|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:357 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-07-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 23/1985 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Mondelinge uitspraak. Niet-ontvankelijk. Ontbreken van proces-belang. De staatssecretaris heeft de beslissing op bezwaar ingetrokken en een nieuw besluit op bezwaar genomen. Met dit nieuwe besluit heeft de staatssecretaris de bezwaren van appellante alsnog gegrond verklaard en de boetes van in totaal € 5.000,- ingetrokken. De staatssecretaris heeft verder toegezegd dat hij, als appellante de boetes al heeft betaald, zij het bedrag van € 5.000 terugontvangt, met wettelijke rente. Appellante heeft niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd waarom zij niettemin nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dat betekent dat het College het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | wettelijke rente | | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | | | Uitspraak | COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1985
uittreksel van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026:
Voorzitter: mr. S.C. Stuldreher
Griffier: mr. I.S. Post
Zittingsgriffier: J. Willemstein
Partijen
[naam] , te [vestigingsplaats] ( [naam] ),
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)
Overwegingen en beslissing
Inleiding
1. [naam] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10642). In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [naam] tegen het besluit van 27 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [naam] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Ook heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2023 gegrond verklaard, omdat de bestuurlijke dwangsom op een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank heeft de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten in bezwaar en beroep. Deze zaak gaat over boetes die de staatssecretaris aan [naam] heeft opgelegd wegens overtredingen van de Wet Dieren.
Procesbelang
2 Het College beoordeelt eerst of [naam] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep (procesbelang). Indien het procesbelang ontbreekt, is het hoger beroep niet-ontvankelijk. Dat is naar het oordeel van het College hier het geval. Hieronder legt het College uit waarom.
3 Voor de vraag of er (nog) procesbelang bestaat, is van belang wat [naam] met haar beroep nastreeft. Het doel dat zij hiermee wil bereiken, moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische betekenis. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van een procesbelang. [naam] zal (desgevraagd) concreet moeten aangeven waarom de beoordeling van het besluit voor haar in dit stadium van de procedure nog feitelijke betekenis heeft.
4 De staatssecretaris heeft op 2 juli 2026 de beslissing op bezwaar van 16 juni 2023 ingetrokken en een nieuw besluit op bezwaar genomen. Met dit nieuwe besluit heeft de staatssecretaris de bezwaren van [naam] alsnog gegrond verklaard en de boetes van in totaal € 5.000,- ingetrokken. De staatssecretaris heeft verder toegezegd dat hij, als [naam] de boetes al heeft betaald, zij het bedrag van € 5.000 terugontvangt, met wettelijke rente. [naam] heeft niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd waarom zij niettemin nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dat betekent dat het College het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
5 De staatssecretaris heeft zich verder bereid verklaard om de griffierechten en de proceskosten in hoger beroep te vergoeden. In lijn hiermee zal het College de staatssecretaris veroordelen in de door [naam] gemaakte proceskosten in hoger beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Het College:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [naam] in hoger beroep tot een bedrag van € 934,-;
draagt de staatssecretaris op het door [naam] betaalde griffierecht in hoger beroep van € 548,- te vergoeden.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. J. Willemstein | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|