|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:320 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-07-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/216 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Toepassing spoedbestuursdwang. Het College oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie waarin de toezichthouder de kippen en konijnen aantrof, aanleiding gaf om zonder voorafgaande last en zelfs zonder voorafgaand besluit terstond bestuursdwang toe te passen. De aangetroffen situatie was dermate ernstig dat onmiddellijk ingrijpen geboden was, en geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant in staat was zelf binnen korte tijd de noodzakelijke maatregelen te nemen. Groot aantal dieren en grote en fundamentele tekortkomingen, zoals blijkt uit de acht overtredingen die de minister heeft vastgesteld. | | Trefwoorden | : | bestuursdwang | | | landbouw | | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/216
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats]
(gemachtigde: mr. [naam 2] )
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, nu de staatssecretaris van dit ministerie,
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman)
Procesverloop in beroep
[naam 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 22 december 2023. Het beroep heeft op grond van artikel 5:31c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het besluit van de minister van 6 mei 2024.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens [naam 1] zijn gemachtigde en [naam 3] , en namens de minister zijn gemachtigde, [naam 4] en [naam 5] .
Inleiding
1.1
Op 21 juni 2023 heeft een toezichthouder van de Landelijke inspectiedienst Dierenbescherming (nu: Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn) (LID), samen met een politieagent, een controle uitgevoerd op het adres van [naam 1] .
1.2
De minister is naar aanleiding van de bevindingen tijdens de controle nog diezelfde dag overgegaan tot het toepassen van spoedbestuursdwang. Hij heeft 65 kippen, veertien duiven en vijf konijnen in bewaring genomen.
1.3
Met het besluit van 23 juni 2023 heeft de minister de toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld (spoedbestuursdwangbesluit). Volgens de minister zijn de volgende overtredingen geconstateerd:
de kippen, duiven en konijnen hadden geen vers water. Een aantal dieren had geen water, andere dieren hadden water dat vervuild was met zwarte drab. De dieren hadden dus geen toegang tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit, en konden ook niet op een andere wijze voldoen aan hun behoefte aan water (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren (het Besluit));
de huisvesting van de kippen, duiven en konijnen was erg vervuild met ontlasting en urine. De dieren hadden dus geen schone en zindelijke huisvesting en de dieren hadden dus geen toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Besluit);
de kippen, duiven en konijnen werden gehouden in ruimtes die onvoldoende geventileerd werden. In de ruimtes hing een sterke ammoniaklucht. [naam 1] heeft dus nagelaten ervoor te zorgen dat de dieren voldoende verse lucht of zuurstof kregen (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.7, aanhef en onder g, van het Besluit);
de kippen, duiven en konijnen werden gehouden in draadkooien zonder bodembedekking. Dit kan leiden tot voetzoolzweren. [naam 1] heeft de behuizing en inrichting dus niet zo gebouwd en onderhouden dat de dieren op de juiste wijze gehouden konden worden (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.8, tweede lid, van het Besluit);
een aantal van de kippen, duiven en konijnen had kale plekken, voetzoolzweren, kalkpoten, ontstoken ogen en een snotneus, en was mager, kon niet opstaan of liep mank en was lusteloos. [naam 1] heeft deze dieren dus niet de nodige medische zorg gegeven (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit);
[naam 1] heeft scherpe materialen in de verblijven van de kippen, duiven en konijnen niet gerepareerd en de draadkooien hadden uitstekend ijzerdraad. Daaraan konden de dieren zich verwonden of beschadigen. [naam 1] heeft er dus niet voor zorggedragen dat de dieren zich niet konden verwonden aan scherpe of losliggende materialen (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.8, tweede en derde lid, van het Besluit);
[naam 1] heeft dode dieren niet volgens de geldende wet- en regelgeving afgevoerd. De kippen hadden daardoor geen hygiënische huisvesting (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met 1.7, aanhef en onder d, van het Besluit);
de kippen, duiven en konijnen werden gehouden in te kleine kooien. De konijnen konden geen drie huppen maken. De kippen en duiven konden hun vleugels niet spreiden of scharrelen, en vochten met elkaar vanwege ruimtegebrek. Daarom zijn de dieren op zodanige wijze beperkt in hun bewegingsvrijheid dat de dieren onnodig lijden en/of dat onnodig letsel is toegebracht. Daarnaast heeft [naam 1] onvoldoende ruimte gelaten voor de ethologische en fysiologische behoeften van deze dieren (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.6, eerste en tweede lid, van het Besluit).
1.4
Met het besluit van 22 december 2023 heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het spoedbestuursdwangbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft daarbij het spoedbestuursdwangbesluit gedeeltelijk herroepen en beslist dat hij, voor zover het gaat over de duiven, ten onrechte spoedbestuursdwang heeft toegepast, omdat geen sprake was van een dusdanig spoedeisende situatie dat onmiddellijk handelen van de minister nodig was. Voor het overige heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
1.5
Met het besluit van 6 mei 2024 (kostenbesluit) heeft de minister de kosten van de toepassing van spoedbestuursdwang vastgesteld en een bedrag van € 5.445,79 bij [naam 1] in rekening gebracht.
Beoordeling van het beroep
2 Aan de orde zijn de vragen of de minister heeft mogen besluiten tot het terstond toepassen van bestuursdwang door het meevoeren van 65 kippen en vijf konijnen van [naam 1] in verband met de geconstateerde overtredingen, en of de minister de daarmee gemoeide kosten terecht bij [naam 1] in rekening heeft gebracht. Het College beantwoordt deze vragen bevestigend en licht dit hieronder toe.
Spoedbestuursdwangbesluit
3.1
[naam 1] betoogt dat de minister ten onrechte is overgegaan tot het terstond toepassen van bestuursdwang. [naam 1] stelt zich op het standpunt dat hij zelf de noodzakelijke maatregelen had kunnen nemen. De minister had hem daartoe de mogelijkheid moeten geven door aan hem een last met een korte begunstigingstermijn op te leggen, zoals de minister voor wat betreft enkele andere dieren waarvoor hij overtredingen heeft geconstateerd wel heeft gedaan door het opleggen van een last onder dwangsom. Volgens [naam 1] is het onduidelijk waarom hij die mogelijkheid in het geval van de direct in bewaring genomen 65 kippen en vijf konijnen niet heeft gekregen. [naam 1] voert verder aan dat uit de dierenartsverklaring blijkt dat de in bewaring genomen dieren niet direct op de dag van de inbewaringneming zijn behandeld door een dierenarts. Als laatste betoogt [naam 1] dat er sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister had moeten afzien van toepassing van spoedbestuursdwang. In dat kader wijst [naam 1] op zijn leeftijd, gezondheidssituatie en de omstandigheid dat hij al bezig was het houden van dieren af te bouwen.
3.2
Het College stelt vast dat [naam 1] de bevindingen van de toezichthouder en de overtredingen die de minister aan het spoedbestuursdwangbesluit ten grondslag heeft gelegd niet betwist. Ook heeft de gemachtigde van [naam 1] op de zitting erkend dat er op 21 juni 2023 maatregelen genomen dienden te worden om de situatie waarin de 65 kippen en vijf konijnen zich bevonden te verbeteren. Partijen verschillen van mening over de vraag of de minister [naam 1] de mogelijkheid had moeten geven om dit zelf te doen, en daarmee over de vraag of de minister terecht is overgegaan tot het terstond toepassen van bestuursdwang.
3.3
Het College overweegt als volgt. In artikel 5:31, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen kan besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Op grond van het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt. Op grond van artikel 5:29, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, zaken meevoeren en opslaan. Beoordeeld moet worden of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie zodanig spoedeisend was dat gebruikmaking van de in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid gerechtvaardigd was. Hierbij kan onder andere een rol spelen of betrokkene in staat is op korte termijn zelf de noodzakelijke maatregelen te nemen om de overtredingen te beëindigen, dan wel of het mogelijk is om op korte termijn verbetering aan te brengen en of er alternatieven bestonden voor adequate huisvesting en verzorging. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 16 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:230).
3.4
Het College is van oordeel dat dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie waarin de toezichthouder de kippen en konijnen op 21 juni 2023 aantrof, aanleiding gaf om zonder voorafgaande last en zelfs zonder voorafgaand besluit terstond bestuursdwang toe te passen als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb. De aangetroffen situatie was dermate ernstig dat onmiddellijk ingrijpen geboden was. Het College ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [naam 1] in staat was zelf – al dan niet met hulp van anderen – binnen korte tijd de noodzakelijke maatregelen te nemen. Het ging om een groot aantal kippen en konijnen en er waren grote en fundamentele tekortkomingen wat betreft de huisvesting en de verzorging van deze dieren, zoals blijkt uit de acht overtredingen die zijn vastgesteld. [naam 1] heeft tijdens de controle niet aannemelijk gemaakt dat er op zeer korte termijn alternatieven bestonden voor adequate huisvesting en verzorging van de 65 kippen en vijf konijnen, en ook later heeft hij die alternatieven niet concreet gemaakt. Dat de minister [naam 1] voor wat betreft enkele andere dieren, waarvoor hij op 21 juni 2023 overtredingen heeft geconstateerd, wel de mogelijkheid heeft geboden zelf de noodzakelijke maatregelen te nemen, maakt niet dat de minister ten aanzien van de 65 kippen en vijf konijnen niet terstond mocht overgaan tot het toepassen van bestuursdwang. Uit het toezichtrapport blijkt dat de minister bij het toepassen van de spoedbestuursdwang een selectie heeft gemaakt van de dieren waarvan de gezondheid en het welzijn dusdanig waren aangetast, en waarbij direct herstel op locatie geen optie was. Op de zitting heeft de minister verder toegelicht dat de dieren die niet in bewaring zijn genomen in betere gezondheid verkeerden en ruimer en veiliger gehuisvest waren, zodat bij de minister geen vrees bestond dat de dieren op korte termijn zouden overlijden of ernstig letsel zouden oplopen. Bij de in bewaring genomen dieren bestond die vrees wel. Dat [naam 1] niet in staat was zelf de noodzakelijke maatregelen te nemen, wordt naar het oordeel van het College bevestigd door de omstandigheid dat een toezichthouder van de LID op 15 augustus 2023 (bijna twee maanden na de controle op 21 juni 2023) heeft geconstateerd dat de huisvesting van de dieren die de minister op 21 juni 2023 niet in bewaring heeft genomen, nog altijd vervuild en ook anderszins ongeschikt was. Verder geldt naar het oordeel van het College dat, daargelaten of uit de dierenartsfacturen kan worden afgeleid dat de medische behandelingen van de dieren na de inbewaringneming laat zou zijn gestart, zoals [naam 1] betoogt, dit niet met zich brengt dat de minister niet had mogen besluiten tot het terstond toepassen van bestuursdwang. Die na de inbewaringneming (mogelijk) voorgevallen omstandigheid doet namelijk niet af aan de situatie waarin de toezichthouder de kippen en konijnen op 21 juni 2023 aantrof. De beroepsgrond slaagt niet.
3.5
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College geen sprake. De omstandigheden die [naam 1] in dat kader naar voren heeft gebracht heeft hij niet concreet gemaakt.
Kostenbesluit
4.1
Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen het kostenbesluit, nu [naam 1] dit besluit betwist.
4.2
[naam 1] heeft op de zitting zijn gronden ingetrokken die gericht waren tegen het kostenbesluit. Wel heeft hij betoogd dat het kostenbesluit niet in stand kan blijven als het College tot het oordeel zou komen dat de minister ten onrechte is overgegaan tot het terstond toepassen van bestuursdwang. Het College is hiervoor tot het oordeel gekomen dat de minister terecht spoedbestuursdwang heeft toegepast. Dit betekent dat de minister de daarmee gemoeide kosten op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb terecht bij [naam 1] in rekening heeft gebracht.
Slotsom
5 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.L. van der Beek en mr. S.B. SmitColenbrander, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. R.H. Verheijen | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|