|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:238 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-06-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 23/1350 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | (Spoed)bestuursdwang inbeslagname exotische dieren in woning (brilkaaimannen, serval, overige dieren). Huisvesting voorziet onvoldoende in fysiologische en ethologische behoeften. Begunstigingstermijnen bestuursdwang te kort. Spoedbestuursdwang rechtmatig, maar kosten ten onrechte verhaald op Stichting, die geen overtreder is. Beroep gegrond. | | Trefwoorden | : | bestuursdwang | | | huurovereenkomst | | | landbouw | | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1350
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
de Stichting [naam 1] en [naam 2] te [woonplaats] (de Stichting en appellant)
(gemachtigden: mr. R.M. Nijk-Siebert en mr. E. van Brandwijk)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs)
met als derde partij
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Procesverloop
Met het besluit van 2 december 2022 (bestuursdwangbesluit I) heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd) ten aanzien van verschillende (exotische) dieren.
Met het besluit van 8 december 2022 (bestuursdwangbesluit II) heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Bhd ten aanzien van een serval.
Met het besluit van 9 december 2022 (spoedbestuursdwangbesluit) heeft de minister de op 1 december 2022 toegepaste spoedeisende bestuursdwang, waarbij brilkaaimannen zijn meegevoerd en opgeslagen, op schrift gesteld.
Met het besluit van 9 december 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister het verzoek van de Stichting en appellant tot verlenging van de begunstigingstermijnen in de bestuursdwangbesluiten I en II, afgewezen.
De Stichting en appellant hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaren tegen deze vier besluiten.
Met het besluit van 7 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van de Stichting en appellant tegen deze vier besluiten ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten.
De Stichting en appellant hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven over het bestreden besluit.
Met het besluit van 14 juni 2024 (kostenbesluit I) heeft de minister een bedrag van € 2446,85 aan kosten in rekening gebracht (ten aanzien van de brilkaaimannen).
Met het besluit van 19 augustus 2024 (kostenbesluit II) heeft de minister een bedrag van € 1.123,43 aan kosten in rekening gebracht (ten aanzien van de serval).
Met het besluit van 18 november 2024 (kostenbesluit III) heeft de minister een bedrag van € 10.859,63 aan kosten in rekening gebracht (ten aanzien van de overige dieren).
De minister heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
De Stichting en appellant hebben hun gronden aangevuld.
De Stichting en appellant hebben verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Vanwege dit verzoek heeft het College de Staat in de procedure betrokken.
De zitting was op 19 februari 2026. Aan de zitting hebben appellant en de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
1.1
Hangende het beroep tegen het niet tijdig beslissen, heeft de minister alsnog op de bezwaren beslist. In het bestreden besluit heeft de minister vastgesteld dat hij de maximale dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschuldigd is aan de Stichting en appellant omdat de beslistermijn is overschreden. De Stichting en appellant hebben, zoals zij op de zitting ook zelf hebben aangegeven, niet langer belang bij een beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Gelet hierop zal het College het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
1.2
Het beroep heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het bestreden besluit. Hierna gaat het College in op de gronden die de Stichting en appellant hebben ingebracht tegen het bestreden besluit.
Het beroep tegen het bestreden besluit
Waar gaat deze zaak over?
2.1
Appellant, tevens oprichter en bestuurder van de Stichting, vangt exotische dieren op. In 2022 was hij in bezit van twee fenneks (woestijnvossen), een aantal vogels (een lori van de Blauwe Bergen, een amazonepapepaai, twee edelpapegaaien, en een pyrrhura), een rattenslang, een serval, twee stinkdieren, een agoeti, twee stokstaartjes, drie corsacvossen en drie brilkaaimannen. Tot december 2022 werden deze dieren opgevangen in een loods aan de [adres] in [woonplaats] . Toen het huurcontract afliep en de verhuurder dreigde de toegang tot de loods te ontzeggen en de elektriciteit af te sluiten, moesten de dieren ergens anders worden opgevangen. Appellant heeft de meeste dieren toen in de woning van zijn moeder in [woonplaats] ondergebracht. De stokstaartjes en corsacvossen zijn in een verblijf op het terrein bij de loods gebleven.
2.2
Op 1 december 2022 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), na een melding van de verhuurder van de loods, de loods en de woning bezocht. Hun bevindingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 22 december 2022. In het rapport staat:
“Op donderdag 1 december omstreeks 10.15 uur bevonden wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, vergezeld door collega Benden, ons aan de [adres] […] te [woonplaats] . Hier ontmoette wij de twee wijkagenten van die regio. De bij ons in onze functie bekende heer [appellant] was niet aanwezig. Voor de loods zagen wij een grote kar staan van geschat 800x300 centimeter (LxB). In deze kar zaten aan één kant 2 Stokstaartjes en aan de andere kant 3 Corsacvossen.
Geschat was ongeveer 60% van deze oppervlakte voor de Corsacvossen. De helft van deze oppervlakte bestond uit een buitenverblijf en de andere helft een binnenverblijf. Het binnenverblijf had slechts een klein raampje en was daardoor erg donker. Het was niet goed mogelijk om naar binnen te kijken. Het is onduidelijk hoe de inrichting hier was en wat de temperatuur daar was. De
buitentemperatuur was op dat moment circa 6 graden Celsius.
[…]
Aan de andere kant zaten de stokstaartjes. Dit verblijf was geschat 300x300 centimeter (LxB).
[…]
Nu de verhuurder de elektra had uitgeschakeld en het verblijf van de stokstaartjes slechts een paar kleine ramen bevatte, zaten ze in een te donkere ruimte en konden ze niet zonnebaden. Het was ook onduidelijk te zien hoe de inrichting in dit verblijf was en ook kunnen we niet aangeven wat de temperatuur was binnen in dit verblijf.
[…]
Omstreeks 12.00 uur bevonden wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, vergezeld door collega van Benden, de wijkagenten en de heer [appellant], ons op het adres […] te [woonplaats] . De heer [appellant] gaf aan eerst naar binnen te gaan om de hond op te sluiten en zijn moeder te waarschuwen voor het bezoek. Tijdens het wachten buiten zagen wij de Fenneks door het zolderraam naar buiten kijken. Enkele minuten later konden ook wij naar binnen komen.
Toen wij achter de heer [appellant] aan door de tuin liepen zagen wij daar twee hokken staan. In het eerste hok zaten 4 konijnen. In het tweede hok, welke een totale afmeting had van geschat 200 x 80 x 100 centimeter (LxBxH), zaten twee stinkdieren.
[…]
In de woonkamer zagen wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, een bakje met kakkerlakken en er stond een bak met daarin de rattenslang. De bak was geschat 200 x 50 x 40 centimeter (LxBxH). Er stond een waterbak in en een substraat van zand.
Er was geen warmtelamp en/of UV-lamp aanwezig. UV-licht is nodig voor de aanmaak van vitamine D. De rode rattenslang is verder gek op klimmen. Er waren echter geen klimmogelijkheden aanwezig. Onbekend is of er een warmtemat aanwezig was en of de slang dus de mogelijkheid had tot thermoregulatie.
[…]
Vervolgens zijn wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, de trap opgegaan naar de eerste verdieping. In de eerste kamer troffen we enkele vogels en de Agoeti aan. De Lori van de Blauwe bergen zat alleen in een kooi van geschat 40x30x40 centimeter (LxBxH). Hierin zat 1 zitstok en onderin een substraat van krantenpapier. De lori had de beschikking over voer en water. Verder was er geen
verrijkingsmateriaal aanwezig.
[…]
Verder zagen wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, één Amazona oratrix, deze zat in een kleine bench van geschatte afmeting 100x50x50 centimeter (LxBxH) met 2 zitstokken. Er waren bakjes op de bodem aanwezig met voer en water. Verder was er geen verrijkingsmateriaal aanwezig.
[…]
Verder zagen wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, een koppel Edelpapegaaien. Deze zaten samen in een kooi van geschat 40x40x60 centimeter (LxBxH). In deze kooi zat 1 zitstok.
[…]
Verder zagen wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, in een klein plastic bakje van geschat 25x15x30 centimeter (LxBxH) een Pyrrhura zitten. Er lag wat hooi en voer op de bodem en er stond een bakje water.
[…]
Als laatste zagen we, inspecteurs Sanders en Nuijen, in deze kamer in een transportbench voor katten van geschat 100x50x50 centimeter (LxBxH), een agoeti zitten. Er stond verder een bakje met water in de bench en er lagen wat voerresten op de grond.
[…]
Vervolgens zijn wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, naar de badkamer gegaan. Hier troffen wij in de douche een plastic bak aan met daarin drie Brilkaaimannen in een laagje water van circa 10 cm. In de bak, met geschatte afmeting 150x80x80 centimeter (LxBxH), pasten de drie brilkaaimannen net naast elkaar. Bovenop de bak lag een rekje en daarboven hing een warmtelamp. De bekken van
de kaaimannen waren dichtgebonden. Er was geen bewegingsruimte voor de Brilkaaimannen. Ze konden weinig anders dan op of naast elkaar liggen.
[…]
Hierop heb ik, inspecteur Sanders, gevraagd of het mogelijk was voor de heer [appellant] om de dieren op een andere wijze en/of elders te huisvesten. De heer [appellant] gaf aan dat hij hier niet direct aan kon voldoen. Hierop heb ik, inspecteur Sanders, telefonisch contact opgenomen met Team Bestuurlijke Maatregelen (verder te noemen TBM1) en is er in overleg besloten om mondelinge spoedbestuursdwang toe te passen. Hierop heeft TBM1 contact opgenomen met team In Beslaggenomen Goederen van Rijksdienst van Ondernemend Nederland om opdracht te geven om de drie Brilkaaimannen op te komen halen.
Wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, hebben vervolgens eerst onze controle verder afgerond. We zijn verder gegaan naar de tweede verdieping.
Op de overloop stond een kattenbench van geschat 100x80x80 centimeter (LxBxH). In deze bench zat een serval. Op het moment dat wij de trap opliepen probeerde de serval al naar ons uit te halen en begon het dier te blazen.
Wij gaven aan dat de serval zo niet kon blijven zitten en vroegen of hij dit direct kon oplossen. De heer [appellant] gaf aan dat hij de serval mee kon nemen naar het huis van zijn vriendin en dat hij daar een slaapkamer tot zijn beschikking zou krijgen en dat als ze er niet waren, dan mocht de serval door het hele huis. Ik, inspecteur Sanders, heb hierop gevraagd of hij zeker wist dat dit een mogelijkheid was en of dat zijn vriendin het hier ook mee eens zou zijn. Hierop antwoordde de
heer [appellant] bevestigend. We hebben daarop afgesproken dat de serval diezelfde dag nog naar zijn vriendin zou gaan.
[…]
Op de tweede verdieping was ook nog een kamer aanwezig. Na het openen van deze deur zagen wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, de twee fenneks. Ze hadden de beschikking over de gehele zolderkamer. Geschatte ruimte 400x400 centimeter (LxB). In deze ruimte stond een hondenbench van circa 150x50x70 centimeter met daarin een kussen om op te liggen en een kattenbak waarvan ze ook al gebruik hadden gemaakt. Er lag tapijt op de grond in de kamer, wat niet gemakkelijk schoon te maken is en er was geen mogelijkheid tot graven.
[…]
Na de inspectie zijn wij allen vertrokken in afwachting van de opslaghouder. We, inspecteurs Sanders en Nuijen hadden met de heer [appellant] afgesproken dat we terug zouden komen later die dag met de opslaghouder om de Brilkaaimannen op te halen.
Omstreeks 14.15 uur bevonden wij, inspecteurs Sanders en Nuijen, ons wederom op het adres […] te [woonplaats] vergezeld door de opslaghouder met code 312. Hierop heeft de opslaghouder de drie Brilkaaimannen meegenomen en heb ik, inspecteur Sanders, op een later moment het PVMO uitgereikt aan de heer [appellant].”
2.3
Op basis van de bevindingen van de toezichthouders heeft de minister geconcludeerd dat de Stichting en appellant overtredingen hebben begaan van de Wet dieren en het Bhd. De minister heeft daarom drie (spoed)bestuursdwangbesluiten genomen. In bestuursdwangbesluit I heeft de minister zes lasten onder bestuursdwang opgelegd naar aanleiding van zes overtredingen. De lasten strekken ertoe dat de Stichting en appellant zorgdragen voor passende huisvesting voor de vossen, vogels, agoeti, stinkdieren, rattenslang en stokstaartjes met voldoende ruimte voor hun fysiologische en ethologische behoeften. Per last wordt omschreven aan welke specifieke eisen het dierenverblijf voor de betreffende dieren moet voldoen. Als de overtredingen niet binnen tien dagen na dagtekening van het besluit zijn opgeheven, zal de minister bestuursdwang toepassen die er volgens het besluit uit kan bestaan dat de dieren worden meegevoerd en ergens anders worden ondergebracht.
2.4
Met bestuursdwangbesluit II heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd ten aanzien van de serval. De last strekt ertoe dat de Stichting en appellant zorg moeten dragen voor passende huisvesting voor de serval met voldoende ruimte voor de fysiologische en ethologische behoeften. Het besluit omschrijft aan welke specifieke eisen het dierenverblijf moet voldoen. Als niet vóór dinsdag 13 december 2022 aan de last wordt voldaan, zal de minister bestuursdwang toepassen die er volgens het besluit uit kan bestaan dat de dieren worden meegevoerd en ergens anders worden ondergebracht.
2.5
In het spoedbestuursdwangbesluit heeft de minister de spoedeisende bestuursdwang op 1 december 2022, waarbij de drie brilkaaimannen zijn meegevoerd, op schrift gesteld.
2.6
Appellant heeft een loods in [plaats] gehuurd. Daar is appellant begonnen met het bouwen van nieuwe dierenverblijven. Op 13 december 2022 bezochten toezichthouders deze loods in [plaats] . Ook bezochten zij opnieuw de woning van de moeder van appellant. De bevindingen van de toezichthouders zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 14 februari 2023. De rattenslang en de serval werden gehouden in de loods in [plaats] en de overige dieren waren nog in de woning in [woonplaats] . Omdat de toezichthouders op 13 december 2022 constateerden dat niet voldaan was aan de opgelegde lasten in de bestuursdwangbesluiten I en II zijn de dieren, met uitzondering van de rattenslang, meegevoerd en bij een opslaghouder geplaatst. Hiervan zijn processen-verbaal opgemaakt. Op 23 december 2022 heeft de minister de Stichting en appellant schriftelijk laten weten dat niet is voldaan aan de bestuursdwangbesluiten I en II en dat de dieren daarom in bewaring zijn genomen. De minister heeft daarin ook medegedeeld onder welke voorwaarden de Stichting en appellant de dieren, waaronder ook de al eerder in beslaggenomen brilkaaimannen, terug kunnen krijgen. Eén van de voorwaarden is dat de geschatte kosten van de bestuursdwang vóór 5 januari 2023 worden betaald. Een andere voorwaarde is dat de Stichting en appellant beschikken over dierenverblijven die voldoen aan de door de minister gestelde eisen.
2.7
Tijdens een hercontrole op 13 januari 2023 hebben toezichthouders geconstateerd dat in de tuin van de woning voor de fenneks en de stokstaartjes dierenverblijven waren gebouwd die voldoen aan de gestelde eisen. Die dieren zijn daarom teruggegeven.
2.8
In het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van de Stichting en appellant tegen de (spoed)bestuursdwangbesluiten en het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard en deze besluiten in stand gelaten. De Stichting en appellant kunnen zich daarmee niet verenigen.
Wie is overtreder?
3.1
De Stichting en appellant betogen dat onduidelijk is wie de minister als overtreder heeft aangemerkt, omdat de besluiten onduidelijk zijn geadresseerd. Volgens de Stichting en appellant is de Stichting in ieder geval geen overtreder. De Stichting was indertijd pas net opgericht, verrichtte feitelijk nog geen activiteiten en was ook niet bij machte om aan de lasten te voldoen.
3.2
De minister stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat zowel de Stichting als appellant als overtreder zijn aangemerkt en dat de (spoed)bestuursdwangbesluiten, zoals ook blijkt uit het briefhoofd, aan beiden zijn gericht en ook aan beiden bekend zijn gemaakt. De Stichting is overtreder omdat uit de statuten blijkt dat de Stichting zich bezighoudt met het opvangen van exotische dieren. In de tweede plaats wijst de minister erop dat het er voor de bevoegdheid om (spoed)bestuursdwang toe te passen niet toe doet als de geadresseerde geen overtreder is, als het besluit maar aan de overtreder bekend is gemaakt.
3.3
Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. De minister heeft aan de (spoed)bestuursdwangbesluiten ten grondslag gelegd dat bepalingen uit de Wet dieren en het Bhd zijn overtreden. Voor de vraag wie als overtreder moet worden aangemerkt op grond van de Wet dieren of het Bhd, is van belang wie de houder is van de dieren. Op grond van artikel 1 van de Wet dieren, wordt onder houder verstaan: eigenaar, houder of hoeder. Uit de uitspraak van het College van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261, onder 4.4) volgt dat voor de vraag wie als houder van een dier kan worden aangemerkt niet doorslaggevend is wie de eigenaar van het dier is, maar wie het dier in feitelijke zin onder zich heeft.
3.4
Appellant heeft op de zitting onweersproken gesteld dat hij de dieren al hield vóór oprichting van de Stichting. Hij heeft de Stichting opgericht om het opvangen van exotische dieren te professionaliseren. Ten tijde van de (spoed)bestuursdwangbesluiten beschikte de Stichting echter nog niet over financiële middelen, een locatie om de dieren te houden en een daartoe benodigde vergunning van de gemeente, en beschikte appellant nog niet over diploma’s voor het bedrijfsmatig houden van exotische dieren. Appellant had de loods aan de Rijksstraatweg daarnaast zelf gehuurd, en niet voor of namens de Stichting. Het College acht het gelet op deze omstandigheden aannemelijk dat de Stichting wel al was opgericht, maar nog geen activiteiten verrichtte. De Stichting was daarom niet de houder van de dieren en kan niet als overtreder worden aangemerkt. Dat de Stichting als statutair doel het opvangen en verzorgen van exotische dieren heeft, is niet voldoende om de Stichting als overtreder te kunnen beschouwen. Dat er statuten zijn opgesteld, betekent nog niet dat feitelijke werkzaamheden worden verricht. Alleen appellant was dus de houder van de dieren.
3.5
Het College stelt vast dat de (spoed)bestuursdwangbesluiten geen overwegingen bevatten waarin uiteen wordt gezet wie de minister als overtreder beschouwt. In het briefhoofd van de (spoed)bestuursdwangbesluiten staat “Aan Stichting [naam 1] ” met daaronder vermeld “t.a.v. [appellant]” en daar weer onder het woonadres van de moeder van appellant. Ook staat bovenaan de besluiten “per e-mail vooruit:” waarna het e-mailadres van appellant is vermeld. Het College oordeelt dat gelet op de aanhef “Aan de Stichting [naam 1] ” de (spoed)bestuursdwangbesluiten niet anders kunnen worden begrepen dan dat zij zijn gericht aan de Stichting. Appellant is aangeschreven als bestuurder van de Stichting, maar niet (ook) als privépersoon. De (spoed)bestuursdwangbesluiten moeten naar het oordeel van het College zo worden begrepen dat de minister alleen de Stichting als overtreder heeft aangemerkt en niet ook appellant.
3.6
Dat de (spoed)bestuursdwangbesluiten zijn geadresseerd aan de Stichting, die geen overtreder is, tast de rechtmatigheid van die besluiten en van het bestreden besluit echter niet aan. Voor een besluit tot oplegging van bestuursdwang - waar in dit geval sprake van is - is namelijk niet van belang of degene aan wie de last onder bestuursdwang wordt opgelegd (de geadresseerde) ook overtreder is (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2603, onder 6.1, en van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:609, onder 7.1). Anders dan bij een dwangsomaanschrijving, gaat het bij een bestuursdwangaanschrijving om een geboden gelegenheid om - ter voorkoming van het optreden door het bestuursorgaan zelf - maatregelen te treffen om de illegale situatie te beëindigen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3062). Gelet hierop is in artikel 5:24, derde lid, van de Awb bepaald dat de last onder bestuursdwang moet worden bekendgemaakt aan de overtreder en aan de rechthebbende op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft. Voor de vraag of het bestuursorgaan bevoegd is om gebruik te maken van de bestuursdwangbevoegdheid is het in beginsel niet van belang of de geadresseerde ook de overtreder is. Gelet hierop stelt de minister terecht dat het gegeven dat de geadresseerde van de besluiten, in dit geval de Stichting, niet de overtreder is, niet afdoet aan de bevoegdheid om (spoed)bestuursdwang toe te passen. Daarbij komt dat niet in geschil is dat appellant de besluiten op het woonadres van zijn moeder dan wel per e-mail heeft ontvangen. Daarmee heeft appellant kennis kunnen nemen van de besluiten en is hem de gelegenheid geboden om maatregelen te treffen. Van deze gelegenheid heeft appellant ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Het betoog slaagt niet.
Wettelijke grondslag Bhd
4.1
De Stichting en appellant betogen dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de artikelen 1.6, 1.7 en 1.8 van het Bhd zodat deze bepalingen niet als wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. De minister was daarom niet bevoegd om handhavend op te treden tegen overtreding van deze bepalingen.
4.2
Op grond van artikel 5:4, tweede lid, van de Awb wordt een bestuurlijke sanctie slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. In artikel 2.2, negende lid, van de Wet dieren staat dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het houden van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën. In het tiende lid staat dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor het onderwerp, bedoeld in het negende lid, voor dieren of voor dieren behorende tot bepaalde diersoorten of diercategorieën, regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op onder meer de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden en de wijze waarop dieren worden gehouden. Artikel 2.2, negende en tiende lid, van de Wet dieren vormt daarmee de wettelijke grondslag voor de artikelen 1.6, 1.7 en 1.8 van het Bhd. Dit betoog slaagt niet.
Fysiologische en ethologische behoeften
5.1
De Stichting en appellant betogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd wat de fysiologische en ethologische behoeften van de dieren zijn. De minister heeft ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de Huis- en hobbydierenlijst.
5.2
Op grond van artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd wordt een dier voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Op grond van artikel 1.8, eerste lid, van het Bhd wordt een ruimte waarin een dier wordt gehouden, voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.
5.3
In geval van een handhavingsbesluit, als hier aan de orde, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om te bewijzen dat sprake is van een overtreding van het voorschrift, waartoe het besluit is genomen. Uit de Nota van Toelichting bij het Bhd volgt dat de artikelen 1.6 en 1.8 van het Bhd zijn geformuleerd in de vorm van algemene verplichtingen voor de houders van dieren. De minister zal daarom met bewijs moeten onderbouwen dat onvoldoende ruimte werd gelaten voor de ethologische en fysiologische behoeften van de dieren en dat de ruimten waarin de dieren verbleven onvoldoende werden verlicht en verduisterd om aan die behoeften te voldoen. Dit bewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd in de vorm van algemeen aanvaarde resultaten van (empirisch) wetenschappelijk onderzoek of door middel van door brancheorganisaties of andere organisaties van houders opgestelde gidsen voor goede praktijken. Het College verwijst hierbij naar zijn uitspraken van 18 februari 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:29, onder 5.8) en 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690, onder 5.7.5).
5.4
Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft de minister voor de onderbouwing van de fysiologische en ethologische behoeften gebruik gemaakt van het document Beoordeling van de zoogdiersoorten op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de dieren op de toen geldende Huis- en hobbydierenlijst. Uit de (bron)verwijzing in het rapport van bevindingen blijkt dat per diersoort ook nog andere bronnen zijn gebruikt. Daarnaast heeft de minister, met name waar het gaat om vogels, in het bestreden besluit verwezen naar informatie van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren. Verder heeft de minister op nog vier aanvullende publicaties gewezen ter onderbouwing van de behoeften van de dieren. Anders dan de Stichting en appellant betogen is niet slechts gebruik gemaakt van de Huis- en hobbydierenlijst. De Stichting en appellant hebben verder niet specifiek gemaakt dat de fysiologische en ethologische behoeften die de minister per diersoort heeft afgeleid uit alle voornoemde documenten niet juist zouden zijn. In dat licht ziet het College geen grond voor het oordeel dat de besluiten op dit punt onvoldoende zijn gemotiveerd. Het betoog slaagt niet.
Overtreding ten aanzien van de serval
6.1
De Stichting en appellant betogen dat de minister niet heeft aangetoond dat sprake was van een overtreding ten aanzien van de serval. De minister heeft zich gebaseerd op de aanname dat de serval permanent in een kleine bench werd gehouden, maar de serval had de gehele woning ter beschikking. Er werd dus in de fysiologische en ethologische behoeften van de serval voorzien.
6.2
Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de serval tijdens de inspectie op 1 december 2022 is aangetroffen in een kattenbench van geschat 100x80x80 cm in de woning van de moeder van appellant. Appellant had bij de toezichthouders aangegeven dat hij de serval kon onderbrengen in de woning van zijn vriendin, waar de serval vrij zou kunnen rondlopen. In bestuursdwangbesluit II staat dat op 7 december 2022 bleek dat de serval nog steeds in de woning van de moeder van appellant verbleef, in een iets grotere bench. In dat besluit staat verder dat sprake is van een overtreding van artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd, omdat de serval niet over voldoende ruimte beschikte voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Om in die behoeften te voorzien wordt geadviseerd de serval te houden in een goed afgesloten buitenverblijf van 50 m², dat minimaal 2,5 m hoog is. Ook is een verwarmd binnenverblijf van 20 m² nodig en moet de serval dagelijks langdurig kunnen foerageren. Er moeten ook een afgezonderde nestplaats, klimmogelijkheden en takken om op te liggen en aan te krabben, verrijking in het hok en een waterbassin aanwezig zijn. Het College oordeelt dat ook als de serval beschikking had tot de gehele woning van de moeder dan wel de vriendin van appellant, dan nog altijd geen sprake was van een verblijf waarbij de serval voldoende ruimte werd gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften, omdat een buitenverblijf, afgezonderde nestplaats, foerageer- en klimmogelijkheden en waterbassin ontbraken. Anders dan de Stichting en appellant op zitting hebben betoogd, gaat het niet alleen om het aantal vierkante meters (binnen)verblijf waarover de serval kan beschikken. De minister heeft terecht het standpunt ingenomen dat ten aanzien van de serval artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd werd overtreden. Het betoog slaagt niet.
6.3
Ten aanzien van de andere dieren hebben de Stichting en appellant niet weersproken dat niet in de fysiologische en ethologische behoeften van die diersoorten werd voorzien waardoor sprake was van overtredingen van het Bhd.
De herstelmaatregelen
7.1
De Stichting en appellant betogen dat de herstelmaatregelen in de bestuursdwangbesluiten verder gaan dan noodzakelijk. De minister had rekening moeten houden met de herkomst en individuele karakters van de dieren. Dit volgt uit artikel 4 van de Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (richtlijn) waar de artikelen 1.6 en 1.8 - volgens de Nota van Toelichting bij het Bhd - een uitwerking van zijn. Alle dieren waren gevangenschap gewend en werden eerder op kleinere oppervlakten gehouden. De minister interpreteert de artikelen 1.6 en 1.8 van het Bhd daarnaast te ruim. Deze artikelen zijn een implementatie van artikel 4, eerste, tweede en derde lid, onder a, van de Europese overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren. Hierin staat alleen dat de houder ‘rekening moet houden’ met de ethologische behoeften van de dieren, wat erop neerkomt dat de dieren voldoende lichaamsbeweging moeten kunnen hebben.
7.2
In de bestuursdwangbesluiten zijn herstelmaatregelen opgenomen. De herstelmaatregelen schrijven per diersoort voor aan welke eisen het dierenverblijf moet voldoen. Er worden daarbij minimale afmetingen voor binnen- en/of buitenverblijven voorgeschreven, en waar van toepassing wordt per diersoort voorgeschreven of mogelijkheden tot klimmen, graven en fourageren moeten worden geboden en of afgezonderde nestplaatsen, waterbassins en verrijking aanwezig moeten zijn. Verder worden voor sommige dieren eisen gesteld aan de temperatuur en de mate van UV-B-verlichting.
7.3
In artikel 4 van de richtlijn staat dat de lidstaten erop toezien dat dieren (niet zijnde vissen, reptielen of amfibieën) worden gefokt en gehouden onder voorwaarden die stroken met de bepalingen in de bijlage, met inachtneming van de soort en de graad van ontwikkeling, aanpassing en domesticering, alsmede de uit ervaring of wetenschappelijk onderzoek gebleken fysiologische en ethologische behoeften. Uit die bepaling kan naar het oordeel van het College worden afgeleid dat de aanpassing en domesticatie van de soort in acht moeten worden genomen, maar niet dat rekening hoeft of moet worden gehouden met de mate van gewenning aan gevangenschap van individuele dieren. Overigens hebben de Stichting en appellant geenszins aannemelijk gemaakt dat de ethologische en fysiologische behoeften van de individuele dieren zouden zijn veranderd omdat zij in gevangenschap zijn geboren of gevangenschap gewend zijn. Daar komt bij dat, zoals de minister op zitting terecht heeft opgemerkt, het rekening moeten houden met de individuele behoeften van dieren de handhaving van het Bhd onwerkbaar zou maken.
7.4
Het College ziet in de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren uit 1987 geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in dit geval een te ruime uitleg heeft gegeven aan de artikelen 1.6 en 1.8 van het Bhd. Los van de vraag in hoeverre die overeenkomst van betekenis is bij de uitleg van bepalingen uit het Bhd, is in artikel 4 van die overeenkomst niet alleen bepaald dat dieren voldoende mogelijkheden voor lichaamsbeweging moet worden geboden, maar is ook bepaald dat eenieder die een klein huisdier houdt of ervoor zorgt, het een onderkomen, zorg en aandacht dient te geven op een wijze die rekening houdt met de ethologische behoeften van het dier in overeenstemming met zijn soort en ras. De Europese Overeenkomst schrijft dus meer voor dan alleen het bieden van ruimte voor voldoende lichaamsbeweging.
7.5
De Stichting en appellant hebben hun betoog dat de herstelmaatregelen verder gaan dan noodzakelijk verder niet specifiek gemaakt. Het College ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de herstelmaatregelen in het licht van de door de minister onderbouwde ethologische en fysiologische behoeften per diersoort, niet mochten worden opgelegd. Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid
8.1
De Stichting en appellant betogen dat handhavend optreden onevenredig is. Ook staat artikel 5:5 van de Awb in de weg aan het opleggen van een bestuurlijke sanctie, omdat sprake was van overmacht en appellant niets kan worden verweten. De verhuurder van de loods had namelijk eenzijdig de huurovereenkomst opgezegd en dreigde de stroom af te sluiten.
8.2
Naar het oordeel van het College zijn de nadelige gevolgen van de handhavingsbesluiten in dit geval niet onevenredig aan de met die besluiten te dienen doelen, te weten het welzijn van de dieren die door appellant werden gehouden. Er was naar het oordeel van het College geen sprake van overmacht waardoor de minister niet handhavend had mogen optreden. Ter zitting heeft appellant uiteengezet hoe het conflict met de verhuurder van de loods aan de Rijksstraatweg is ontstaan. Appellant was in gesprek met de gemeente over een vergunning voor een nieuwe opvanglocatie. Ook waren er gesprekken geweest met de verhuurder over aankoop van de loods door appellant. De verhuurder had mondeling toegezegd dat appellant de loods na afloop van het huurcontract nog mocht blijven gebruiken, maar kwam plotseling terug op die toezegging, aldus de Stichting en appellant. Het College overweegt dat, daargelaten of het relaas van appellant juist is – wat het College niet heeft kunnen vaststellen – in deze omstandigheden onvoldoende grond is gelegen om van overmacht te spreken. Appellant heeft namelijk niet weersproken dat schriftelijk een huurperiode tot 1 december 2022 was overeengekomen. Ook heeft appellant verklaard dat hij een huurachterstand had. Met het oog op de zorg voor de dieren had appellant er in deze omstandigheden rekening mee moeten houden dat hij per 1 december 2022 moest kunnen beschikken over een ander passend onderkomen voor de dieren. Niet kan worden gezegd dat de ontstane situatie niet in enige mate te wijten is aan het handelen van appellant. Het College ziet gezien het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het handhavend optreden door de minister onevenredig was. Het betoog slaagt niet.
Begunstigingstermijnen
9.1
De Stichting en appellant betogen dat in de bestuursdwangbesluiten te korte begunstigingstermijnen zijn opgenomen. Het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijnen is ten onrechte afgewezen. Volgens de Stichting en appellant waren de begunstigingstermijnen te kort om nieuwe dierenverblijven te bouwen en in te richten, mede omdat de dierenverblijven aan heel specifieke eisen moesten voldoen.
9.2
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de begunstigingstermijnen niet dermate kort waren dat het onmogelijk was om aan de lasten te voldoen. Gelet op het dierenwelzijnsbelang is geen langere termijn gegund en is ook het verzoek om verlenging niet toegewezen.
9.3
Artikel 5:24, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de last onder bestuursdwang de termijn vermeldt waarbinnen de last moet worden uitgevoerd (de begunstigingstermijn). Aan verweerder komt bij het bepalen van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Echter, bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze niet korter mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtredingen te kunnen opheffen (zie als voorbeeld de uitspraken van het College van 28 mei 2019, ECLI:NL:CBB:2019:219, onder 8, en 25 augustus 2020, ECLI:NL:CBB:2020:581, onder 5.2).
9.3
De begunstigingstermijn om aan de last voor de serval te voldoen was vijf dagen en de termijn voor de overige dieren was tien dagen. De begunstigingstermijnen liepen gelijktijdig af op 12 december 2022. Appellant heeft nadat de lasten waren opgelegd een oproep gedaan via de lokale media om zo een vervangende opvanglocatie te vinden. Naar aanleiding van de oproep heeft appellant tijdelijk een loods kunnen huren in [plaats] . Appellant is toen begonnen met het bouwen van dierenverblijven in de loods. Op 8 december 2022 heeft de gemachtigde van de Stichting en appellant de minister verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn. In het verzoek wordt toegelicht dat de dierenverblijven in aanbouw zijn, maar dat het vermoedelijk niet zal lukken binnen de termijn alle verblijven af te bouwen en in te richten. De minister heeft dit verzoek afgewezen. Uit het afwijzingsbesluit blijkt – en dit heeft de minister ook ter zitting toegelicht – dat geen vertrouwen bestond dat appellant, ook bij een verlenging van de termijn, aan de lasten zou kunnen voldoen.
9.4
Het College oordeelt dat de begunstigingstermijnen van vijf en tien dagen in de gegeven omstandigheden te kort waren om aan de lasten te voldoen. Het betrof immers een behoorlijk aantal dieren waarbij bovendien ieder dierenverblijf vanwege de fysiologische en ethologische behoeften van de diersoorten aan specifieke eisen moest voldoen. De minister heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat appellant er ook voor had kunnen kiezen om de dieren, al dan niet tijdelijk, bij opslaghouders in Nederland of het buitenland onder te brengen om zo aan de lasten te voldoen. Het College oordeelt dat de begunstigingstermijnen in de gegeven omstandigheden echter ook te kort waren om op die manier aan de lasten te voldoen. Daarbij betrekt het College dat de Stichting en appellant onweersproken hebben gesteld dat er, ook in 2022 al, in Nederland maar een beperkt aantal opvanglocaties is voor exotische dieren, mede vanwege de specifieke eisen aan de huisvesting, en dat er geen garantie bestond dat er plek zou kunnen worden gevonden voor de dieren. De afweging van appellant om energie te steken in het zelf realiseren van de dierenverblijven, waarmee hij bij het verstrijken van de begunstigingstermijn al aanmerkelijk was gevorderd, in plaats van te zoeken naar opvangplaatsen ergens anders, vindt het College in dat licht dan ook niet onbegrijpelijk. Dat appellant geschikte opvanglocaties in het buitenland had kunnen vinden en daarnaast het transport van de dieren naar die locaties binnen de begunstigingstermijnen hadden kunnen organiseren, heeft de minister niet onderbouwd. Het College is er ook niet zonder meer van overtuigd dat het dierenwelzijnsbelang meer was gediend met het meevoeren van de dieren na afloop van de termijnen, dan met een verlenging om appellant gelegenheid te bieden de dierenverblijven af te bouwen en in te richten en de dieren daarnaartoe over te brengen. De Stichting en appellant hebben er immers op gewezen – en dit is door de minister niet weersproken – dat in ieder geval de serval na de inbewaringneming tijdelijk is ondergebracht op een opvanglocatie waar het dierenverblijf niet voldeed aan de door de minister gestelde eisen. Waarom de minister er geen vertrouwen in had dat appellant ook na een verlenging van de termijn niet aan de lasten zou kunnen voldoen, is naar het oordeel van het College onvoldoende onderbouwd. Het betoog slaagt.
Tussenconclusie
10 Gelet op wat is overwogen in 9.4 is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de bestuursdwangbesluiten I (overige dieren) en II (serval) en op het afwijzingsbesluit, komt voor vernietiging in aanmerking. Het bestreden besluit kan in stand blijven voor zover dat ziet op het spoedbestuursdwangbesluit over de brilkaaimannen.
Het beroep tegen de kostenbesluiten
11.1
Hangende de procedure is de minister gefaseerd overgegaan tot het verhaal van de kosten van de bestuursdwang en heeft hij drie kostenbesluiten genomen. Kostenbesluit I ziet op de kosten die zijn gemaakt voor de brilkaaimannen, kostenbesluit II op de kosten die zijn gemaakt voor de serval en kostenbesluit III op de kosten die zijn gemaakt voor de overige dieren. Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op de kostenbesluiten nu de Stichting en appellant deze betwisten.
11.2
Het College oordeelt dat de kosten in verband met de bestuursdwangbesluiten I (overige dieren) en II (serval) al niet kunnen worden verhaald, omdat die besluiten worden vernietigd. Dat betekent dat reeds daarom ook de kostenbesluiten II (serval) en III (overige dieren) voor vernietiging in aanmerking komen. Het betoog slaagt.
11.3
De Stichting en appellant betogen dat kostenbesluit I (brilkaaimannen) ten onrechte is gericht aan de Stichting. Omdat de Stichting geen overtreder is, kunnen de kosten niet op haar worden verhaald. Ook kunnen de kosten in het geheel niet worden verhaald omdat in strijd met artikel 5:25, tweede lid, van de Awb het kostenverhaal niet is aangezegd in het spoedbestuursdwangbesluit. Tot slot voeren de Stichting en appellant aan dat sommige kosten niet noodzakelijk of redelijk zijn en daarom niet kunnen worden verhaald.
11.4
In artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Het College stelt vast dat het kostenbesluit I (brilkaaimannen) op dezelfde wijze is geadresseerd als het spoedbestuursdwangbesluit, te weten “Aan Stichting [naam 1] , t.a.v. [appellant]”. Het College oordeelt dat gelet op deze adressering het kostenbesluit I niet anders kan worden begrepen dan dat het is gericht aan de Stichting. Het is niet gericht aan appellant terwijl hij de (enige) overtreder is. De minister heeft de kosten ten onrechte verhaald op de Stichting terwijl de Stichting geen overtreder is. Dat is in strijd met artikel 5:25, eerste lid, van de Awb. Het betoog slaagt.
11.5
De overige gronden van de Stichting en appellant tegen de kostenbesluiten hoeven niet meer te worden besproken.
11.6
Gelet op het voorgaande is het beroep voor zover gericht tegen de kostenbesluiten gegrond. Dat betekent dat de minister de kosten van de bestuursdwang ten aanzien van de serval en de overige dieren en de kosten van de spoedbestuursdwang ten aanzien van de brilkaaimannen niet op de Stichting en appellant kan verhalen. Het College zal alle drie de kostenbesluiten vernietigen.
Slotsom
12.1
Het College komt tot de slotsom dat het beroep vanwege het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.
12.2
Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij de bestuursdwangbesluiten I en II en het afwijzingsbesluit zijn gehandhaafd. Het College zal op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door deze besluiten te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van deze besluiten.
12.3
Het beroep voor zover gericht tegen de kostenbesluiten is ook gegrond en deze besluiten dienen te worden vernietigd.
12.4
Het College veroordeelt de minister daarnaast in de door de Stichting en appellant in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1) en in de door de Stichting en appellant in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.332,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting; waarde per punt € 666,- en wegingsfactor 1).
12.5
De minister dient ook het griffierecht aan de Stichting en appellant te vergoeden.
Overschrijding van de redelijke termijn
13.1
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
13.2
De termijn is begonnen op de datum waarop de minister het bezwaarschrift heeft ontvangen, in dit geval 12 december 2022. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer een jaar en zes maanden en de Stichting en appellant samen recht hebben op een schadevergoeding van € 1.500,-. De beslissing op bezwaar is van 7 juli 2023. De minister heeft de termijn van zes maanden dus iets overschreden. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn hoofdzakelijk is toe te rekenen aan de rechterlijke fase, zal het College vanuit praktisch oogpunt de Staat veroordelen tot betaling van de volledige schadevergoeding. De Staat moet ook de proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding aan de Stichting en appellant betalen. Deze begroot het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 467 ,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
Het College:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit en de kostenbesluiten gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bestuursdwangbesluiten I en II en het afwijzingsbesluit zijn gehandhaafd;
herroept de bestuursdwangbesluiten I en II en het afwijzingsbesluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
vernietigt de kostenbesluiten;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan de Stichting en appellant van € 1.500,-;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de Stichting en appellant te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten in bezwaar en beroep van de Stichting en appellant van in totaal € 3.200,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van de Stichting en appellant van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.O. Kerkmeester en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.A. Blankenstein | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|