 14 juni 2024 (kostenbesluit II) heeft de minister € 12.606,12 bij de schapenhouder in rekening gebracht.

De schapenhouder heeft de gronden van zijn beroep aangevuld.

De minister heeft de vertrouwelijke versie van een aantal stukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.

De schapenhouder heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

Bij beslissing van 19 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:124) heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat beperking van de kennisneming van enkele stukken gerechtvaardigd is. De rechter-commissaris heeft ten aanzien van één stuk geoordeeld dat beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is. De schapenhouder heeft het College toestemming verleend om mede op basis van de geanonimiseerde stukken uitspraak te doen.


Het beroep in zaaknummer 25/230


Met het besluit van 1 juli 2024 (kostenbesluit III) heeft de minister een bedrag van € 2.086,57 bij de schapenhouder in rekening gebracht.

Met het besluit van 29 januari 2025 (bestreden besluit IV) heeft de minister het bezwaar van de schapenhouder tegen het kostenbesluit ongegrond verklaard.

De schapenhouder heeft tegen bestreden besluit IV beroep ingesteld.

De minister heeft de vertrouwelijke versie van een aantal stukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.

De schapenhouder heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

Bij beslissing van 19 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:125) heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat beperking van de kennisneming van enkele stukken gerechtvaardigd is. De rechter-commissaris heeft ten aanzien van één stuk geoordeeld dat beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is. De schapenhouder heeft het College toestemming verleend om mede op basis van de geanonimiseerde stukken uitspraak te doen.


In alle zaken


De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De schapenhouder heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft het College de Staat in de procedure betrokken.

De zitting was op 25 maart 2026. Aan de zitting hebben de schapenhouder en zijn gemachtigden en de gemachtigden van de minister deelgenomen. Voor de minister waren ook [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] aanwezig. Voor de Stichting waren [naam 5] en [naam 6] aanwezig.



Overwegingen


De Stichting is belanghebbende



1.1
De Stichting heeft verzocht om op grond van artikel 8:26 van de Awb als partij deel te nemen aan de procedure. Ter zitting heeft zij verduidelijkt dat haar verzoek ziet op de procedure voor zover die gaat over de handhavingsbesluiten, maar niet voor zover die gaat over de kostenbesluiten. De schapenhouder heeft betoogd dat de Stichting geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat de Stichting geen handhavingsverzoek heeft ingediend, maar alleen meldingen heeft gedaan, waarna de minister ambtshalve handhavend heeft opgetreden.



1.2
Het College oordeelt dat de Stichting als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de handhavingsbesluiten. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. In de uitspraak van 23 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:315) heeft het College eerder geoordeeld dat de Stichting belanghebbende was bij handhavingsbesluiten die de schapenhouder aangingen, gelet op de statutaire doelstelling van de Stichting en haar feitelijke werkzaamheden. Het College ziet geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. Anders dan de schapenhouder betoogt, is het doen van een handhavingsverzoek geen vereiste om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Dat de Stichting in dit geval meldingen heeft gedaan, is voor de vraag naar de belanghebbendheid ook niet relevant, maar duidt wel op de betrokkenheid die de Stichting ook bij deze handhavingsbesluiten heeft.



1.3
De conclusie is dat de Stichting als partij mag deelnemen bij deze procedure voor zover het gaat over de handhavingsbesluiten.


Waar gaan de zaken over?




2.1
De schapenhouder houdt schapen op verschillende locaties. Op 20 december 2022 bezochten toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) stallen van de schapenhouder in [plaats 1] voor een inspectie. Tijdens de inspectie hebben de toezichthouders met toepassing van spoedbestuursdwang een dierenarts ingeschakeld om zes schapen te behandelen die volgens de toezichthouders medische zorg nodig hadden. De kosten van de bestuursdwang van € 193,06 heeft de minister bij de schapenhouder in rekening gebracht. Daarnaast heeft minister naar aanleiding van deze inspectie een last onder bestuursdwang opgelegd aan de schapenhouder, omdat de schapenhouder niet genoeg voer van voldoende kwaliteit aan zijn schapen zou hebben verstrekt. Aan de schapenhouder zijn vijf maatregelen opgelegd die ertoe strekken dat de schapen voldoende geschikt voer verstrekt krijgen.



2.2
Op 16 januari 2023 bezochten toezichthouders en een toezichthoudend dierenarts van de NVWA opnieuw de locatie in [plaats 1] en ook een locatie in [woonplaats 1] voor een inspectie. Volgens de minister is tijdens de inspectie geconstateerd dat de maatregelen uit de last onder bestuursdwang niet waren uitgevoerd. Daarnaast zijn er volgens de minister vijf nieuwe overtredingen geconstateerd. Er is daarom (spoedeisende) bestuursdwang toegepast die eruit bestond dat 139 schapen werden meegevoerd en bij een opslaghouder werden ondergebracht. De kosten van de bestuursdwang van € 12.606,12 heeft de minister bij de schapenhouder in rekening gebracht.



2.3
Op 2 februari 2023 bezochten toezichthouders van de NVWA een weideperceel van de schapenhouder in [plaats 2] voor een inspectie. De toezichthouders constateerden dat schapen op het perceel een slechte voedingsconditie hadden, tekenen van schurft vertoonden en kreupel waren. Omdat er volgens de toezichthouders sprake was van meerdere overtredingen van het Bhd zijn dezelfde dag met toepassing van spoedeisende bestuursdwang 12 schapen meegevoerd en ondergebracht bij een opslaghouder. De kosten van de bestuursdwang van € 2.086,57 heeft de minister bij de schapenhouder in rekening gebracht.


Het beroep in zaaknummer 23/1977


3 Het beroep in zaaknummer 23/1977 gaat over de spoedeisende bestuursdwang op 20 december 2023, waarbij de toezichthouders een dierenarts hebben ingeschakeld om medische zorg te verlenen aan zes schapen.


Standpunten van partijen




4.1
De schapenhouder betoogt dat inschakeling van de dierenarts niet nodig was. De schapen waren misschien kreupel, maar niet ernstig kreupel. De ernst blijkt althans niet uit het rapport van bevindingen. De schapenhouder was bereid de schapen zelf te bekappen. De schapenhouder wijst er in dat verband op dat het Handboek Schapenhouderij afraadt om hoogdrachtige schapen te bekappen. In dit geval waren de schapen hoogdrachtig. De minister had de schapenhouder een begunstigingstermijn moeten bieden zodat hij de schapen zelf op een later moment had kunnen bekappen.



4.2
De minister stelt zich op het standpunt dat de schapen dermate gewond waren of leken te zijn dat de toezichthouders het noodzakelijk hebben mogen achten een dierenarts in te schakelen. Uit het rapport van bevindingen over de inspectie volgt dat de schapen zwak, mager en kreupel waren. Eén schaap was zo kreupel dat het niet overeind kon komen. De schapenhouder heeft bovendien aan de toezichthouders desgevraagd te kennen gegeven niet zelf een dierenarts in te zullen schakelen, omdat dat volgens hem niet nodig was. De ingeschakelde dierenarts is op basis van zijn eigen afweging ook tot de conclusie gekomen dat een behandeling noodzakelijk was en heeft die ook verricht.


Beoordeling door het College




5.1
De minister verwijt de schapenhouder dat hij de artikelen 1.7, aanhef en onder c, en artikel 2.4, vijfde lid, van het Bhd heeft overtreden. Op grond van deze bepalingen moeten houders van dieren er zorg voor dragen dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd en dat, wanneer de zorg voor een ziek of gewond dier geen verbetering in de toestand van het dier brengt, zo spoedig mogelijk een dierenarts wordt geraadpleegd.



5.2
Over de inspectie op 20 december 2022 is een rapport van bevindingen van 31 januari 2023 opgemaakt. In dit rapport van bevindingen staat het volgende:

“Zieke/gewonde dieren.
Wij zagen dat 1 van de schapen in hok B van stal 2 erg zwak was. Wij zagen dat dit schaap niet zelf overeind kwam. Nadat ik, toezichthouder […], het schaap overeind zette ging het na een paar stappen direct weer liggen. Wij zagen ook dat 5 van de andere schapen kreupel waren, waarvan 1 schaap op 3 poten hinkte en zijn rechtervoorpoot niet wilde belasten. Wij zagen dat bij enkele van deze schapen de hoornwanden en punten van de hoefjes lang doorgegroeid waren.

Op onze vraag aan overtreder of deze schapen afgelopen zaterdag gezien waren door onze collega's antwoordde hij dat onze collega's niet in deze stal geweest waren, wat later door onze collega […] werd bevestigd. Op de vragen of hij deze schapen recent zelf had behandeld en of hij voor deze schapen een dierenarts geraadpleegd had antwoordde hij dat deze schapen nergens voor behandeld hoefden te worden en het raadplegen van een dierenarts was nergens voor nodig, volgens overtreder want er niets aan de hand met deze schapen. Op mijn, toezichthouder […], vraag of hij zijn dierenarts wilde bellen voor deze schapen omdat wij van mening waren dat 6 van deze schapen verzorging nodig hadden antwoordde hij op luide toon, althans in woorden van gelijke strekking; "Nu moet je een keer ophouden, ik bel de dierenarts niet, het zijn gezonde goede

schapen die ook niet kreupel zijn." Wij zagen kort hierna overtreder in zijn auto stappen en wegrijden.

Wij hebben hierna telefonisch contact opgenomen met TBM van de NVWA. Nadat we onze bevindingen met een medewerkster van TBM hadden besproken, kregen wij opdracht om middels toepassing van spoed bestuursdwang een dierenarts te raadplegen voor de 9 magere schapen in hok B van stal 2 waarvan er 6 ziek en/of gewond leken. Ik, toezichthouder […], heb hierop gebeld met DAP […] en heb een afspraak gemaakt om een dierenarts te laten komen.

Vanwege het vorenstaande bevonden wij ons dinsdag 20-12-2022, omstreeks 13.00 uur wederom op het erf van de locatie [plaats 1] . Wij zagen dat de ons bekende dierenarts […] hier ook aankwam waarna deze de 6 bedoelde schapen heeft onderzocht en behandeld. […].”



5.3
De dierenarts heeft een visiteformulier opgemaakt. Daarin staat:

“Bezoek in opdracht van de NVWA aan […] te [plaats 1] .
6 schapen nagekeken en bekapt. Ze waren op 1 dier na erg mager en 5 van de 6 liepen in meer of mindere mate kreupel.”



5.4
Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig worden voorbijgegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.



5.5
Zoals blijkt uit het rapport van bevindingen hebben de toezichthouders geconstateerd dat één schaap niet zelf overeind kon komen, dat vijf andere schapen kreupel waren en dat één van die schapen op drie poten hinkte en zijn rechtervoorpoot niet wilde belasten. Bij enkele van deze schapen waren de hoornwanden en punten van de hoefjes lang doorgegroeid. De schapenhouder heeft het rapport van bevindingen niet gemotiveerd bestreden zodat kan worden uitgegaan van de juistheid van deze bevindingen. Het College oordeelt dat de bevindingen voldoende grond bieden voor de conclusie dat de artikelen 1.7, aanhef en onder c, en 2.4, vijfde lid, van het Bhd werden overtreden. De schapen leken immers ziek of gewond – en bleken dat naderhand ook daadwerkelijk te zijn – en de schapenhouder had de schapen niet zelf onmiddellijk op passende wijze verzorgd of een dierenarts geraadpleegd. Daartoe was hij als houder van de dieren wel verplicht. Het betoog van de schapenhouder dat hij in overeenstemming met het Handboek Schapenhouderij had gewacht met het bekappen van de hoogdrachtige schapen leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat in dat handboek ook wordt geadviseerd om hoogdrachtige schapen wel te bekappen als ze kreupel zijn.



5.6
Nu sprake was van een overtreding, was de minister bevoegd om handhavend op te treden. Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan de minister in spoedeisende gevallen bestuursdwang toepassen zonder voorafgaande last of zelfs zonder voorafgaand besluit. Het College oordeelt dat de minister in de gegeven omstandigheden spoedeisende bestuursdwang heeft mogen toepassen. Alleen al het gegeven dat één schaap er dermate slecht aan toe was dat het niet overeind kon komen, maakt dat sprake was van een spoedeisende situatie. De spoedeisendheid wordt bevestigd door het feit dat de dierenarts bij aankomst de schapen ter plaatse onmiddellijk heeft behandeld. Dat de dierenarts, zoals de schapenhouder heeft betoogd, dit alleen heeft gedaan omdat hij onder druk zou zijn gezet door de toezichthouders, blijkt nergens uit. De dierenarts heeft een behandeling op basis van zijn eigen afweging kennelijk noodzakelijk geacht. Uit het rapport van bevindingen blijkt daarnaast dat de toezichthouders de schapenhouder hebben gevraagd of hij een dierenarts wilde bellen waarop de schapenhouder aangaf dat niet te zullen doen en toen vertrok. De schapenhouder heeft dus gelegenheid gehad zijn eigen dierenarts in te schakelen, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. De minister was daarom niet gehouden een begunstigingstermijn te geven.



5.7
Het bestreden besluit I, voor zover daarbij het spoedbestuursdwangbesluit I is gehandhaafd, kan gelet op het voorgaande in stand blijven. De kosten van de bestuursdwang zijn bij de schapenhouder in rekening gebracht. De schapenhouder heeft geen gronden aangevoerd over het kostenbesluit I. Het bestreden besluit I kan daarom ook in stand blijven voor zover daarbij het kostenbesluit I is gehandhaafd.


Het beroep in zaaknummer 23/1980




6.1
Het beroep in zaaknummer 23/1980 gaat over de last onder bestuursdwang van 21 december 2022 die is opgelegd naar aanleiding van de inspectie op 20 december 2022. De minister heeft deze last opgelegd, omdat de schapenhouder artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd zou hebben overtreden. Volgens die bepaling moet een houder van dieren ervoor zorgen dat een dier een voor dat dier toereikende hoeveelheid en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier. Het bestuursdwangbesluit strekt ertoe dat de schapenhouder binnen één dag maatregelen moet treffen om de vastgestelde overtredingen te beëindigen. Daarnaast strekt het bestuursdwangbesluit ertoe om herhaling in de daarop volgende zes maanden te voorkomen. De te nemen maatregelen luiden:

“Zorg ervoor dat:


alle circa 55 schapen in de stal permanent kunnen beschikken over gezond ruwvoer van voldoende kwaliteit;


alle magere schapen voldoende worden bijgevoerd met krachtvoer;


u rekening houdt met ranglagere en ranghogere dieren in een koppel. Dit betekent dat u voldoende vreetplekken moet aanbieden voor de hoeveelheid dieren die u houdt in de stal. Daarbij dient u rekening te houden met de type voer, ruwvoer en krachtvoer, die u geeft aan u schapen;


naast bovenstaand punten kunt u er ook voor kiezen uw schapen te verplaatsen naar een huisvesting die wel voldoet aan de geldende wet- en regelgeving, te verkopen en/of af te voeren.”





6.2
In de last onder bestuursdwang staat verder dat als de schapenhouder de maatregelen niet (tijdig) uitvoert, of als de schapenhouder de overtreding binnen zes maanden opnieuw begaat, de minister bestuursdwang zal toepassen. De bestuursdwang betekent dat er derden zullen worden ingeschakeld om de overtreding te beëindigen. De kosten hiervan komen voor rekening van de schapenhouder. De bestuursdwang kan ook inhouden dat de minister dieren van de locatie meevoert en ergens anders onderbrengt.


Standpunten van partijen




7.1
De schapenhouder betoogt in de eerste plaats dat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel het rapport van bevindingen pas zes weken na de inspectie en ruim na het toezenden van het bestuursdwangbesluit is opgesteld en toegezonden. Het was op dat moment voor de schapenhouder niet meer mogelijk om te controleren of dat wat in het rapport is opgenomen, juist is.
De schapenhouder betoogt daarnaast dat geen sprake was van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd. Daartoe voert hij aan dat er in stal 1, hok A, wel voldoende voerruiven waren van voldoende formaat. Het Handboek Schapenhouderij op grond waarvan de minister stelt dat er te weinig en te kleine voerruiven waren, bevat slechts richtlijnen en is niet bindend. Los daarvan voldeden de voerruiven volgens de schapenhouder aan het Handboek. Er waren drie voerruiven in stal 1, hok A, en niet twee zoals in het rapport van bevindingen staat, met een totale lengte van 800 cm aan vreetplaatsen, en niet 200 tot 240 cm zoals in de last onder bestuursdwang staat. De schapenhouder heeft in bezwaar foto’s van de voerruiven ingebracht, maar die zijn ten onrechte door de minister terzijde geschoven. De minister heeft volgens de schapenhouder ook een onjuiste berekening gemaakt van het benodigde aantal vreetplaatsen. Omdat ‘voorraadvoedering’ wordt toegepast, kan volgens het Handboek worden volstaan met één vreetplaats per drie schapen. Ook is de minister uitgegaan van een onjuiste vreetplaatsbreedte. Voor lammeren wordt een breedte van 20 cm voorgeschreven en niet 45 cm.
De schapenhouder bestrijdt ook dat het voer van onvoldoende kwaliteit zou zijn geweest of dat te weinig voer zou worden gegeven. Wellicht lag er wat ouder hooi onder in de voerruiven, maar het voer was niet vermengd met totaal ongeschikt of vervuild voer. Verder krijgen de schapen tweemaal per dag krachtvoer en tweemaal per dag ruwvoer.



7.2
De minister stelt zich op het standpunt dat het gegeven dat het rapport van bevindingen pas op 31 januari 2023 definitief is gemaakt, niet betekent dat het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat de inhoud daarvan niet zou kloppen. Verder stelt de minister dat, hoewel de schapenhouder niet verplicht is om de precieze afmetingen en aantallen voor voerplaatsen uit het Handboek Schapenhouderij aan te houden, er bij de schapenhouder in het licht van de richtlijnen wel erg weinig voerruiven waren voor de aanwezige schapen. De voerruiven waren ook niet gevuld met voldoende voer en er zat ook oud en beschimmeld voer in sommige voerruiven. Bovendien waren de schapen erg mager.


Beoordeling door het College




8.1
In het rapport van bevindingen van 31 januari 2023 staat het volgende:

“Voer.
Naar aanleiding van het vorenstaande bevonden wij ons dinsdag 20-12-2022, omstreeks 11.05 uur op de locatie [plaats 1] . Wij zagen en telden dat in hok A in stal 1, 55 schapen waren gehuisvest. Wij zagen en voelden dat deze schapen erg mager waren. Ik, toezichthouder […] heb een groot aantal van de schapen bevoelt en voelde dat de ruggengraten sterk uitstaken en hier nauwelijks tot geen spier en/of vetbedekking opzat, de doorn- en dwars- en uitsteeksels waren scherp voelbaar en hier kon ik mijn vingers tussen leggen. Het is mij bekend dat dit gelijk staat aan een body-conditiescore (bcs) van 1 of minder op een schaal van 5, waarbij 1 staat voor zeer mager en 5 voor te vet. Ook zagen wij dat de schapen erg slordige en loszittende vachten hadden. Wij zagen schapen schudden en schuren en stampen met hun voeten. Het is ons bekend dat schapen
dit doen bij jeuk.
Het is ons bekend dat schapen in zodanig slechte conditie, om terug te herstellen in ieder geval ad-libitum toegang tot geschikt ruwvoer moeten hebben.
Wij zagen dat aan een van de zijwanden van het hok 2 voerruiven waren geconstrueerd met beide een afmeting van ongeveer 100 tot 120 cm. Wij zagen dat deze voerruiven, geschat, ongeveer 75 tot 100 cm boven de bodem hingen en dat de schapen met hun bek alleen bij het onderste gedeelte van deze ruif konden.
Wij zagen dat er onder in de voerruiven een kleine hoeveelheid ruwvoer lag. Wij zagen dat dit grofstengelig hooi met weinig blad was. Wij zagen en roken dat dit hooi erg muf en beschimmeld was. Dit hooi was niet geschikt als voer voor dieren. Wij zagen dat op dit muffe hooi een kleine hoeveelheid ruwvoer van een betere kwaliteit lag wat wel fris rook. Wij zagen dat de schapen niet bij dit betere voer konden. Ik, toezichthouder […], heb hierop dit betere voer uit de ruiven gehaald en los in het hok op de grond gegooid. Wij zagen dat de schapen elkaar verdrongen en op en over elkaar klommen om iets van dit voer te bemachtigen. De schapen hadden zichtbaar honger. In het hok en in de stal zagen wij geen enkele aanwijzing dat aan de schapen brokken waren verstrekt.
Wij zagen aan ruwvoer voor in de stal alleen een pak hooi liggen van dezelfde slechte kwaliteit als wat wij in de ruiven aantroffen. Wij zagen dat op het erf ruwvoer stond van een betere kwaliteit.
Wij zagen en telden dat in hok B in stal 2, 9 schapen waren gehuisvest. Wij zagen dat 1 van deze schapen bleef liggen en erg zwak was. Nadat ik, toezichthouder het schaap overeind zette ging het na een paar stappen direct weer liggen. Ik, toezichthouder […], voelde dat dit schaap erg mager was en geen enkele bedekking had op zijn ruggengraat. Ik heb door bevoelen ook de conditie beoordeeld van de andere 8 schapen en zag en voelde dat een schaap een bcs had van 2 en de andere schapen van 1 tot 1,5. Wij zagen dat in dit hok ook 2 voerruiven waren en zagen dat deze ruiven leeg waren.
Wij zagen dat tijdens deze inspectie, omstreeks 11.20 uur, de ons bekende en de ons in onze functie kennende overtreder op het erf aankwam. Wij hebben ons mondeling en middels het tonen van onze legitimatiebewijzen kenbaar gemaakt als toezichthouders. Ik, toezichthouder […] heb hem de reden van onze komst medegedeeld. Desgevraagd bevestigde overtreder dat de schapen in stal 1 de schapen waren die tijdens de inspectie van 17-12-2022 vanuit de weide te De Hoef, hiernaartoe overgebracht waren. Nadat wij overtreder in stal 1 wezen op het als voer ongeschikte muffe hooi in de ruiven zagen wij hem deze ruiven leeghalen en met een zgn. kleine speciekuip ruwvoer ophalen van een baal voer die op het erf stond. Wij zagen dat dit de kwaliteit ruwvoer was die wij eerder boven op het beschimmelde voer zagen liggen. Wij zagen dat overtreder wat van dit voer in de voerruiven in stal 1 gooide. Wij zagen onmiddellijk de schapen elkaar weer verdringen en op elkaar klimmen om bij dit voer te kunnen. Toen ik, toezichthouder […], overtreder er op wees dat de kleine hoeveelheid ruwvoer die hij verstrekte veel te weinig was voor de 55 schapen om hier die dag voldoende van te kunnen vreten antwoordde hij; "Ze kunnen nu toch vreten."
Wij zagen dat hij later ook van dit ruwvoer aan de schapen in stal 2 verstrekte.
Op mijn vraag of hij ook brok verstrekte aan de magere schapen antwoordde hij dat hij dit zaterdag had besproken maar dat hij dat eerst had moeten ophalen. Wij zagen dat overtreder hierna een zak brok ophaalde uit zijn auto en de zak brok voor in de stal openmaakte. Hierna vulde hij één emmer met brok die hij in een tweetal voerbakken strooide die op de bodem in hok A stonden. Wij zagen en schatten dat deze voerbakken elk 2 tot 2,5 meter lang waren. Wij zagen dat de schapen elkaar nu verdrongen rond deze voerbakken. Wij zagen dat de schapen de brok binnen de kortste keren schoon opgevreten hadden en dat de kleinere en zwakkere schapen in de groep geen gelegenheid kregen om hier ook van te vreten.
Wij zagen dat toen wij om ongeveer 13.00 uur terugkwamen in stal 1, hok A dat de voerruiven schoon leeggevreten waren en de 55 schapen weer niet over voer konden beschikken.”



8.2
Het enkele feit dat het rapport van bevindingen is toegezonden zes weken na de inspectie, is naar het oordeel van het College onvoldoende grond om aan de inhoud van het rapport te twijfelen. Het rapport van bevindingen is geen constructie achteraf, maar de neerslag van bevindingen, documentatie en conclusies van de toezichthouders die tijdens de inspectie ter plaatse zijn vastgesteld. Op de zitting is gebleken dat toezichthouder Barhorst tijdens de inspectie handgeschreven aantekeningen heeft gemaakt, die mede als grondslag hebben gediend voor het opstellen van het rapport van bevindingen. Van een onzorgvuldige totstandkoming van het rapport is niet gebleken. Voor zover de schapenhouder heeft betoogd dat hij gelet op het tijdsverloop van zes weken op dat moment niet meer in staat was de bevindingen in het rapport gemotiveerd te bestrijden, heeft hij dit betoog niet concreet gemaakt. Daarbij is van belang dat hij zelf bij de inspectie aanwezig is geweest en ook meteen is geconfronteerd met de bevindingen. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat hij ook meteen heeft gereageerd op de bevindingen van de toezichthouders. Zijn reacties zijn vastgelegd in het rapport.



8.3
De schapenhouder heeft het rapport van bevindingen alleen in zoverre bestreden dat er volgens hem meer voerbakken en ruiven stonden dan de toezichthouders hebben waargenomen. Ter zitting heeft de schapenhouder gewezen op één foto van hok A bij het rapport van bevindingen waarop volgens hem behalve de twee voerruiven nog een derde ruif te zien zou zijn, herkenbaar aan een hekwerk aan de voorzijde van de ruif. Het College oordeelt dat dit in ieder geval niet duidelijk blijkt uit de foto en dat de toezichthouders het hekwerk kennelijk ook niet als voerruif hebben herkend. En zelfs al zou deze ruif er wel hebben gestaan, dan is nog niet gebleken dat er ook voer in zat. Voor de vraag of artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd overtreden is, anders dan de schapenhouder lijkt te veronderstellen, niet alleen van belang hoeveel voerbakken en ruiven aanwezig waren, maar ook of de schapen voldoende voer van goede kwaliteit kregen toegediend. Gelet hierop kan wat de schapenhouder heeft aangevoerd over de aanbevolen aantallen en afmetingen voor vreetplaatsen in het Handboek schapenhouderij hem op zichzelf niet baten. De schapenhouder heeft het rapport van bevindingen voor het overige niet gemotiveerd bestreden.



8.4
Het College oordeelt dat voldoende grond bestaat voor de conclusie dat artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd is overtreden. Dit baseert het College op het rapport van bevindingen waarin de toezichthouders hebben geconstateerd dat een groot aantal van de 55 schapen in hok A er mager uitzagen en ook mager voelden. De toezichthouders voelden namelijk dat de ruggengraten sterk uitstaken en hier nauwelijks tot geen spier en/of vetbedekking opzat, dat de doorn- en dwars- en uitsteeksels scherp voelbaar waren en dat men er een vingers tussen kon leggen. De schapen hadden een body conditiescore (bcs) van 1 of minder op een schaal van 5, waarbij 1 staat voor zeer mager en 5 voor te vet. Uit het rapport van bevindingen blijkt verder dat in de voerruiven in hok A weinig voer lag. De onderste laag voer zag en rook muf en beschimmeld. Daarbovenop lag een kleine hoeveelheid vers voer, maar de schapen konden daar niet bij. Zodra de toezichthouders vers voer verstrekten, verdrongen de schapen elkaar om bij het voer te kunnen. De schapen hadden dus zichtbaar honger. In het hok en in de stal zagen de toezichthouders geen aanwijzingen dat aan de schapen brokken waren verstrekt. Ook de schapen in hok B zagen en voelden volgens de toezichthouders mager en hadden een bcs tussen 1 en 1,5. Eén schaap had geen enkele bedekking op de ruggengraat en was niet in staat overeind te staan. De twee voerruiven in hok B waren leeg. Ook toen de schapenhouder tijdens de inspectie ruwvoer verstrekte aan de schapen verdrongen de schapen elkaar om dit voer te bereiken. Het voer was binnen de kortste keren opgevreten en de kleinere en zwakkere schappen hadden niet van het voer kunnen eten.



8.5
De minister heeft dus terecht vastgesteld dat artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd is overtreden, zodat de minister bevoegd was om handhavend op te treden. De schapenhouder heeft geen gronden aangevoerd over de opgelegde maatregelen. Voor zover het betoog van de schapenhouder over de omvang en de aantallen vreetplaatsen moet worden begrepen als gericht tegen de maatregel dat hij voldoende vreetplekken moet aanbieden voor de hoeveelheid dieren in de stal, blijkt uit het rapport van bevindingen dat deze maatregel nodig is om te waarborgen dat ook de zwakkere dieren in de groep bij het voedsel kunnen komen. Bij de vraag of die maatregel is nageleefd kan dit betoog aan de orde komen.



8.6
Het bestreden besluit II kan gelet op het voorgaande in stand blijven.


Het beroep in zaaknummer 24/365




9.1
Het beroep in zaaknummer 24/365 gaat over het meevoeren en opslaan van 139 schapen op 16 en 17 januari 2023 en het verhaal van de kosten daarvan op de schapenhouder. De minister heeft de schapen laten meevoeren en opslaan, omdat volgens hem tijdens de inspectie op 16 januari 2023 is geconstateerd dat maatregelen die in de last onder bestuursdwang van 21 december 2022 waren opgelegd niet waren uitgevoerd. Daarnaast zijn volgens de minister vijf nieuwe overtredingen geconstateerd. In het spoedbestuursdwangbesluit II staat de overtredingen als volgt omschreven:

“Overtreding 1: uw schapen op de locatie […] en […] kregen geen toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer toegediend.
Overtreding 2: u heeft een ziek en/of gewond schaap niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd dan wel laten verzorgen.
Overtreding 3: u heeft nagelaten om voor een ziek en/of gewond schaap tijdig een dierenarts te raadplegen.
Overtreding 4: u heeft een ziek en/of gewond schaap niet afgezonderd en in een passend onderkomen gehuisvest, dat zo nodig was voorzien van strooisel.
Overtreding 5: u heeft uw schapen op de verschillende locaties onvoldoende gecontroleerd om lijden te voorkomen.
Overtreding 6: u heeft uw schapen op de locatie [plaats 3] onvoldoende bescherming geboden tegen gezondheidsrisico’s en slechte weersomstandigheden.”



9.2
Hangende de beroepsprocedure heeft de minister het kostenbesluit II genomen en € 12.606,12 bij de schapenhouder in rekening gebracht. Gelet op het bepaalde in artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het kostenbesluit aangezien de schapenhouder ook dat besluit betwist.


Standpunten van partijen




10.1
De schapenhouder bestrijdt dat hij overtreding 1 heeft begaan en dat hij niet aan de last onder bestuursdwang zou hebben voldaan. Op de locatie in [plaats 1] waren de ruiven toevallig op het moment van de inspectie leeg. De schapen krijgen echter meermalen per dag ruw- en krachtvoer. Dat het voer beschimmeld zou zijn, is niet aannemelijk, omdat alleen de toezichthoudend dierenarts dit zegt te hebben waargenomen. Ook hadden de schapen toegang tot percelen met grasland met voldoende gras van goede kwaliteit, zoals ook wordt bevestigd door de eigen dierenarts van de schapenhouder en door middel van foto’s. Dit geldt ook voor de locatie in [woonplaats 1] . De schapenhouder bestrijdt verder niet dat de schapen in [woonplaats 1] niet werden bijgevoerd, maar dat was volgens hem ook niet langer nodig, zo bevestigt de eigen dierenarts.
De schapenhouder bestrijdt ook dat hij overtredingen 2, 3 en 4 heeft begaan. Hij heeft zieke schapen wel voldoende medische zorg verleend. Een aantal schapen met diarree en schurft is daarvoor op 17 december 2022 behandeld door een dierenarts. De schapenhouder bestrijdt ook dat hij zieke of gewonde schapen niet zou hebben afgezonderd. Hij heeft twee schapen in stal 1 in [plaats 1] in de ‘ziekenboeg’ ondergebracht. De schapenhouder bestrijdt ook dat hij niet of niet tijdig een dierenarts zou hebben geraadpleegd. Er is op 17 december 2022 een dierenarts geweest en daarna wekelijks een dierenartsassistente. Volgens de eigen dierenarts was meer ook niet nodig.
De schapenhouder bestrijdt verder dat hij overtreding 6 heeft begaan. Hij voert aan dat de schapen op de locatie in [woonplaats 1] voldoende bescherming hadden tegen gezondheidsrisico’s en slechte weersomstandigheden. Er zijn op zijn percelen voldoende betonnen delen voor de schapen om droog te liggen. Dat blijkt ook uit foto’s.



10.2
De schapenhouder betoogt ook dat, aangenomen dat er wel overtredingen zouden zijn begaan, ten onrechte spoedbestuursdwang is toegepast. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de situatie spoedeisend was. Uit foto’s blijkt daarnaast dat er op beide locaties ook gezonde schapen zijn meegevoerd, waaronder hoogdrachtige schapen en zeer jonge lammetjes. De schapenhouder stelt ook dat het bijvoeren en behandelen door een dierenarts op locatie had gekund en dat er een begunstigingstermijn had worden verleend. Daarnaast is de schapenhouder bereid om lasten op te volgen en mee te werken.



10.3
De schapenhouder betoogt verder dat de in rekening gebrachte kosten in het kostenbesluit te hoog zijn. Over de transportkosten betoogt de schapenhouder dat het starttarief onevenredig hoog is. Ook ontbreekt een urenspecificatie op de factuur, is een te hoge totale reistijd in rekening gebracht en is ten onrechte een extra medewerker ingezet.
Over de opvangkosten betoogt de schapenhouder dat ten onrechte de kosten voor 25 dagen in rekening worden gebracht, aangezien de schapen na 21 dagen al konden worden verkocht. Ook de kosten voor het wassen van de schapen tegen schurft zijn te hoog.
Over de taxatiekosten betoogt de schapenhouder dat het verhalen van deze kosten in strijd is met een interne gedragsregel van de minister om deze kosten niet langer bij overtreders in rekening te brengen. Daarnaast heeft de taxateur te lang gedaan over de taxatie.
De schapenhouder kan zich ook niet verenigen met de volgens hem te lage opbrengst van ruim € 7.000,- uit de verkoop van de schapen. Ook is onduidelijk wat de verkoopprocedure was. Uit een eigen specificatie van de schapenhouder volgt dat de schapen een waarde hadden van ruim € 13.000,- en hij kende een koper die bereid was dit bedrag te betalen.



10.4
De minister stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van bevindingen volgt dat de schapen geen toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer kregen. De schapen hadden een slechte voedingsconditie en waren nog altijd sterk vermagerd. De schapen waren niet of onvoldoende bijgevoerd met krachtvoer en het beschikbare ruwvoer was oud en muf. Daarmee staat vast dat de schapenhouder niet aan de last onder bestuursdwang had voldaan.
Over de overtredingen 2, 3 en 4 stelt de minister dat is geconstateerd dat er schapen waren met diarree en kreupele schapen. Ook hadden schapen ernstige jeuk en kale plekken, soms met korsten, wat duidt op een huidaandoening zoals schurft. Weliswaar was op 17 december 2022 een dierenarts ingeschakeld, maar die heeft niet alle schapen behandeld en bovendien is de behandeling niet toereikend geweest. Ook had de schapenhouder de kreupele schapen moeten (laten) bekappen. Uit het rapport van bevindingen volgt verder dat zieke en gewonde schapen niet waren afgezonderd. Daarmee staat vast dat de schapenhouder de overtredingen 2, 3 en 4 heeft begaan.
Over overtreding 6 stelt de minister dat de schapen in [woonplaats 1] werden gehouden op een zeer nat perceel zonder enige schuilmogelijkheid. De schapen werden niet beschermd tegen slechte weersomstandigheden en gezondheidsrisico’s. Daarmee staat vast dat de schapenhouder overtreding 6 heeft begaan.



10.5
Over de toepassing van bestuursdwang stelt de minister zich op het standpunt dat dit gezien de ernst van de situatie en de voorgeschiedenis noodzakelijk was. De schapen verkeerden in zeer slechte gezondheid, wat ook wordt bevestigd door het feit dat naderhand bij de opslaghouder verschillende schapen zijn overleden. Herstel op locatie was niet mogelijk, omdat de schapenhouder niet beschikte over voldoende ruimte om de 139 schapen binnen te huisvesten, terwijl dat gelet op de gezondheidstoestand wel nodig was. De schapen moesten ook onmiddellijk worden behandeld door een dierenarts.



10.6
Over de kosten van de bestuursdwang stelt de minister zich op het standpunt dat het niet onredelijk is om deze op de schapenhouder te verhalen. Er zijn kosten gemaakt in verband met het transport, de opslag en de taxatie van de schapen. De schapen zijn verkocht vier dagen nadat de schapenhouder deze had vrijgegeven en voor een hoger bedrag dan getaxeerd.


Beoordeling door het College


Overtreding 1 (maatregelen last onder bestuursdwang)



11.1
De bevindingen van de toezichthouders tijdens de inspectie op 16 januari 2023 zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 22 februari 2023. Bij de inspectie was ook een toezichthoudend dierenarts aanwezig. De bevindingen van de dierenarts zijn neergelegd in een veterinaire verklaring van 18 januari 2023.



11.2
In het rapport van bevindingen staat het volgende:

“VOEDING

Locatie [ [plaats 1] ]

Wij, toezichthouders […], […] en […], zagen in zowel stal 1 als stal 2, hooiruiven. Wij zagen twee hooiruiven in stal 1 en twee hooiruiven in stal 2. Wij zagen enkele restanten van kuil in de hooiruiven liggen. Wij voelde en roken dat de restanten van dit kuil vochtig en muf waren. Wij zagen in de kraamhokken (stal IC), op de grond kuil lag van dezelfde kwaliteit als dat in de hooiruiven. Wij zagen en voelde aan de scherp uitstekende uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen dat vrijwel alle schapen erg mager waren.
[…]
Wij liepen een ronde over het gehele perceel van deze locatie. Wij zagen dat het perceel erg nat was. Wij hoorde plonzende geluiden van de plassen water in het perceel tijdens onze ronde. Wij zagen in dit perceel ook geen restanten van bijvoederen of plaatsen waar eventueel bij gevoederd werd. Wij zagen dat de meeste schapen in stal 2 en het bijhorende perceel een matige tot slechte conditie hadden. Hierbij opgemerkt dat een goede conditiebepaling bij schapen door hun dikke vacht niet goed mogelijk is zonder ze vast te pakken. Bij de schapen met een matige tot slechte conditie zagen wij dit aan de door de vacht heen duidelijk zichtbare uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen. Wij weten dat dit zichtbaar wordt als er geen of nauwelijks vlees/vet bedekking is.

Locatie [ [woonplaats 1] ]

Wij, toezichthouders […], […] en […], liepen een gehele ronde over beide percelen van deze locatie. Wij zagen dat beide percelen erg nat waren. Wij hoorde plonzende geluiden van de plassen water in de percelen tijdens onze ronde. Wij zagen in deze percelen ook geen restanten van bijvoederen of plaatsen waar eventueel bij gevoederd werd.
[…]
Wij zagen dat de meeste schapen een matige tot slechte conditie hadden. Hierbij opgemerkt dat een goede conditiebepaling bij schapen door hun dikke vacht niet goed mogelijk is zonder ze vast te pakken. Bij de schapen met een matige tot slechte conditie zagen wij dit aan de door de vacht heen duidelijk zichtbare uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen. Wij weten dat dit zichtbaar wordt als er geen of nauwelijks vlees/vet bedekking is.
Het is ons toezichthouders bekend dat het gras in deze tijd van het jaar weinig energie en eiwitten bevat. Het is ons ook bekend dat schapen in een slechte conditie energie- en eiwitrijk voer nodig hebben voor de onderhoud en het terug brengen naar een voldoende conditie.

[…]

Wij hoorden de dierenarts tegen ons zeggen dat de schapen er slecht uitzagen. Wij hoorden overtreder […] vragen aan de dierenarts voor een consult. Wij zagen dat overtreder […] en de dierenarts langs de schapen in stal 1 en stal 2 liepen. Wij zagen dat overtreder […] en de dierenarts in het voorste gedeelte van het perceel liepen en niet naar achter liepen, waar de meeste schapen stonden. Wij zagen dat de dierenarts hierna vertrok van de locatie […].”
[…]
“Wij, toezichthouders […] en […], zagen omstreeks 16:15 uur de dierenarts met overtreder […] verschijnen op de locatie […]. Wij zagen dat ze in het voorste gedeelte van de percelen liepen en waar een klein gedeelte van de schapen liep. Wij zagen dat ze niet naar het achterste gedeelte van het perceel liepen, waar de meeste schapen liepen.”



11.3
In de veterinaire verklaring staat het volgende:

“Locatie: […] te [plaats 1]

Schuur en weiland

Stal 1
Ik zag dat in de schuur schapen en lammeren werden gehouden. Ik zag twee groepen dieren en hokken met ooien en lammeren. In totaal telde ik 23 schapen en 15 lammeren. Ik trof 2 schapen met identificatiecodes [nummer 1] en [nummer 2] liggend aan. Deze schapen kwamen niet in de benen. Het schaap met identificatiecode [nummer 1] lag in agonie (op sterven). Alle schapen waren in een slechte voedingsconditie. Ik zag en voelde de ruggenwervels en de dwarsuitsteeksels duidelijk en scherp. Ik zag dat de vachten van de schapen smerig en vervuild waren met mest. Vooral de achterkanten waren bevuild met oude opgedroogde en verse mest. Ik zag dat de vachten van deze schapen zeer slecht waren. De wol, liet los en er waren kale plekken te zien, bij sommige dieren waren de kale plekken uitgebreid over de rug. Ik zag ook dat de schapen jeuk hadden, want de dieren gingen zich schudden en krabben. Ik zag dat 1 schaap met werknummer 81742 te lange tenen had aan alle 4 klauwen. In de stal stond een ruif waarin voer voor de schapen lag. Ik zag dat dit voer beschimmeld was en een rottige geur had.
Stal 2
Vanuit deze stal hadden de schapen vrije toegang tot het aangrenzende weiland. In totaal telde ik ca, 43 schapen en 1 lam. In de stal was geen voer voor de schapen aanwezig. De dieren moesten in het weiland grazen. Echter is de voedingswaarde van het gras in de winter zeer laag, In het weiland zag ik minimaal 3 schapen ernstig kreupel open. Deze dieren liepen op 3 poten, omdat de zere poot niet belast werd tijdens het staan en lopen. Ik zag dat de schapen jeuk hadden en zich krabden en aan het schudden waren. Ik zag dat bij sommige schapen de wol losliet en er kale plekken zichtbaar waren. De vachten, met name aan de achterkanten van de schapen, waren vervuild met oude opgedroogde en verse mest. De voedingsconditie van de schapen was slecht. De schapen waren zeer mager. De ruggenwervels en de dwarsuitsteeksels tekenden zich duidelijk af.
Locatie: […] te [woonplaats 1]
In het weiland liepen ca. 60 schapen. Toen ik door het weiland liep zag en voelde ik dat het land nat en soppig was. De schapen hadden geen plek waar ze droog en schoon konden liggen. Ik zag dat de voedingsconditie van deze schapen onvoldoende was. Ik zag dat deze schapen vooral aan de achterkanten vervuild waren met oude opgedroogde en verse mest. Ik zag dat de schapen jeuk hadden, want ze waren zich aan het krabben en schudden. De wol zag er nat en onverzorgd uit. De wol liet los en sommige schapen hadden uitgebreide kale plekken. Ik zag meerdere schapen kreupel lopen. In de sloot en op het weiland zag ik oude kadavers van schapen liggen. De kadavers waren opgeblazen en de wol liet los. Aan de kant van een sloot zag ik een schaap liggen. Dit schaap kon niet meer in de benen komen en lag in agonie (op sterven). Op het erf stond een veekar met daarin een kadaver van een schaap en een ton vol met schapenkadavers.”



11.4
De schapenhouder heeft ter weerlegging van de bevindingen van de toezichthouders en de toezichthoudend dierenarts een verklaring van 17 januari 2023 van een andere dierenarts (de tweede dierenarts) overgelegd. Deze dierenarts heeft het volgende verklaard:

“Gisteren werd ik vanuit mijn werk als landbouwdierenarts bij DAP […] door de NVWA ontboden bij 2 koppels schapen van [de schapenhouder] […] met het verzoek om 2 schapen te euthanaseren.
Later heb ik op verzoek van [de schapenhouder] beide koppels nog eens kritisch bekeken.
Her eerste koppel liep […] te [woonplaats 1] : hier heb ik een zeer slecht, koud schaap geëuthanaseerd welke niet meer kon staan. Later heb ik met de veehouder door dit koppel gelopen en zag aan de rest van deze dieren weinig afwijkingen. Ze hadden voldoende hectares met gras van voldoende kwaliteit van bemest land om te vreten en werden niet bijgevoerd. Bijvoeding was op dit moment ook niet nodig. Deze dieren waren niet drachtig en zouden later dit jaar worden afgemest voor de slacht.
Het tweede koppel liep […] te [plaats 1] : hier was een schuur waar een aantal ooien met lammeren liepen, alsmede een aantal losse schapen. Twee van deze schapen waren liggend. 1 daarvan was zo slecht/koud dat ik deze ook ter plaatse geëuthanaseerd hebt. De andere vertoonde nog enige vitaliteit en was aan het herkauwen. De ooien met jonge lammeren zaten in aparte hokjes met water en hooi. Deze ooien waren iets schraal en 1 had er nog last van een schurft infectie. De ooien met lammeren en schapen kregen wel krachtvoer bijgevoerd. Ik ben ook door het koppel schapen gelopen dat buiten in de wei bij het laageind liep, hier zag ik weinig bijzonderheden aan de deze dieren. De omstandigheden van weidegang waren vergelijkbaar als bij de [locatie]. Er was gras van voldoende kwaliteit in het land aanwezig en land was ook bemest geweest. De lammeren werden bijgevoerd in de stal met krachtvoer/hooi, hier hadden zij vrij toegang tot en konden zij ook schuilen voor slechte weersomstandigheden. Een aantal koppels hadden in december last van schurft en zijn op advies van een collega twee maal behandeld met een antiparasitair middel. Ook zijn de door een dompelbad gegaan.”



11.5
Zoals blijkt uit overweging 6.1 moesten volgens de last onder bestuursdwang alle circa 55 schapen in de stal permanent kunnen beschikken over gezond ruwvoer van voldoende kwaliteit, moesten alle magere schapen voldoende worden bijgevoerd met krachtvoer en moesten voldoende vreetplaatsen worden aangeboden voor de hoeveelheid dieren in de stal, rekening houdend met ranglagere en ranghogere dieren in een koppel. De maatregelen moesten binnen een dag worden uitgevoerd en binnen een termijn van zes maanden mocht de geconstateerde overtreding niet opnieuw worden begaan. Tijdens de inspectie op 16 januari 2023 constateerden de toezichthouders in de stallen alleen restanten van ruwvoer in de ruiven. De restanten waren muf en vochtig. Er werden geen restanten van krachtvoer aangetroffen. De toezichthouders zagen dat de schapen een matige tot slechte voedingsconditie hadden. Door de vacht heen zagen zij duidelijk zichtbare uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen. Ook de toezichthoudend dierenarts heeft geconstateerd dat de schapen in een slechte voedingsconditie waren, omdat zij zag en voelde dat de ruggenwervels en de dwarsuitsteeksels duidelijk en scherp uitstaken. Ook de dierenarts trof in de voerruif in stal 1 oud en beschimmeld voer aan. In stal 2 trof zij geen voer aan. Gelet op de slechte voedingsconditie van de schapen en het gegeven dat geen vers ruwvoer van goede kwaliteit en geen (restanten van) krachtvoer werd aangetroffen, heeft de minister naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat niet aan de last onder bestuursdwang was voldaan en de minister was dus bevoegd om bestuursdwang toe te passen.



11.6
De verklaring van de tweede dierenarts leidt niet tot een ander oordeel. Deze dierenarts heeft over het koppel in [woonplaats 1] verklaard dat deze niet werden bijgevoerd met krachtvoer, omdat dit niet nodig zou zijn. Voor zover de schapenhouder stelt te zijn afgegaan op het advies van deze dierenarts, overweegt het College dat de last onder bestuursdwang voorschreef dat alle magere schapen werden bijgevoerd met krachtvoer. De schapenhouder had om opheffing van de last moeten vragen indien hij van mening was dat bijvoeren niet (langer) noodzakelijk was. Over de schapen in [plaats 1] heeft de tweede dierenarts verklaard dat de ooien met lammeren en een aantal losse schapen werden bijgevoerd met krachtvoer, maar het is niet duidelijk op welke waarnemingen de dierenarts dit baseert. Uit de verklaring blijkt niet dat de dierenarts daadwerkelijk krachtvoer of restanten daarvan heeft waargenomen. Los daarvan moesten volgens de last alle magere dieren worden bijgevoerd met krachtvoer en niet alleen de ooien met lammeren en enkele losse schapen. Voor zover de dierenarts heeft verklaard dat de koppels toegang hadden tot weideland met gras, geldt ook hier dat de last, in ieder geval voor de 55 schapen in [plaats 1] , voorschreef dat vers ruwvoer van goede kwaliteit werd verstrekt. Zoals de toezichthoudend dierenarts ter zitting nader heeft toegelicht, bevat gras in de wintermaanden te weinig energie en eiwitten om als enige voedingsbron voor de schapen te dienen, vooral als de voedingsconditie van de schapen niet op peil is. Over de (voedings)conditie van de schapen heeft de tweede dierenarts alleen verklaard dat hij bij de schapen weinig afwijkingen of bijzonderheden zag. Niet blijkt dat hij de dieren nader heeft onderzocht, wat de toezichthoudende dierenarts wel heeft gedaan. Dit staat in schril contrast met de bevindingen, die uitvoerig zijn beschreven, van de toezichthouders en de toezichthoudend dierenarts die hebben gezien en gevoeld dat de schapen erg mager waren en dus een slechte voedingsconditie hadden. Uit het rapport van bevindingen kan worden afgeleid dat de dierenarts van de schapenhouder vermoedelijk ook niet alle schapen heeft gezien. De slechte conditie van de schapen wordt bovendien bevestigd door de dierenarts bij de opslaghouder die de in beslaggenomen schapen heeft onderzocht. De dierenarts omschrijft de op 16 januari 2023 in beslag genomen schapen in het intakedocument als “zeer vermagerde kudde schapen (gemiddelde conditie 1 uit 5)”. De op 17 januari 2023 in beslaggenomen schapen worden omschreven als “zeer vermagerd groepje schapen (7 stuks, gemiddelde conditie 1,25 uit 5)”.

Overtredingen 2, 3 en 4



12.1
De overtredingen 2, 3 en 4 hebben betrekking op de verzorging van (zieke) schapen. Volgens de minister heeft de schapenhouder artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd overtreden (overtreding 2). Volgens die bepaling dient degene die een dier houdt er zorg voor te dragen dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd. Ook zou de schapenhouder artikel 2.4, vierde en vijfde lid, van het Bhd hebben overtreden (overtreding 3 en 4). Daarin is bepaald dat een ziek of gewond dier zo nodig wordt afgezonderd in een passend onderkomen dat zo nodig is voorzien van droog strooisel en dat wanneer de zorg, bedoeld in artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, geen verbetering in de toestand van het dier brengt, zo spoedig mogelijk een dierenarts wordt geraadpleegd.



12.2
In het rapport van bevindingen staat:

“PASSENDE VERZORGING


Locatie [ [plaats 1] ]

Wij, toezichthouders […], […] en […], vergezeld door drs. […], bevonden ons op maandag 16 januari 2023 op eerder genoemde tijd op de locatie […]. Wij liepen naar de achterzijde van het erf, en zagen hier 2 stallen. […]
Wij zagen in alle drie de hokken van stal 1 meerdere schapen met kale plekken zonder wol. Wij zagen meerdere schapen met korsten op deze kale plekken. Wij zagen dat meerdere schapen veelvuldig aan het schudden en schuren waren.
Wij weten uit ervaring dat het schudden en schuren een teken kan zijn van jeuk. Het is ons bekend dat ook dit een aanwijzing kan zijn dat de schapen last van een uitwendige parasitaire aandoening hebben. Kennelijk waren deze schapen niet of in ieder geval niet voldoende behandeld tegen uitwendige parasieten. Wij zagen hiernaast ook meerdere kreupele schapen in stal IA en stal 1B.
Wij zagen dat meerdere van deze schapen een erg door oude en verse mest bevuilde achterkant hadden. Wij zagen dat meerdere van deze schapen de wol van de staart en achterband was aangekoekt met grote klonten oude en verse mest. Wij zagen aan het mesten van enkele schapen dat deze ook nu nog diarree hadden. Kennelijk hadden deze schapen al langdurig last van diarree. Wij zagen meerdere schapen die ernstig kreupel leken. Wij zagen dat deze schapen hun zere poot niet wilde belasten tijdens het staan en lopen.
Wij zagen en telden twee schapen in stal 1A die verminderd alert leken. Wij zagen en sloom en apathisch waren. Wij zagen dat het schaap met het levensnummer: [nummer 1] , gedeeltelijk over een voerbakje lag in een zijligging. Wij zagen dat het schaap met het levensnummer: [nummer 2] , naast de lege voergoot in stal 1A liggen. Wij zagen dat beide schapen een bevuilde achterband hadden met klonten oude en verse mest. Wij voelden dat beide schapen erg mager waren. Wij zagen en voelden aan de scherp uitstekende uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen dat deze twee schapen erg mager waren. Wij zagen dat deze zieke schapen niet werden afgezonderd in een passend onderkomen.
[…]
Wij liepen uit stal 1 naar respectievelijk stal 2. Wij zagen dat een tweetal percelen grasland verbonden waren met stal 2. Wij zagen dat de schapen die op de percelen liepen, vrije toegang hadden tot stal 2. Wij zagen 43 volwassen schapen en 1 lam van verschillende rassen en/of kruisingen. Wij zagen meerdere kreupele dieren, welke een van hun poten ontzag door deze op te tillen tijdens het lopen. Wij zagen meerdere dieren met te lange klauwtjes. Wij zagen dat de meeste schapen een matige tot slechte conditie hadden. Hierbij opgemerkt dat een goede conditiebepaling bij schapen door hun dikke vacht niet goed mogelijk is zonder ze vast te pakken. Bij de schapen met een matige tot slechte conditie zagen wij dit aan de door de vacht heen duidelijk zichtbare uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen. Wij weten dat dit zichtbaar wordt als er geen of nauwelijks vlees/vet bedekking is.


Locatie [ [woonplaats 1] ]

Wij, toezichthouders […], […] en […], vergezeld door […], bevonden ons op maandag 16 januari 2023 op eerdergenoemde tijd op de locatie […].
Wij zagen omstreeks 15:15 uur dat in de slootkant in de modderen half in de sloot, een schaap lag. […] Wij zagen en voelde dat het schaap niet reageerde op ons en erg mager was. […] Wij hebben het schaap uit de sloot getrokken en op zijn poten gezet. Wij zagen dat het schaap gelijk in elkaar zakte. Wij voelden dat dit schaap erg mager was. Wij zagen dat dit schaap op meerdere plekken geen wol had en korsten had op deze kale plekken. Wij zagen dat de achterband en staart van dit schaap bedekt was met aangekoekte mest. Wij zagen aan de hoeveelheid mest en aan de sporen van het trappelen met de poten dat dit schaap al langere tijd, zeker meerdere dagen, vast lag. Kennelijk was dit schaap niet recent gecontroleerd om lijden te voorkomen. Wij tilden het schaap naar het begin van het perceel.
[…]
Wij hebben een gehele ronde over beide percelen gelopen en telden ongeveer 60 volwassen schapen van verschillende rassen en kruisingen. Wij raadpleegden het I&R systeem schaap en zagen aan de hand van meerdere levensnummers dat deze geregistreerd stonden op het UBN van overtreder […]. Wij zagen meerdere schapen die ernstig kreupel leken. Wij zagen dat deze schapen hun zere poot niet wilde belasten tijdens het staan en lopen. Wij zagen halverwege het perceel, twee schapenkadavers. Wij zagen dat een van deze kadavers in de sloot lag. Wij zagen dat dit kadaver opgeblazen was. Wij zagen dat het andere kadaver, goed zichtbaar op het perceel van de naastgelegen buurman lag.
[…]
Ik, toezichthouder […], hoorde de buurman vertellen dat een aantal weken geleden, de sloten bevroren waren en er meermaals schapen van overtreder […] waren ontsnapt op zijn perceel. Ik liep via het erf van het bedrijf naast de locatie […], het perceel in naar dit kadaver. Ik zag dat dit kadaver opgeblazen was, de wol los liet en in een verre staat van ontbinding was. Ik zag dat dit kadaver een oormerk in had met het levensnummer [nummer 4] . Ik zag door het raadplegen van het I&R systeem schaap dat dit schaap geregistreerd was op het UBN van overtreder […].
Wij troffen achterop het perceel, welke bijna 2 kilometer diep was, twee schapen kadavers aan. Wij zagen dat deze kadavers opgeblazen waren en dat het wol los begon te laten. Kennelijk lagen deze kadavers hier al een langere tijd. Wij zagen aan de hoeveelheid mest en aan de sporen van het trappelen met de poten dat deze schapen kennelijk al langere tijd op deze plek hadden gelegen voordat deze dieren stierven. Kennelijk waren deze schapen niet voldoende gecontroleerd om lijden te voorkomen.
Wij zagen naast deze kadavers, liggend in de slootkant, een levend schaap liggen met levensnummer [nummer 3] . Wij zagen dat dit schaap niet overeind kwam bij benadering. Wij zagen dat de achterband en staart van dit schaap bedekt was met aangekoekte mest. Wij zagen aan de hoeveelheid mest en aan de sporen van het trappelen met de poten dat dit schaap al langere tijd, zeker meerdere dagen hier vast lag. Wij zagen en voelde aan de scherp uitstekende uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen dat dit schaap erg mager was.
Wij voelden dat het schaap vastgezogen zat in de modder van de slootkant toen we het schaap overeind wilde trekken. Wij zagen dat het schaap wankelend begon te lopen. Wij zagen dat het schaap meerdere keren langdurig urineerde. Kennelijk had dit schaap al langere tijd niet geürineerd. Wij zagen dat het schaap wankelend liep, meermaals omviel en urineerde waarbij we het schaap weer overeind moesten zetten. Kennelijk was het schaap ernstig verzwakt en was er onvoldoende gecontroleerd om het lijden van dit schaap te voorkomen.
Wij zagen dat de meeste schapen een matige tot slechte conditie hadden. Hierbij opgemerkt dat een goede conditiebepaling bij schapen door hun dikke vacht niet goed mogelijk is zonder ze vast te pakken. Bij de schapen met een matige tot slechte conditie zagen wij dit aan de door de vacht heen duidelijk zichtbare uitsteeksels van de ruggengraat en heupbeenderen. Wij weten dat dit zichtbaar wordt als er geen of nauwelijks vlees/vet bedekking is. Wij zagen meerdere schapen met kale plekken zonder wol. Wij zagen meerdere schapen met korsten op deze kale plekken. Wij zagen dat meerdere schapen veelvuldig aan het schudden en schuren waren.
Wij weten uit ervaring dat het schudden en schuren een teken kan zijn van jeuk. Het is ons bekend dat dit ook een aanwijzing kan zijn dat de schapen last van een uitwendige parasitaire aandoening hebben. Kennelijk waren deze schapen niet of in ieder geval niet voldoende behandeld tegen uitwendige parasieten. Wij zagen meerdere schapen die ernstig kreupel leken. Wij zagen dat deze schapen hun zere poot niet wilde belasten tijdens het staan en lopen.
Wij zagen dat meerdere van deze schapen een erg door oude en verse mest bevuilde achterkant hadden. Wij zagen dat meerdere van deze schapen de wol van de staart en achterhand was aangekoekt met grote klonten oude en verse mest. Wij zagen aan het mesten van enkele schapen dat deze ook nu nog diarree hadden. Kennelijk hadden deze schapen al langdurig last van diarree.
[…]
Het is ons bekend dat de vacht en huid van een dier een belangrijke rol spelen in de gezondheid van het dier. Naast de thermische bescherming geeft het ook bescherming tegen verwondingen en ziekten en speelt het een belangrijke rol bij onderlinge contacten. Wanneer de vacht en huid bedekt zijn met mest kan deze functie niet (goed) vervuld worden. De vacht biedt dan o.a. niet voldoende bescherming tegen inregenen en indringende koude en hitte en de huid kan minder bescherming bieden tegen bacteriën en infecties. Wij zagen bij meerdere van deze schapen ook mestklonten rond de staart zitten. Het is ons bekend dat deze mestklonten aan de binnenkant uitdrogen en daardoor inkrimpen waardoor de doorbloeding van de staart belemmert kan worden en ook af kan sterven.”



12.3
In de veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts staat:

“Vraag 2 In welke lichamelijke toestand heeft u de dieren aangetroffen?
Antwoord:


Twee schapen in agonie


1 schaap liggend aangetroffen, kwam niet overeind


Kreupele schapen aangetroffen, sommige liepen op 3 poten


Natte en vervuilde vachten, vooral de achterkanten


Huidaandoeningen: loslatende wol, kale plekken, jeuk, vermoedelijk veroorzaakt door huidparasieten zoals schurft (mijten) en luizen


Zeer magere schapen aangetroffen


1 schaap met te lange tenen aan alle 4 klauwen


Meerdere kadavers in het eiland en de veekar


[…]



Vraag 3 Wanneer is de aangetroffen toestand naar uw mening ontstaan?
Antwoord: Gezien de vermagering van enkele dieren, de mate van vervuiling van de vachten van de dieren zijn de aangetroffen omissies geen incident, maar een structureel probleem. Gewichtsverlies is een langer durend proces evenals de vervuiling van de achterkanten door diarree en het loslaten van de wol bij de schapen. Ook de te lange tenen en de ernstige kreupelheden wijst op een structurele tekortkoming in de verzorging van de dieren.

Vraag 4 Waardoor is de aangetroffen toestand naar uw mening ontstaan?
Antwoord: Na mijns inziens neemt de veehouder niet de nodige verantwoordelijkheid om zijn dieren optimaal te verzorgen. Als dieren ziek worden, b.v. diarree bij de schapen, loslatende wol, te lange klauwen, kreupelheid, vermagering e.a. neemt de veehouder niet op tijd de nodige actie om de dieren adequaat te behandelen. […].”



12.4
Uit het rapport van bevindingen volgt dat de toezichthouders op beide locaties meerdere schapen aantroffen met kale plekken zonder wol en met korsten op de kale plekken. Meerdere schapen waren veelvuldig aan het schudden en schuren. Dit zijn tekenen van jeuk en duiden op een parasitaire huidaandoening. Kennelijke waren de schapen hiertegen niet of niet voldoende behandeld. De toezichthouders troffen ook meerdere kreupele schapen aan. Sommige schapen waren ernstig kreupel en wilden hun zere poot niet belasten tijdens het staan en lopen. Twee schapen in stal 1A waren verminderd alert, sloom en apathisch en erg mager. Veel schapen vertoonden tekenen van diarree door aangekoekte oude mest en sommige schapen hadden nog steeds diarree. Alle schapen waren mager en hadden een slechte voedingsconditie. Op de locatie in [woonplaats 1] troffen de toezichthouders kadavers van schapen aan die er kennelijk al langere tijd lagen. Naast de kadavers troffen de toezichthouders langs de slootkant een nog levend, maar ernstig verzwakt schaap aan dat nauwelijks nog zelf kon staan. Ook de toezichthoudend dierenarts heeft geconstateerd dat veel schapen mager en kreupel waren en tekenen van diarree en huidaandoeningen vertoonden en dat twee schapen ernstig leden. Uit het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring blijkt niet dat zieke of gewonde dieren werden afgezonderd.



12.5
Het College ziet in wat de schapenhouder heeft aangevoerd geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders en de toezichthoudend dierenarts. De schapen waren of leken duidelijk ziek en/of gewond en de schapenhouder had de dieren moeten verzorgen. Dat heeft hij ten onrechte niet gedaan. Voor zover de schapenhouder stelt dat de dieren op 17 december 2022 zijn behandeld tegen schurft en diarree, dan zijn deze behandelingen onvoldoende effectief gebleken. De schapenhouder had (nogmaals) een dierenarts moeten inschakelen. Voor zover de schapenhouder stelt dat hij twee zieke schapen heeft afgezonderd in stal 1A, heeft de minister er terecht op gewezen dat uit het rapport van bevindingen blijkt dat er in deze stal ook nog andere schapen waren. De schapen waren dus niet afgezonderd. Overigens waren er behalve deze twee schapen nog andere zieke of gewonde schapen die de schapenhouder had moeten afzonderen, wat hij niet heeft gedaan. Het College oordeelt dan ook dat de minister terecht heeft gesteld dat de schapenhouder artikel 1.7, aanhef en onder c, en artikel 2.4, vierde en vijfde lid, van het Bhd heeft overtreden. De minister was dus bevoegd om handhavend op te treden.

Overtreding 6


13.1
Aan overtreding 6 heeft de minister ten grondslag gelegd dat de schapenhouder artikel 1.6, derde lid, van het Bhd zou hebben overtreden. Op grond van deze bepaling dient een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming te worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.



13.2
In het rapport van bevindingen staat:

“SLECHTE WEERSOMSTANDIGHEDEN
Locatie [ [woonplaats 1] ]
Wij, toezichthouders […], […] en […], weten dat de huid en vacht van een dier de gezondheid van het dier weerspiegelt en hier ook aan bijdraagt. De huid is een zintuigorgaan, de huid en vacht voorkomen onder andere uitdroging, spelen een belangrijke rol bij dierlijke contacten, houden de lichaamstemperatuur op peil en vormen een bescherming tegen verwondingen en ziekte. Als de vacht en huid bevuild is met aangekoekte mest, modder en/of is inspectie aangetast door huidparasieten zoals luizen en schurft, kunnen de huid en vacht deze functies niet voldoende vervullen. Gezien de eerder omschreven slechte voedingsconditie en de slechte conditie van de vachten van de schapen hadden de schapen op deze percelen op de locatie Noordzijde onvoldoende bescherming tegen de regenval en de verwachte lage temperaturen.
[…]
Wij zagen dat de schapen op de locatie [ [woonplaats 1] ], die niet in een gebouw werden gehouden, geen bescherming werd geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico's en zo nodig roofdieren.”



13.3
De schapenhouder heeft het rapport van bevindingen op dit punt niet gemotiveerd bestreden. Het College overweegt dat het rapport van bevindingen voldoende grond biedt voor het oordeel dat artikel 1.6, derde lid, van het Bhd bij de locatie in [woonplaats 1] werd overtreden. Op deze locatie waren geen stallen of overkappingen aanwezig waarin de schapen konden schuilen tegen regen, wind en kou, terwijl de schapen gelet op hun slechte gezondheidsconditie juist bescherming nodig hadden tegen slechte weersomstandigheden en gezondheidsrisico’s. Volgens de schapenhouder lagen er wel betonnen platen waarop de schapen konden liggen, maar dit kan naar het oordeel van het College niet als een adequate bescherming tegen slechte weersomstandigheden en gezondheidsrisico’s worden aangemerkt.



13.4
Nu artikel 1.6, derde lid, van het Bhd werd overtreden, was de minister bevoegd om handhavend op te treden.

Spoedeisendheid



14.1
Het College oordeelt dat de minister vanwege de overtredingen 2 tot en met 6 spoedeisende bestuursdwang heeft mogen toepassen. De situatie was dermate ernstig dat herstel op locatie niet mogelijk was. De schapen hadden immers onmiddellijk medische zorg nodig, zoals ook blijkt uit de veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts. Er was bovendien op locatie onvoldoende ruimte om de schapen in de stallen onder te brengen waar ze beschermd zouden zijn tegen de slechte weersomstandigheden. Daarbij is van belang dat er schapen waren met tekenen van diarree en schurft waarbij een hoog besmettingsrisico bestaat. Zoals de minister ter zitting heeft toegelicht was het bij de opslaghouder bovendien mogelijk de gezondheid van de schapen in een gecontroleerde omgeving te monitoren.



14.2
Voor zover de schapenhouder heeft betoogd dat er ten onrechte ook gezonde schapen zijn meegevoerd, heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt. De foto’s van enkele schapen in de oplader die de schapenhouder heeft overgelegd, zijn niet duidelijk en maken de conditie en gezondheidstoestand van deze schapen niet inzichtelijk. Bovendien is door de dierenarts bij de opslaghouder, zoals blijkt uit het intake werkdocument, geen enkel schaap als gezond aangemerkt. De voedingsconditie van alle schapen was slecht en alle volwassen schapen hadden schurft.

14.3Bestreden besluit III waarbij spoedbestuursdwangbesluit II is gehandhaafd, kan dus in stand blijven.

Kosten en opbrengsten



15.1
Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. De minister heeft de kosten van het transport, de opslag en de taxatie bij de schapenhouder in rekening gebracht.



15.2
Over het transport heeft de minister toegelicht dat dit is verricht door een aanbestede dienstverlener, zodat hij niet vrij is in de keuze voor een vervoerder. Zoals het College al eerder heeft geoordeeld (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 22 mei 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:173), onder 4.2), is het niet onredelijk om de kosten te baseren op de uitkomst van een openbare aanbestedingsprocedure. De kosten zijn inzichtelijk gemaakt met facturen waarop het uur- en starttarief en het aantal gewerkte uren zijn vermeld. De vervoerder heeft voor 16 januari 2023 7,5 uur en voor 17 januari 2023 5 uur in rekening gebracht. De minister heeft toegelicht dat naast de reistijd, bij het aantal uren ook het inladen van de schapen is inbegrepen alsmede het na afloop reinigen van de veewagens. Het hanteren van een starttarief vindt het College niet onredelijk, nu de vervoerder op afroep beschikbaar dient te zijn wanneer hij door de NVWA wordt ingeschakeld en niet valt uit te sluiten dat onder moeilijke omstandigheden moet worden gewerkt. Dat rechtvaardigt ook de inzet van een extra medewerker. De minister heeft bovendien ter zitting onweersproken gesteld dat in dit geval ook daadwerkelijke onder moeilijke omstandigheden is gewerkt. De schapen moesten worden verzameld vanaf grote percelen. Sommige schapen waren er dermate slecht aan toe dat ze naar de veewagen moesten worden gedragen. Het was bovendien donker en regenachtig.



15.3
Over de opvangkosten overweegt het College dat het doen van afstand van de meegevoerde en opgeslagen dieren niet betekent dat de kosten, die ter zake van deze toepassing van bestuursdwang daarna redelijkerwijs gemaakt zijn, niet meer bij de overtreder, zoals de schapenhouder, in rekening gebracht kunnen worden. Het College verwijst naar de uitspraak van 28 september 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY1681, onder 2.5). De schapen zijn vier dagen nadat de schapenhouder afstand had gedaan, verkocht, wat naar het oordeel van het College voortvarend genoeg is. De kosten voor de behandeling van 109 schapen tegen schurft (€ 7,50 per schaap) hadden volgens de schapenhouder veel lager kunnen uitvallen, maar de schapenhouder baseert dit betoog op de prijs van één fles Neocidol (middel tegen schurft) en de niet nader onderbouwde stelling dat het maximaal 45 minuten duurt om 109 schapen te behandelen. Ter zitting heeft de minister echter toegelicht dat alle met schurft besmette schapen zijn behandeld in een dompelbad wat een kostbare en arbeidsintensieve behandelmethode is.



15.4
Over de taxatiekosten heeft de minister toegelicht dat volgens een interne gedragslijn deze kosten alleen niet in rekening worden gebracht bij particulieren. De schapenhouder houdt de schapen als ondernemer. De taxateur heeft 8 uur in rekening gebracht. De kosten zijn gemaakt door een beëdigd taxateur met deskundigheid op het gebied van het taxeren van levende have zoals schapen. Bij het tarief zijn ook vervoerskosten en overheadkosten inbegrepen. Binnen de koppels was sprake van verschillende rassen van schapen. Daarnaast zijn van ieder schaap de I&R-gegevens gecontroleerd. De stelling van de schapenhouder dat de taxateur te lang over de taxatie heeft gedaan, heeft hij niet nader onderbouwd.



15.5
De opbrengst van de schapen uit de verkoop is afgetrokken van de totale kosten. De schapen zijn verkocht voor € 7.035,- terwijl ze waren getaxeerd op € 4.655,-. Het College ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de schapen voor een te lage prijs zijn verkocht of dat de minister zich onvoldoende heeft ingespannen om een marktconforme prijs te realiseren. De verkoopprocedure is schriftelijk aan de schapenhouder toegelicht zodat in dat licht geen grond bestaat voor het oordeel dat deze procedure niet inzichtelijk was. Voor zover de schapenhouder stelt dat een koper bereid was te schapen voor een veel hoger bedrag te kopen, dan stond het de schapenhouder vrij de schapen zelf te verkopen aan deze koper in plaats van afstand te doen.



15.6
Het College ziet het in het licht van het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de kosten van het transport, de opvang en de taxatie van de op 16 en 17 januari 2023 in beslag genomen schapen, onredelijk hoog waren en dat deze kosten, met aftrek van de opbrengst uit de verkoop niet bij de schapenhouder in rekening mochten worden gebracht. Kostenbesluit II kan daarom in stand blijven.


Het beroep in zaaknummer 25/230




16.1
De schapenhouder kan zich niet verenigen met de hoogte van de kosten voor het meevoeren en opslaan van de 12 schapen op 2 februari 2023. Daartoe voert hij dezelfde gronden aan als tegen kostenbesluit II in de procedure met zaaknummer 24/365. De minister voert hetzelfde verweer als in die procedure.



16.2
Het College stelt vast dat dezelfde vervoerder als op 16 en 17 januari 2023 het transport naar de opslaghouder op 2 februari 2023 heeft verzorgd. De kosten zijn inzichtelijk gemaakt door overlegging van facturen waarop het uur- en starttarief en het aantal gewerkte uren zijn vermeld. De vervoerder heeft 5 uur in rekening gebracht voor een lager uur- en starttarief dan op 16 en 17 januari 2023. Bij de opslaghouder zijn ook deze schapen behandeld tegen schurft en vier dagen nadat de schapenhouder afstand had gedaan van deze schapen, zijn ze verkocht. De taxatie is door dezelfde taxateur verricht als in zaaknummer 24/365 voor dezelfde tarieven. De taxateur heeft twee uur in rekening gebracht. De 12 schapen zijn getaxeerd op € 490,- en verkocht voor € 880,-.



16.3
Het College ziet geen grond om in zaaknummer 25/230 anders te oordelen dan in zaaknummer 24/365. Het College ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister de kosten van het transport, de opvang en de taxatie van de op 2 februari 2023 in beslag genomen schapen, onredelijk hoog waren en dat deze kosten, met aftrek van de opbrengst uit verkoop, niet bij de schapenhouder in rekening mochten worden gebracht. Kostenbesluit III kan in stand blijven.


Slotsom


17 De beroepen zijn ongegrond.


Schadevergoeding en proceskosten




18.1
De schapenhouder heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding, omdat in de procedures met zaaknummers 23/1977, 23/1980 en 24/365 de redelijke termijn is overschreden.



18.2
Het uitgangspunt is dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar, waarvan een half jaar voor bezwaar en anderhalf jaar voor beroep. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.



18.3
In alle drie de procedures is de redelijke termijn op het moment van het doen van uitspraak met afgerond anderhalf jaar overschreden. In zaaknummers 23/1977 en 23/1980 is de overschrijding nagenoeg volledig gelegen in de rechterlijke fase. In zaaknummer 24/365 is de overschrijding met afgerond een half jaar gelegen in de bestuurlijke fase en met afgerond een jaar in de rechterlijke fase. Het gaat om drie procedures van dezelfde belanghebbende over min of meer hetzelfde onderwerp die in beroep gezamenlijk zijn behandeld. Het College ziet daarom aanleiding slechts éénmaal het tarief van € 500,- per half jaar te hanteren, zodat de schapenhouder aanspraak maakt op een schadevergoeding van in totaal € 1.500,-. Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid zal het College de Staat veroordelen tot betaling van de volledige schadevergoeding, nu de overschrijding van de redelijke termijn in overwegende mate is toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Daarnaast moet de Staat de proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vergoeden. Deze begroot het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met en waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).







Beslissing

Het College:


verklaart de beroepen ongegrond;


veroordeelt de Staat tot betaling aan de schapenhouder van een vergoeding van € 1.500,- voor immateriële schade;


veroordeelt de Staat tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan de schapenhouder.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. B.J. van de Griend, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.







w.g. J.L. Verbeek w.g. C.A. Blankenstein
Link naar deze uitspraak