Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:31 
 
Datum uitspraak:03-02-2026
Datum gepubliceerd:03-02-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/536
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Hoger beroep. De minister heeft aan de vennootschap een bestuurlijke boete opgelegd omdat ongeveer 790 varkens niet permanent konden beschikken over geschikt materiaal om te onderzoeken en mee te spelen. In deze zaak gaat het met name om de vragen of er sprake is geweest van een eerlijk proces, of er een grondslag voor beboeting is, en of de boete moet worden gematigd. Het hoger beroep slaagt niet.
Trefwoorden:compost
landbouw
randvoorwaardenkorting
varkens
varkenshouderij
zeugen
Wetreferenties:Wet dieren
Besluit houders van dieren
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/536

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] (vennootschap)(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2024, kenmerk 23/391, in het geding tussen

de vennootschap

en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom)

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting [naam 2] , te [woonplaats 2] (Stichting)
(gemachtigde: mr. H.P. Wellenberg)


Samenvatting

De minister heeft aan de vennootschap een bestuurlijke boete opgelegd omdat ongeveer 790 varkens niet permanent konden beschikken over geschikt materiaal om te onderzoeken en mee te spelen. In deze zaak gaat het met name om de vragen of er sprake is geweest van een eerlijk proces, of er een grondslag voor beboeting is, en of de boete moet worden gematigd. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt.



Procesverloop in hoger beroep

De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:3469) (aangevallen uitspraak).

De minister en de Stichting hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vennootschap heeft nadere stukken ingediend.

De zitting was op 7 november 2025. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer 23/1021. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van de Stichting.

Grondslag van het geschil



1.1
De vennootschap exploiteert een varkenshouderij. Op 20 augustus 2019 heeft de Stichting de minister verzocht om handhavend op te treden tegen de vennootschap omdat uit een fotoreportage in het vakblad ‘Boerderij’ van 6 augustus 2019 was gebleken dat de vennootschap ongeschikt verrijkingsmateriaal aanbiedt aan zeugen. Volgens de Stichting was dat in strijd met artikel 2.22 van het Besluit houders van dieren (Bhd). De minister heeft het verzoek om handhaving met het besluit van 17 oktober 2019 afgewezen. Met het besluit van 11 maart 2020 heeft de minister het bezwaar van de Stichting tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving ongegrond verklaard. In een uitspraak van 5 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:160) heeft het College het beroep van de Stichting tegen het besluit van 11 maart 2020 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.



1.2
Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben op 8 juni 2022 een inspectie uitgevoerd op het bedrijf van de vennootschap. Tijdens deze inspectie hebben zij geconstateerd dat ongeveer 790 varkens niet permanent konden beschikken over geschikt materiaal om te onderzoeken en mee te spelen. Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouders zoals beschreven in het rapport van bevindingen van 28 juni 2022 heeft de minister met het besluit van 2 september 2022 (boetebesluit) een boete van € 1.500,- opgelegd aan de vennootschap omdat varkens niet permanent beschikten over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen. Volgens de minister heeft de vennootschap daarmee een overtreding begaan van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.22, eerste en tweede lid, van het Bhd. De minister heeft het bezwaarschrift dat de vennootschap heeft ingediend tegen het boetebesluit op 17 januari 2023 doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.



1.3
Met een brief van 17 januari 2023 heeft de minister de vennootschap bericht dat het boetebesluit van 2 september 2022 is vervangen door de bij die brief gevoegde beslissing op bezwaar van 17 januari 2023. Met de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van de Stichting tegen het besluit van 17 oktober 2019 beslist, dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2019 herroepen, het handhavingsverzoek toegewezen en het aan de vennootschap bekendgemaakte boetebesluit van 2 september 2022 als bijlage II aan het besluit van 17 januari 2023 toegevoegd. Daarbij heeft de minister vermeld dat dit boetebesluit onlosmakelijk is verbonden met de toewijzing van het handhavingsverzoek en daarom een onderdeel is van het besluit van 17 januari 2023.



1.4
De minister heeft wegens de onder 1.2 genoemde overtreding tevens een randvoorwaardenkorting van 3% aan de vennootschap opgelegd. Deze korting is onderwerp van geschil in zaak 23/1021, waarin het College ook vandaag uitspraak doet (ECLI:NL:CBB:2026:30).




Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen.


2.1
De minister heeft het bezwaarschrift tegen het boetebesluit van 2 september 2022 terecht doorgezonden naar de rechtbank ter beoordeling als beroepschrift. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met zich brengt dat het bestuursorgaan dat op grond van de heroverweging alsnog tot het oordeel komt dat moet worden gehandhaafd, bij de beslissing op bezwaar een handhavingsbesluit voor de aanvankelijke afwijzing van het handhavingsverzoek in de plaats moet stellen. Alhoewel de terminologie van het vervangen van het boetebesluit door een ander besluit ongelukkig is en verwarring oproept, is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat de minister heeft bedoeld om aan te duiden dat sprake is van een onverbrekelijke samenhang tussen het boetebesluit en het besluit tot gegrondverklaring van de bezwaren van de Stichting. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat beide besluiten tezamen het in heroverweging genomen besluit op bezwaar vormen dat de rechtbank in beroep beoordeelt.



2.2
De vennootschap heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar verdediging is geschaad. Anders dan de vennootschap stelt, heeft zij niet twee dagen, maar twee weken gekregen om een zienswijze in te dienen tegen het voornemen om een boete op te leggen en heeft de minister haar meer dan een week na de termijn ingediende zienswijze toch in de besluitvorming betrokken. Dat de vennootschap niet in de handhavingsprocedure van de Stichting was betrokken, staat los van de procedure tegen de bestuurlijke boete.



2.3
Om aan de norm van artikel 2.22, eerste lid, van het Bhd te kunnen voldoen, moeten varkens permanent kunnen beschikken over materiaal dat eet- en wroetbaar is. In het rapport van bevindingen staat dat de toezichthouders zagen dat in de kraamstallen niet voldoende materiaal aanwezig was om te onderzoeken en mee te spelen. De rechtbank stelt vast dat (een deel van) de zeugen in de kraamstallen uitsluitend beschikten over een kunststof pijpje, welk materiaal niet wordt genoemd in de reeks van materialen die zijn opgesomd in artikel 2.22, eerste lid, van het Bhd en ook niet is aan te merken als ander geschikt materiaal als bedoeld in die bepaling, omdat het niet eet- en wroetbaar is. De minister heeft op basis van het rapport van bevindingen terecht vastgesteld dat de vennootschap een overtreding heeft begaan. De minister was bevoegd om de vennootschap daarvoor een boete op te leggen. De boetehoogte, voor de bepaling waarvan de minister is uitgegaan van het Specifiek interventiebeleid dierenwelzijn, is in dit geval evenredig.




Beoordeling van het geschil in hoger beroep


Wettelijk kader


3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.


Oordeel van het College



Verwijzing naar gronden bezwaar en beroep


4 De vennootschap stelt in hoger beroep dat zij de inhoud van alle processtukken en correspondentie handhaaft. Voor zover zij hiermee heeft verwezen naar de gronden die zij in haar zienswijze, in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd, stelt het College vast dat zij daarbij – behalve wat betreft de hierna te bespreken hogerberoepsgronden – niet (gemotiveerd) heeft te kennen gegeven waarom de aangevallen uitspraak op de desbetreffende punten volgens haar niet juist is. Het College zal daarom deze algemene verwijzing naar eerder aangevoerde gronden buiten beschouwing laten.


Bevoegdheid rechtbank


5 De vennootschap stelt dat de rechtbank Rotterdam niet bevoegd was en dat de rechtbank de zaak had moeten doorsturen naar het College. Het College is met de rechtbank van oordeel dat de minister het bezwaar van de vennootschap terecht heeft doorgezonden naar de rechtbank Rotterdam en dat de rechtbank dit bezwaar terecht heeft aangemerkt als beroep. Aangezien het beroep van de vennootschap was gericht tegen een besluit op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren was in beroep niet het College bevoegd, maar de rechtbank Rotterdam (artikel 7 van Bijlage 2 (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) bij de Awb).


Eerlijk proces


6 De vennootschap is van mening dat zij geen eerlijk proces heeft gehad en heeft in het kader daarvan verschillende gronden naar voren gebracht, die volgens haar moeten leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en van de bestreden besluitvorming. Het College zal hieronder op deze gronden ingaan.

Mogelijkheid tot verdediging


6.1
De vennootschap stelt dat zij is beknot in haar mogelijkheden om verweer te voeren. Zo is zij weggehouden van de procedure die is ingeleid met de afwijzing van het handhavingsverzoek van 17 oktober 2019. Verder is er nooit besloten op haar bezwaar tegen het boetebesluit. Ook is zij niet gehoord op een hoorzitting bij de totstandkoming van de besluitvorming. Pas in beroep heeft zij voor het eerst goed verweer kunnen voeren. De vennootschap vraagt zich ook af hoe het bestreden besluit, dat is gericht aan de Stichting, het boetebesluit, dat aan haar is gericht, kan vervangen.


6.1.1
Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder 6.1 terecht heeft overwogen, volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2147 onder 4.2 en van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1739 onder 7.4) dat artikel 7:11 van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan dat op grond van de heroverweging alsnog tot het oordeel komt dat moet worden gehandhaafd, bij de beslissing op bezwaar een handhavingsbesluit voor de aanvankelijke afwijzing van het handhavingsverzoek in de plaats moet stellen. Naar het oordeel van het College heeft de minister de boete daarom – anders dan de vennootschap meent – terecht opgelegd met de beslissing op bezwaar.



6.1.2
Het College is met de rechtbank (aangevallen uitspraak onder 7.1) van oordeel dat niet is gebleken dat de vennootschap in haar verdediging is geschaad. Het College stelt vast dat de vennootschap haar standpunt over het aan haar opleggen van een boete met een zienswijze naar voren heeft gebracht en dat zij ook nadien – in beroep en hoger beroep – voldoende in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de boete naar voren te brengen en op alle door de minister overgelegde stukken te reageren. Dat de vennootschap pas vanaf de beroepsfase beschikte over het handhavingsdossier en niet eerder in de handhavingsprocedure heeft gereageerd, maakt niet dat zij zich niet effectief tegen de boete heeft kunnen verdedigen.



6.1.3
Naar aanleiding van de stelling van de vennootschap dat als zij kennis had kunnen nemen van het handhavingsverzoek uit 2019 en de nadien gevolgde procedure, zij op haar hoede zou zijn geweest en ervoor zou hebben gezorgd dat er nooit meer een debat had kunnen ontstaan over het antwoord op de vraag of zij voldeed aan de ‘vereisten’, overweegt het College dat de vennootschap altijd moet zorgen dat haar varkens beschikken over voldoende, geschikte hokverrijking en niet alleen als gevolg van een handhavingsverzoek.

Verplaatsen zitting




6.2
De vennootschap heeft verder naar voren gebracht dat de rechtbank had moeten instemmen met haar verzoek om de zitting te verplaatsen omdat zij verhinderd was op de door de rechtbank geplande datum.


6.2.1
Op grond van artikel 2.13, eerste lid, van het destijds geldende Procesreglement bestuursrecht rechtbanken kan de griffier bij wijze van aankondiging mededelen wanneer de zitting plaatsvindt. Een verzoek om een andere datum kan uitsluitend worden ingewilligd, indien dit verzoek is gemotiveerd, verhinderdata vermeldt binnen een periode van twee weken voor tot zes weken na de geagendeerde zittingsdatum en is ingediend binnen een week na verzending van de aankondiging. Het tweede lid bepaalt dat een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting na een uitnodiging voor de zitting zo mogelijk schriftelijk, onder aanvoering van gewichtige redenen en tijdig, wordt ingediend. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. De partij dient in zijn verzoek om uitstel zo mogelijk zijn verhinderdata op te nemen.



6.2.2
In dit geval heeft de rechtbank op 17 januari 2024 een vooraankondiging van de zittingsdatum 13 maart 2024 naar de vennootschap verzonden. Vervolgens heeft de vennootschap met een e-mail van 8 februari 2024 onder meer het volgende aan de rechtbank gemeld:

“Let wel: over een voorgenomen zittingsdag van 13 maart 2024 is nooit meer wat vernomen. Intussen is een blokkade, voor deze dag, die lange tijd is gereserveerd, aan de orde gekomen”.



6.2.3
Na verzending op 9 februari 2024 van de definitieve uitnodiging voor de zitting heeft de vennootschap met een e-mail van 23 februari 2024 verwezen naar haar e-mail van 8 februari 2024, waarin zij vermeldde dat er intussen een blokkade is voor 13 maart 2024.



6.2.4
Het College stelt vast dat de vennootschap niet tijdig, te weten binnen een week na verzending van de aankondiging, een gemotiveerd verzoek om een andere datum heeft gedaan en evenmin tijdig (zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging) en onder aanvoering van gewichtige redenen een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting heeft gedaan.



6.2.5
Het College is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht niet is overgegaan tot het verplaatsen van de zitting.

Recht op rechtsbijstand en cautie




6.3
De vennootschap stelt ook dat zij niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand en dat er geen cautie is gegeven. De advocaat die in juni 2022 zijn intrede deed, is volgens haar tot januari 2023 weggehouden van de handhavingsprocedure.


6.3.1
Het College stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat de vennootschap op enig moment in de procedure is verhoord of een verklaring met betrekking tot de geconstateerde overtreding heeft afgelegd. Zo blijkt uit het rapport van bevindingen dat de toezichthouders hebben gesproken met de houder/bestuurder van de vennootschap en dat zij na de inspectie het resultaat van hun bevindingen aan hem hebben kunnen meedelen, maar dat deze persoon hierop niet wilde reageren. Ook staat in dit rapport dat de houder/bestuurder aan de toezichthouders liet weten dat zij maar contact moesten opnemen met zijn advocaat als zij vragen hadden. Gelet hierop is het College van oordeel dat de minister geen cautie behoefde te verlenen en de vennootschap niet behoefde te wijzen op het recht zich te laten bijstaan door een raadsman.



6.3.2
Overigens maakt het College uit de verwijzing door de houder/bestuurder naar zijn advocaat op dat de vennootschap op het moment van de controle (8 juni 2022) al beschikte over een advocaat. Bovendien vermeldt ook de gemachtigde van de vennootschap zelf dat hij al sinds juni 2022 was betrokken en uit het dossier blijkt dat hij in het kader van het voornemen tot boeteoplegging op 7 juli 2022 om toezending van stukken en verlenging van de termijn voor het indienen van een (aanvullende) zienswijze heeft verzocht en op 22 juli 2022 een zienswijze heeft ingediend.

Proces-verbaal zitting




6.4
De vennootschap merkt op dat een proces-verbaal van de zitting nimmer is ontvangen. Het College veronderstelt dat de vennootschap hier het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank in zaak 23/391 bedoelt en stelt vast dat het College dit op 27 augustus 2024 aan de vennootschap heeft toegestuurd.

Bijlagen A, B en E



6.5
De vennootschap voert aan dat uit de uitspraak van de rechtbank niet volgt dat de bijlagen A, B en E (de brief van 27 februari 2024) bij de uitspraak zijn betrokken en dat bijlage E ten onrechte geen deel uitmaakt van het dossier van de minister in bezwaar en beroep.


6.5.1
Ook deze hogerberoepsgrond slaagt niet. Het College stelt vast dat niet duidelijk is welke stukken de vennootschap bedoelt met de bijlagen A en B, omdat de overgelegde stukken niet van een aanduiding A of B zijn voorzien. Verder stelt het College vast dat bijlage E (de brief van 27 februari 2024) deel uitmaakt van het in hoger beroep overgelegde dossier in beroep.

Strijd met wet en algemene beginselen van behoorlijk bestuur?




6.6
De vennootschap stelt verder dat de totale procedure flagrant in strijd is
met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.


6.6.1
Ook deze hogerberoepsgrond slaagt niet. De vennootschap heeft haar stelling namelijk niet onderbouwd door te vermelden met welk(e) wet(sartikelen) en/of met welke algemene beginselen van behoorlijk bestuur in strijd zou zijn gehandeld. Ook in hetgeen de vennootschap heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.


Grondslag voor beboeting vervallen?


7 De vennootschap voert aan dat de minister heeft erkend dat artikel 2.22 van het Bhd is vervallen, zodat het artikel niet kan dienen als grondslag voor de boete. Het College overweegt in dit verband het volgende.




7.1
De minister heeft in zijn verweerschrift en in zijn brief van 27 februari 2024 in aanvulling op zijn verweerschrift in de procedure bij de rechtbank erop gewezen dat artikel 2.22 van het Bhd niet is vervallen. Wel is de vermelding van artikel 2.22 van het Bhd in de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren (Regeling handhaving) per 16 november 2023 abusievelijk vervallen. Deze vermelding is met de wijziging van de Regeling handhaving met ingang van 23 februari 2024 (Stcrt. 2024, 5286) weer aan genoemde bijlage toegevoegd. De strafbaarstelling van artikel 2.22 van het Bhd op grond van artikel 2.2, tiende lid, en artikel 8.6 van de Wet dieren is ongewijzigd. De minister is op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren dan ook nog steeds bevoegd om een boete op te leggen voor deze overtreding. Volgens de minister kan de boete daarom in stand blijven.



7.2
Het College is met de minister op de door hem uiteengezette gronden van oordeel dat artikel 2.22 van het Bhd wel kan dienen als grondslag voor de boete. Aanvullend merkt het College op dat de verwijzing naar artikel 2.22 van het Bhd wel in de tabel in de bijlage bij de Regeling handhaving stond toen het boetebesluit en het bestreden besluit werden genomen.


De hoogte van de boete




8.1
De aan de vennootschap opgelegde bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van een opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:735), vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.



8.2
De wetgever heeft al een afweging gemaakt welke boete bij de hier aan de orde zijnde overtreding evenredig moet worden geacht. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder 8.4 terecht heeft overwogen, is in de Bijlage bij de Regeling handhaving, gelezen in samenhang met artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, voor deze overtreding een boetebedrag van € 1.500,- vastgesteld. De minister heeft voorts terecht vastgesteld dat geen grond bestond voor halvering van het boetebedrag op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Het College is met de rechtbank van oordeel dat het met het Bhd gediende doel – het waarborgen van dierenwelzijn – voorop staat, dat het welzijn van een groot aantal varkens is geschaad doordat zij niet permanent over eet- en wroetbaar materiaal konden beschikken, en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het boetebedrag had moeten worden gematigd. Al met al is het College van oordeel dat de opgelegde boete van € 1.500,- passend en geboden is. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor vermindering van de boete met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb.



8.3
De vennootschap heeft verzocht om matiging van de boete in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het EVRM.


8.3.1
In een bestraffende zaak als de onderhavige geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.



8.3.2
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 29 juni 2022. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn nog niet overschreden. Het College ziet in de duur van de procedure in haar geheel dan ook geen aanleiding om tot matiging van de boete over te gaan.


Slotsom


9 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de aangevallen uitspraak bevestigen.


Proceskosten


10 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.





Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.J. Jacobs en
mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.







w.g. H.L. van der Beek w.g. F.J.J. van West de Veer


Bijlage


Wet dieren


Artikel 8.6 Definities

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:

1°. de artikelen 2.2 […] tiende lid;

[…];

overtreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.

2. Indien een overtreding is gepleegd door een rechtspersoon, wordt onder overtreder mede verstaan: degene die tot de overtreding opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Artikel 8.7 Bevoegdheid

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Artikel 8.8 Hoogte bestuurlijke boete

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

[…]


Besluit houders van dieren


Artikel 2.22, eerste lid, luidde tot 7 oktober 2023 als volgt:

Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.


Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren


Artikel 2.2 Boetecategorieën

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
[…]
b. categorie 2: € 1500;
[…]


Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren


Artikel 1.2 Indeling categorieën bestuurlijke boete

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.

Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

[…]

Besluit houders van dieren Categorie

[…]
Artikel 2.22 2
Link naar deze uitspraak