|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:365 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-08-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 25/37 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Vast staat dat appellant de jongveestal niet in de aanvraag heeft opgevoerd. De minister heeft gelet op het staatssteunkader geen ruimte om uit coulance subsidie voor de jongveestal te verlenen. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | kennelijke fout | | | landbouw | | | ligboxenstal | | | melkveehouderij | | | stallen | | | subsidies | | Wetreferenties | : | Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/37
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats]
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)
Procesverloop in beroep
[naam 1] heeft tegen het besluit van 20 november 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 29 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , bijgestaan door [naam 2] , en namens de minister zijn gemachtigden.
Waar gaat deze zaak over?
1.1
[naam 1] exploiteerde een melkveehouderij. Hij heeft op 1 december 2023 subsidie aangevraagd op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) voor de onomkeerbare sluiting van zijn melkveehouderij. Deze subsidie omvat onder meer een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit (artikel 7, aanhef en onder b, van de Lbv). [naam 1] heeft in de aanvraag als productiecapaciteit twee stallen opgevoerd, te weten een vrijloopstal en een ligboxenstal.
1.2
De minister heeft met het bestreden besluit [naam 1] een subsidie verleend van maximaal € 2.646.108,13. De minister heeft in dit besluit geweigerd om een jongveestal aan de aanvraag toe te voegen omdat de periode waarbinnen een aanvraag kon worden gedaan was gesloten. Het alsnog toevoegen van de jongveestal aan de aanvraag zou in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel omdat ook andere aanvragers geen nieuwe stallen meer kunnen opvoeren.
1.3
[naam 1] erkent dat hij de jongveestal, bij vergissing, niet in de aanvraag heeft opgevoerd. De grote onzekerheid voor hem als PAS-melder (melder op grond van het Programma Aanpak Stikstof) heeft hem ertoe gebracht op het laatste moment een aanvraag op grond van de Lbv in te dienen. Volgens [naam 1] is subsidieverlening voor de jongveestal in lijn met de geest van de Lbv omdat de gehele veehouderijlocatie moet worden beëindigd. Daarom had de minister volgens [naam 1] coulance moeten betrachten en de jongveestal moeten meenemen bij de subsidieberekening.
Beoordeling van het beroep
2 Aan de orde is de vraag of de minister terecht geen subsidie heeft verleend voor de jongveestal. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit hieronder toe.
3.1
Artikel 10, eerste lid, van de Lbv bepaalt dat subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 3 juli 2023 tot en met 1 december 2023.
3.2
In de toelichting bij de Lbv (Stcrt. 2023, 14992, blz. 40) staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“Aanvragen kunnen slechts worden ingediend in de periode tussen openstelling van de regeling en sluiting van de regeling (de openstellingsperiode) […]. Aanvragen die na de openstellingsperiode binnenkomen, worden niet in behandeling genomen. Aanvragen kunnen na de openstellingsperiode niet meer gewijzigd of gecorrigeerd worden.”
3.3
Het door de overheid verstrekken van steun aan bedrijven wordt in beginsel aangemerkt als (verboden) staatssteun. De minister heeft de Lbv met daarin de openstellingsperiode voor het indienen van een aanvraag aan de Europese Commissie voorgelegd. De Commissie heeft geoordeeld dat de Lbv in overeenstemming is met de staatssteunkaders die gelden in de interne markt (zie State Aid SA.106555 (PbEU C 231/9 van 30 juni 2023)).
3.4
Vast staat dat [naam 1] de jongveestal niet in de aanvraag heeft opgevoerd. In de Lbv is geregeld dat het niet is toegestaan om na de beëindiging van de openstellingsperiode aanvragen in te dienen of wijzigingen daarop te maken. De minister heeft daarom in overeenstemming met de Lbv geweigerd om de jongveestal aan de aanvraag toe te voegen. Daarbij merkt het College op dat van een kennelijke fout in de aanvraag geen sprake is, al omdat de jongveestal in de (stukken bij de) aanvraag nergens concreet is genoemd of zichtbaar is aangeduid. Daarnaast brengt de goedkeuring die de Europese Commissie aan de Lbv heeft gegeven met zich dat de minister aan de bepalingen van de Lbv is gebonden. De minister heeft gelet op het staatssteunkader dus geen ruimte om uit coulance subsidie voor de jongveestal te verlenen. Dat volgens [naam 1] subsidieverlening voor de jongveestal in lijn met de geest van de Lbv zou zijn, doet hieraan niet af. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
4.1
Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
4.2
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. C.T. Aalbers en mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
w.g. H.L. van der Beek H. Caglayankaya
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|