|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:289 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-06-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 26/153 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Afwijzing herzieningsverzoek. | | Trefwoorden | : | landbouw | | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 26/153
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 op het verzoek van
[naam 1] , te [woonplaats] (verzoekster),
om herziening van de uitspraak van het College 20 januari 2026, zaaknummer 24/86.
Procesverloop
Met de uitspraak van 20 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:18) heeft het College het beroep van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 december 2023 ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de bestreden uitspraak.
De staatssecretaris heeft een reactie en een nadere reactie ingediend.
De zitting was op 19 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van de staatssecretaris, mr. P.M.M. van Bennekom. Ook hebben deelgenomen namens de staatssecretaris: de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] , beiden dierenartsen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op Schiphol.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
De uitspraak van 20 januari 2026
2.1
Met zijn uitspraak van 20 januari 2026 heeft het College geoordeeld dat de staatssecretaris de kat en de twee honden van verzoekster op 9 augustus 2023 op Schiphol in beslag mocht nemen en dat de daarmee gemoeide kosten ter hoogte van € 967,33 op verzoekster verhaald mochten worden, omdat de dieren niet beschikten over een naar behoren ingevuld identificatiedocument waardoor niet was voldaan aan de eisen met betrekking tot de rabiësvaccinatie en de titreringstest op rabiësantilichamen.
2.2
Daartoe heeft het College overwogen dat uit Verordening (EU) nr. 576/2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (Verordening 576/2013) volgt dat de vaccinatiegeschiedenis in het diergezondheidscertificaat had moeten worden opgenomen (‘het meecertificeren van de vaccinatiegeschiedenis’). Dit was niet gebeurd. De staatssecretaris was daarmee in beginsel bevoegd om de dieren op grond van Verordening 576/2013 in quarantaine te plaatsen. Het College heeft ook geoordeeld dat de inbeslagname niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. In dat kader had verzoekster onder meer gesteld dat de NVWA de regels met betrekking tot rabiës te streng toepaste, en dat het in quarantaine plaatsen van haar dieren niet noodzakelijk was, omdat zij met andere documentatie kon aantonen dat haar dieren aan de regels voldeden.
Verzoek
3.1
Verzoekster heeft na de uitspraak informatie ontvangen van de NVWA naar aanleiding van een door haar ingediend verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Deze informatie bestaat uit overzichten van aantallen en redenen voor weigering van honden en katten op basis van Verordening 576/2013 op Schiphol over de jaren 2020-2024. Uit de overzichten blijkt hoeveel dieren, die niet voldeden aan de eisen uit Verordening 576/2013, zijn teruggestuurd naar het land van herkomst, in quarantaine zijn geplaatst of doorgelaten. Verzoekster heeft deze informatie meermaals opgevraagd, maar uiteindelijk pas in 2026 ontvangen.
3.2
Met deze nieuwe cijfers wil verzoekster haar in beroep ingenomen standpunt onderbouwen dat de NVWA te streng handhaaft, dan wel strenger is gaan handhaven en dat het in quarantaine plaatsen van haar dieren niet noodzakelijk was, omdat zij documentatie had waaruit de hele vaccinatiegeschiedenis van haar dieren bleek. Uit de door verzoekster ontvangen gegevens blijkt volgens verzoekster immers dat er in 2023 (het jaar waarin haar kat en twee honden op Schiphol in beslag waren genomen) in 85 gevallen dieren zijn aangehouden op Schiphol, omdat de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd. Van die 85 gevallen zouden alleen de dieren van verzoekster in quarantaine zijn geplaatst. In 2022 was het totaal aantal gevallen 35 waarin de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd. In dat jaar zijn in vier gevallen de dieren toen in quarantaine geplaatst, maar volgens verzoekster waren er in die gevallen ook andere omissies zoals een verkeerd paspoort of een pas na vaccinatie geplaatste chip.
3.3
Volgens de staatssecretaris moet het verzoek worden afgewezen omdat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling door het College
4.1
Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening strekt er in beginsel toe een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure hadden kunnen worden ingebracht, alsnog in te brengen en op die manier het debat te heropenen.
4.2
Het College is van oordeel dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb en overweegt daartoe als volgt.
4.3
Duidelijk is dat verzoekster het niet eens is met de manier waarop de douane en de NVWA op Schiphol de Europese rabiësregelgeving handhaven. Volgens verzoekster wordt de dieren nodeloos leed aangedaan terwijl het niet meecertificeren van de vaccinatiegeschiedenis geen risico voor de volksgezondheid met zich meebrengt. Verzoekster was het daarom niet eens met de quarantainemaatregel die haar dieren is opgelegd. In de uitspraak waar het herzieningsverzoek op ziet, heeft het College – kort gezegd – geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was om de quarantainemaatregel op te leggen en dat de staatssecretaris hier niet van af had hoeven zien. De reden hiervoor was niet gelegen in de manier van handhaven van de staatssecretaris (NVWA) (waar de door verzoekster overgelegde informatie over gaat), maar in Verordening 576/2013. Die schrijft namelijk voor dat de vaccinatiegeschiedenis meegecertificeerd moet zijn, en als dat niet zo is (wat niet tussen partijen in geschil was), welke maatregelen er moeten worden genomen om het betreffende dier de toegang tot de Europese Unie te weigeren. Het opleggen van quarantaine is één van de op te leggen maatregelen, naast het terugsturen van het dier naar het land van herkomst of het euthanaseren van het dier. Kortom, het gevaar van rabiës, de handhaving van de rabiësregelgeving op Schiphol en de consequenties ervan voor de dieren zijn punten geweest die aan de orde zijn gekomen in de beroepsprocedure van verzoekster, maar het zijn geen punten geweest die doorslaggevend waren voor de uitkomst van de procedure. De uitkomst volgde uit de toets aan de Europese regelgeving. Hoewel dus wel sprake is van nieuwe feiten (de cijfers gaan over de periode van vóór de uitspraak van het College en ze waren niet bekend bij verzoekster en konden dat naar het oordeel van het College ook redelijkerwijs niet zijn), hadden deze feiten, als zij eerder bekend waren geweest, niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. Er wordt dus niet voldaan aan de eisen van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, waardoor het verzoek moet worden afgewezen. Ten overvloede overweegt het College dat tijdens de zitting is vastgesteld dat niet alleen in het geval van verzoekster de dieren in quarantaine zijn geplaatst. In 2023 is dat ook gebeurd in zeven andere gevallen. Ook heeft de staatssecretaris toegelicht onder welke omstandigheden dieren waarvan de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd, toch zijn doorgelaten. Vaststaat dat verzoeksters dieren niet aan deze voorwaarde voldeden.
Slotsom
5 Het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
6 Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van R. Hosseinollahi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
w.g. C. de Kruif w.g. R. Hosseinollahi | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|