|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:352 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-07-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | AWB 24/964 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Inhoudsindicatie: GLB 2023. Aanvraag te laat. Maatschap veronderstelde dat zij een definitieve aanvraag had ingediend. Geen sprake van overmacht. Het als niet tijdig aanmerken van de aanvraag leidt ook niet tot een onbillijkheid van overwegende aard en er is ook geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de maatschap meerdere keren gewezen op de uiterste aanvraagdatum en herinneringen gestuurd dat de aanvraag nog niet was ontvangen. De door de minister toegezegde coulance is niet op deze situatie van toepassing. | | Trefwoorden | : | gecombineerde opgave | | | glb | | | landbouw | | | landbouwbeleid | | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/964
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [vestigingsplaats] (maatschap)
(gemachtigde: R. Scholten)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. I.M.H.G van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop in beroep
De maatschap heeft tegen het besluit van 2 oktober 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 13 mei 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Waar gaat deze zaak over?
1.1
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening 2021/2115, Verordening 2021/2116, Uitvoeringsverordening 2021/2290 en Gedelegeerde Verordening 2022/1172. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
1.2
In de Uitvoeringsregeling GLB 2023 zijn de regels rondom het aanvragen van GLBsteun ten opzichte van eerdere jaren veranderd. Het aanvraagproces is opgeknipt in twee stappen: een aanmelding en een vooraf gecontroleerde aanvraag. Na aanmelding moest in de periode van 15 oktober 2023 tot en met 30 november 2023 een aanvraag worden ingediend. De aanmeld- en de aanvraagtermijn stonden in artikel 10, eerste en zevende lid, en artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
1.3
De maatschap heeft zich op 13 mei 2023, en daarmee tijdig, aangemeld voor de basispremie, de extra betaling eerste 40 hectare en de eco-regeling (op het niveau van het tarief goud). De maatschap heeft de aanvraag echter te laat ingediend. Zij heeft op 12 december 2023 een melding overmacht als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023, gedaan.
1.4
Met het besluit van 25 juni 2024 heeft de minister deze melding afgewezen. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.5
Het beroep richt zich tegen het niet honoreren van de melding overmacht, en daarmee tegen de weigering om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen.
Beoordeling van het beroep
2 De maatschap voert aan dat sprake is van overmacht. Zij verkeerde namelijk in de veronderstelling dat zij de aanvraag had ingediend. Pas na het verlopen van de termijn voor indiening realiseerde zij zich dat zij geen ontvangstbevestiging van de aanvraag had ontvangen. De maatschap heeft vervolgens, slechts twaalf dagen na het verlopen van de termijn, een melding overmacht ingediend. Volgens de maatschap is deze situatie te wijten aan de omstandigheid dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), naar aanleiding van de aanmelding, wijzigingen heeft aangebracht in haar Gecombineerde opgave. Dit heeft voor onduidelijkheid en stress bij haar gezorgd tijdens het nalopen van de perceelsopgave. Ook voert de maatschap aan dat de afwijzing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, en zij doet een beroep op de hardheidsclausule in de Uitvoeringsregeling GLB 2023, omdat de weigering om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De wijze van aanvragen van landbouwsteun in 2023 is fundamenteel gewijzigd ten opzichte van eerdere jaren en dit heeft tot veel onjuiste en te late aanvragen geleid. De problemen in ‘leerjaar’ 2023 zijn door de minister voorzien en hij heeft aangekondigd coulance te betrachten. De maatschap wijst daarbij op de kamerbrief van 14 november 2022 (kenmerk DGA-EIA/2254601).
Inleiding
3.1
De Uitvoeringsregeling GLB 2023 is een ministeriële regeling die – zoals gezegd – de nationaalrechtelijke invulling geeft aan de per 1 januari 2023 in werking getreden Europese GLB-verordeningen. De keuze voor het opknippen van het aanmeldproces in twee stappen, de daarvoor geldende termijnen en het opnemen van een hardheidsclausule zijn nationaalrechtelijke keuzes.
3.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 17 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:334, overwegingen 3.2 en 4.2) worden met het stellen van een uiterste datum voor het indienen van een aanvraag voor steun op grond van het GLB meerdere legitieme doelen gediend. Uitgangspunt is dan ook dat de maatschap haar aanvraag binnen de aanvraagtermijn, in dit geval uiterlijk op 30 november 2023, moet hebben ingediend om voor GLB-steun in aanmerking te komen.
Overmacht
4 Op grond van artikel 3 van Verordening 2021/2116 kunnen overmacht en uitzonderlijke omstandigheden worden erkend. Deze bepaling bevat voorbeelden van overmacht en uitzonderlijke gevallen. Hiermee is echter niet vergelijkbaar dat de maatschap veronderstelde dat zij een definitieve aanvraag had ingediend. Ook is de gestelde verwarring over wijzigingen in de aanvraag niet vergelijkbaar met de voorbeelden die zijn vermeld. Naar het oordeel van het College is geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid, als bedoeld in artikel 3 van de Verordening 2021/2116. De beroepsgrond over overmacht slaagt niet.
Hardheidsclausule
5.1
De hardheidsclausule uit artikel 48 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 houdt, voor zover hier van belang, in dat de minister kan afwijken van de aanvraagtermijn, voor zover de toepassing gelet op het doel ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5.2
Het College is van oordeel dat in dit geval het vasthouden aan de uiterste aanvraagdatum van 30 november 2023 niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hoewel in 2023 nieuw was dat de aanvraagprocedure was opgeknipt in twee momenten, was de maatschap ermee bekend dat de definitieve aanvraag uiterlijk op 30 november 2023 moest worden ingediend. De minister heeft de maatschap met e-mails van 2 oktober 2023 en 16 oktober 2023 daarop gewezen en bovendien op 17 november 2023 en 23 november 2023 herinneringen gestuurd dat de aanvraag nog niet was ontvangen. Als er bij de maatschap toch nog onduidelijkheid bestond over het wijzigen of definitief maken van de aanvraag, had het op haar weg gelegen tijdig navraag te doen bij RVO. Niet is gebleken dat de maatschap dat heeft gedaan of dat zij niet daartoe in staat was. Dat de maatschap financieel nadeel ondervindt omdat zij voor 2023 steun misloopt vanuit het GLB, maakt niet dat de gevolgen van de gestelde onduidelijkheid en de verkeerde veronderstelling zwaarder moeten wegen dan de legitieme doelen waarop de minister zich heeft beroepen.
Evenredigheid
6 De maatschap voert ook aan dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Gelet op de onder 5.2 vermelde omstandigheden volgt het College de maatschap hierin niet.
Coulance
7 De maatschap doet verder een beroep op uitlatingen van de minister in de kamerbrief van 14 november 2022. Zoals het College al eerder heeft overwogen, heeft de minister – onder meer in deze kamerbrief – veelvuldig gecommuniceerd dat het aanvraagjaar 2023 gezien moet worden als leerjaar waarbij voor administratieve fouten in het aanvraagproces geen sancties worden opgelegd (zie de uitspraken van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:8 en ECLI:NL:CBB:2025:9). In dit geval is echter geen sprake van het opleggen van een sanctie, zodat de toegezegde coulance niet op deze situatie van toepassing is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Slotsom
8 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. R.H. Verheijen | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|