Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:313 
 
Datum uitspraak:07-07-2026
Datum gepubliceerd:07-07-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:23/1965
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Spoedbestuursdwangbesluit staat vast en blijft onbesproken. Kosten toepassen spoedbestuursdwang zijn redelijk en kunnen in rekening worden gebracht bij de overtreder. Geen aanleiding om daarvan af te zien in verband met bijzondere omstandigheden.
Trefwoorden:bestuursdwang
landbouw
Wetreferenties:Wet dieren
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1965

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats]
(gemachtigde: mr. R.A. Bruinsma)

en


de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. J.F. van der Stelt)




Procesverloop


[naam 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 april 2023 (bestreden besluit) waarmee de staatssecretaris het bezwaar van [naam 1] tegen het kostenbesluit gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en de kosten van het toepassen van spoedeisende bestuursdwang heeft vastgesteld op € 19.212,46.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 13 mei 2026. De gemachtigden van partijen hebben aan de zitting deelgenomen.



Inleiding


1.1
Naar aanleiding van een melding hebben districtsinspecteurs van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) in samenwerking met een eenheid van de politie Noord-Nederland op 26 mei 2021 een controle uitgevoerd bij de woning van [naam 1] in [woonplaats] . Volgens de districtsinspecteurs is tijdens de controle gebleken dat de gezondheid en het welzijn van twintig honden is aangetast en dat sprake is van overtredingen van verschillende bepalingen uit de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd). Volgens de verklaring van de dierenarts was sprake van het onthouden van de nodige zorg aan alle twintig honden en was er geen mogelijkheid aanwezig voor herstel van de situatie op locatie, zodat het gerechtvaardigd was de honden zo snel mogelijk (binnen enkele uren) uit de woning te halen.



1.2
De staatssecretaris is overgegaan tot het toepassen van spoedbestuursdwang. Hij heeft daartoe twintig honden van [naam 1] in bewaring genomen en afgevoerd naar een opslaghouder. In het besluit van 31 mei 2021 (spoedbestuursdwangbesluit) heeft de staatssecretaris vermeld dat hij de twintig honden in een geschikte huisvesting bij een opvangadres heeft geplaatst, dat voor deze opvang kosten zijn gemaakt en dat hij die kosten bij [naam 1] in rekening zal brengen. De kosten heeft de staatssecretaris in rekening gebracht met het kostenbesluit waarover deze uitspraak gaat. [naam 1] heeft geen beroep ingesteld tegen het spoedbestuursdwangbesluit, zodat dit besluit in rechte vaststaat.




Beoordeling van het beroep


Spoedbestuursdwangbesluit



2.1
Het spoedbestuursdwangbesluit is onherroepelijk. [naam 1] kan in deze procedure tegen een kostenbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die zij tegen het spoedbestuursdwangbesluit naar voren had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als evident is dat betrokkene geen overtreder is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1042).



2.2
Wat [naam 1] aanvoert over de verkrijging van het bewijs, het nieuwe boetebeleid, de verwevenheid met het kostenbesluit, de inzet van andere handhavingsmiddelen dan wel het geven van een begunstigingstermijn, had zij tegen het spoedbestuursdwangbesluit naar voren moeten brengen. Deze gronden kan zij nu niet alsnog met succes naar voren brengen, omdat daarmee geen sprake is van een bijzonder geval. Ook blijkt uit hetgeen [naam 1] verder nog heeft aangevoerd niet dat evident is dat zij geen overtreder is. Naar het oordeel van het College heeft de minister daarom in de door [naam 1] naar voren gebrachte omstandigheden terecht geen aanleiding gezien om geheel of gedeeltelijk af te zien van kostenverhaal.


Kostenbesluit




3.1
In wat [naam 1] heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de kosten voor het toepassen van spoedbestuursdwang redelijkerwijs niet of niet geheel voor haar rekening behoren te komen. Het College legt hierna uit waarom.



3.2
In artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.



3.3
Zoals de staatssecretaris terecht heeft overwogen, staat het opleggen van een strafrechtelijke sanctie niet in de weg aan het uitvoeren van bestuursdwang en het verhalen van de daarmee gemoeide kosten op de overtreder. Anders dan [naam 1] veronderstelt, is een kostenbesluit bovendien geen boetebesluit en is dus geen sprake van een criminal charge, zodat van een dubbele sanctionering geen sprake is.



3.4
Het betoog dat de staatssecretaris de honden langer heeft gehouden dan noodzakelijk was en de (medische) kosten niet noodzakelijk waren en/of te hoog zijn, slaagt niet. Zoals het College in zijn uitspraak van 20 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:816) heeft overwogen, vergt een zorgvuldige omgang met levende dieren dat soms enige tijd wordt genomen om over de verdere afwikkeling te beslissen en daarvoor voorzieningen te treffen. Dat de honden te lang zijn gehouden en dat daarbij onnodige dierenartskosten zijn gemaakt, is niet vast komen te staan. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit toegelicht waarom de opvang van sommige honden langer heeft geduurd dan de gebruikelijke acht weken. Om honden te kunnen herplaatsen, moet hun gezondheidstoestand in orde zijn en moet de huisvestingssituatie hersteld zijn. Uit de toelichting van de staatssecretaris blijkt dat van de twintig honden zes honden vanaf 26 mei tot en met 3 juli in de opvang zijn gehouden, één hond tot en met 7 juli, drie honden tot en met 9 juli en tien honden tot en met 28 juli. In augustus waren er nog negen honden in de opvang. Van die negen honden heeft de staatssecretaris voor augustus alleen de bewaarkosten voor hond [naam 2] (tot en met 12 augustus) in rekening gebracht, omdat zijn behandeling langer heeft geduurd totdat is besloten om hem te euthanaseren. Dat de honden langer dan noodzakelijk zijn gehouden, is niet gebleken. Ter onderbouwing heeft de staatssecretaris verwezen naar verklaringen van dierenartsen, behandelverslagen en facturen van de opvanglocatie en de dierenarts waaruit volgt dat de honden in de periode van 26 mei tot en met 12 augustus medisch zijn behandeld. Deze in rekening gebrachte kosten voor vaccinaties, bestrijding van vlooien, behandeling van tanden, ogen en oren, maken van foto’s, en het laboratorium- en bloedonderzoek zijn door [naam 1] niet gemotiveerd bestreden. Er is slechts volstaan met de niet onderbouwde stelling dat deze te hoog zijn. Nu deze kosten het College ook niet onredelijk voorkomen, slaagt deze beroepsgrond niet. Het betoog op de zitting dat de opvanglocatie ten onrechte het knippen van nagels, een welzijnsassessment en het ontklitten van de vachten in rekening heeft gebracht, slaagt niet. De staatssecretaris heeft die kosten namelijk niet in rekening gebracht.



3.5
Voor het maken van een uitzondering op het uitgangspunt dat de kosten van bestuursdwang in rekening worden gebracht bij de overtreder, kan gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal.



3.6
Het betoog dat zwaarwegende psychische en lichamelijke omstandigheden maken dat [naam 1] geen verwijt kan worden gemaakt, slaagt ook niet. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken. Zo heeft zij niet aan de hand van objectieve, verifieerbare stukken onderbouwd dat haar leeftijd en haar lichamelijke en psychische situatie de overtredingen in de hand hebben gewerkt of dat zij niet in staat was hulp in te schakelen voor de verzorging van haar honden. Uit het strafvonnis waarnaar [naam 1] heeft verwezen, kan ook niet worden opgemaakt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan haar zijde.



3.7
Zoals het College in zijn uitspraak van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:21) heeft overwogen, hoeft een bestuursorgaan bij een kostenbesluit in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, als hierover een geschil bestaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. De overtreder moet daartoe zodanige informatie verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben.



3.8
Het betoog dat de staatssecretaris ten onrechte geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van [naam 1] , slaagt niet. De staatssecretaris heeft [naam 1] een betalingsregeling aangeboden die zij in ieder geval tot de zitting heeft nageleefd en die zo nodig verlengd kan worden. [naam 1] heeft, hoewel de staatssecretaris haar daartoe herhaaldelijk nadrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld, onvoldoende informatie over haar financiële draagkracht overgelegd. [naam 1] heeft de vragenlijst die de staatssecretaris heeft opgevraagd niet ingevuld en de daarbij gevraagde bijlagen niet ingeleverd. De staatssecretaris beschikte daardoor over onvoldoende informatie om van [naam 1] het eigen vermogen, haar netto maandinkomen en de beslagvrije voet in samenhang met eventuele lasten voor bijvoorbeeld zorg en wonen te kunnen vaststellen. Voor zover het voor [naam 1] vanwege haar persoonlijke omstandigheden niet mogelijk was om deze gegevens zelf te verzamelen, had zij daar hulp voor kunnen inroepen. [naam 1] kan gezien het voorgaande niet worden gevolgd in haar stelling dat zij de financiële middelen niet heeft om het verschuldigde bedrag te kunnen betalen.


Conclusie


4 Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

5 De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.





Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, mr. M.J. Jacobs en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.







w.g. T. Pavićević w.g. M. Ettema
Link naar deze uitspraak