|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:366 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-08-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/889 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | GLB 2023. Uitbetaling eco-regeling volgens het tarief van de categorie zilver, in plaats van goud. De vennootschap heeft op twee percelen de eco-activiteit ‘grasklaver’ aangemeld, maar heeft in de aanvraag de eco-activiteit op die percelen gewijzigd naar ‘grasland met kruiden’. De minister heeft geen waarde toegekend voor deze eco-activiteit. Het geschil gaat over de vraag of de minister aan de vennootschap na de uiterste aanvraagdatum alsnog de mogelijkheid had moeten bieden om de aanvraag aan te passen door de eco-activiteit op deze percelen te veranderen van ‘grasland met kruiden’ in ‘grasklaver’. Het College beantwoord deze vraag ontkennend. Geen sprake van een kennelijke fout of strijd met het evenredigheidsbeginsel. Beroep op hardheidsclausule slaagt ook niet. | | Trefwoorden | : | glb | | | kennelijke fout | | | landbouw | | | landbouwbeleid | | | landbouwer | | Wetreferenties | : | Uitvoeringsregeling GLB 2023
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/889
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam] V.O.F., te [vestigingsplaats] (vennootschap)
(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. I.M.H.G van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop in beroep
De vennootschap heeft tegen het besluit van 5 september 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 13 mei 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Waar gaat deze zaak over?
1.1
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is voor zover hier van belang vastgelegd in Verordening 2021/2115, Verordening 2021/2116, Uitvoeringsverordening 2021/2290 en Gedelegeerde Verordening 2022/1172. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
1.2
De eco-regeling betreft betalingen bovenop de basisinkomenssteun. Zij is bedoeld om gericht duurzame landbouwactiviteiten te belonen voor vijf eco-doelen: klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit. Voor elk van deze doelen kan een landbouwer punten behalen. Daarnaast is aan iedere eco-activiteit een waarde per hectare gekoppeld, die wordt behaald door het uitvoeren van eco-activiteiten. De waarde per hectare op bedrijfsniveau bepaalt – als de drempel daarvoor is behaald – de hoogte van het tarief dat voor de betaling wordt gehanteerd: brons, zilver of goud.
1.3
Onder de Uitvoeringsregeling GLB 2023 zijn de regels rondom het aanvragen van GLBsteun ten opzichte van eerdere jaren veranderd. De landbouwer moet nu eerst een aanmelding indienen om in aanmerking te komen voor GLB-steun voordat hij een definitieve aanvraag kan doen.
1.4
De vennootschap heeft zich, voor zover van belang, op 8 juni 2023 aangemeld voor de de eco-regeling, berekend volgens het tarief van de categorie goud (€ 200,- per hectare) en daarbij voor de percelen 126 en 153 de eco-activiteit ‘grasklaver’ opgegeven.
1.5
Vervolgens heeft de vennootschap ook in de aanvraag van 10 november 2023 de
eco-regeling berekend volgens het tarief van de categorie goud. De aanvraag wijkt af van de aanmelding, in de zin dat de vennootschap in de aanvraag voor de percelen 126 en 153 de eco-activiteit ‘grasland met kruiden’ heeft opgegeven.
1.6
Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister mede betalingen toegekend voor de de eco-regeling volgens het tarief van de categorie zilver (€ 100,- per hectare). Bij die berekening heeft de minister geen waarde toegekend voor de voor de percelen 126 en 153 opgegeven eco-activiteit ‘grasland met kruiden’, omdat deze eco-activiteiten na de uiterste datum van 29 juni 2024 zijn aangemeld. Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd.
1.7
Het beroep richt zich tegen de betaling voor de eco-regeling volgens het tarief van de categorie zilver, in plaats van goud.
Beoordeling van het beroep
Standpunt van de vennootschap
2 Volgens de vennootschap had de minister waarde moeten toekennen voor de
eco-activiteiten op de percelen 126 en 153. De tegenstrijdigheid wat betreft de percelen 126 en 153 tussen de aanmelding en de aanvraag, maakt duidelijk dat sprake is van een kennelijke fout. De vennootschap heeft de eco-activiteit ‘grasklaver’ aangemeld en uitgevoerd, maar heeft in de aanvraag abusievelijk de eco-activiteiten op de percelen 126 en 153 gewijzigd naar ‘grasland met kruiden’. Doordat zij in de aanvraag de bufferstroken opnieuw intekende, moest zij ook de gewascodes opnieuw invullen en daarbij heeft zij per abuis de eco-activiteit ‘grasland met kruiden’ geselecteerd. Het bestreden besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Een kleine administratieve vergissing leidt namelijk in dit geval tot groot financieel nadeel, en de minister heeft de splitsing tussen aanmelding en aanvraag alweer geschrapt. Ook voert de vennootschap aan dat de minister heeft gecommuniceerd dat 2023 moet worden gezien als ‘leerjaar’, waaruit volgens de vennootschap zou moeten volgen dat vergissingen en fouten moeten kunnen worden hersteld.
Inleiding
3 De vennootschap heeft op zitting verklaard dat zij de eco-activiteit ‘grasklaver’ heeft uitgevoerd en dat de daarbij geldende teeltperiode verschilt van de voorwaarden van de eco-activiteit ‘grasland met kruiden’. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of de minister aan de vennootschap na de uiterste aanvraagdatum alsnog de mogelijkheid had moeten bieden om de aanvraag aan te passen wat de percelen 126 en 153 betreft door op die percelen de eco-activiteit te veranderen van ‘grasland met kruiden’ in ‘grasklaver’.
4.1
De Uitvoeringsregeling GLB 2023 is een ministeriële regeling die – zoals gezegd – de nationaalrechtelijke invulling geeft aan de per 1 januari 2023 in werking getreden Europese GLB-verordeningen. De keuze voor het opknippen van het aanmeldproces in twee stappen, de daarvoor geldende termijnen en het opnemen van een hardheidsclausule zijn nationaalrechtelijke keuzes.
4.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:334, overwegingen 3.2 en 4.2) worden met het stellen van een uiterste datum voor het indienen van een aanvraag voor steun op grond van het GLB meerdere legitieme doelen gediend. Die doelen zijn het realiseren van voldoende tijd voor de minister om de aangevraagde regelingen te controleren, het vaststellen van de steuntarieven per hectare binnen het voor het GLB beschikbare budget en het afhandelen van alle aanvragen voor de uiterste beslisdatum.
4.3
Uitgangspunt is dan ook dat de vennootschap haar aanvraag binnen de aanvraagtermijn, in dit geval uiterlijk op 30 november 2023, indient en dat wijzigingen na die datum niet zijn toegestaan (zie artikel 11, eerste en vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023).
Kennelijke fout?
5.1
Van een kennelijke fout is sprake als er een tegenstrijdigheid zit in de door of namens de landbouwer verstrekte gegevens, die wijst op een vergissing, de tegenstrijdigheid eenvoudig kan worden geconstateerd tijdens een administratieve controle van de aanvraag of de bewijsstukken en de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld (zie artikel 47 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023).
5.2
In dit geval is geen sprake van een tegenstrijdigheid in de aanvraag. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 mei 2025, ECLI:NL:CBB:2025:311) is de minister, anders dan de vennootschap betoogt, niet gehouden die aanvraag te vergelijken met de aanmelding. Ook hoeft de minister bij eventuele niet voor de hand liggende afwijkingen daarover geen nadere vragen te stellen. In dit geval was er geen reden voor twijfel bij de minister over de ingediende aanvraag. De enkele omstandigheid dat de vennootschap bij de aanmelding met de opgave van de eco-activiteit ‘grasklaver’ wel voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor uitbetaling van de eco-regeling volgens het tarief van categorie ‘goud’, is niet voldoende. Het is niet ondenkbaar dat er voor een aanvrager redenen kunnen zijn om die opgave in de aanvraag te wijzigen ten opzichte van de aanmelding. Er kunnen zich namelijk wijzigingen hebben voorgedaan in de periode tussen de aanmelding en de (definitieve) aanvraag. Dit betekent dat geen sprake is van een kennelijke fout.
Hardheidsclausule
6.1
Het College begrijpt het beroep zo dat de vennootschap betoogt dat de minister ten onrechte vasthoudt aan de uiterste aanvraagdatum van artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Door haar niet alsnog de mogelijkheid te bieden om in de aanvraag voor de percelen 126 en 153 de eco-activiteit te veranderen van ‘grasland met kruiden’ in ‘grasklaver’, is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard. De vennootschap doet daarmee een beroep op de in artikel 48 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 opgenomen hardheidsclausule.
6.2
Deze beroepsgrond slaagt niet. De vennootschap heeft verklaard dat zij tijdens het doorlopen van de – op basis van de ingediende aanmelding – vooringevulde aanvraag, op eigen initiatief de bufferstroken opnieuw heeft ingetekend en vervolgens de verkeerde gewascode heeft geselecteerd. Die fout moet voor haar rekening blijven en vormt geen omstandigheid waarin de minister de vennootschap op het verkeerde spoor heeft gezet. Het is haar eigen verantwoordelijkheid als professionele marktdeelnemer om de aanmelding juist in te vullen. Gelet op het voorgaande ziet het College geen grond dat het financiële belang van de vennootschap zwaarder moet wegen dan de legitieme doelen die met het stellen van een uiterste datum voor het indienen van een aanvraag worden gediend. Dat de aanvraagprocedure met ingang van het aanvraagjaar 2025 is gewijzigd en landbouwers geen (aparte) aanmelding meer hoeven in te dienen om in aanmerking te komen voor GLB-steun, verandert dit niet. De wijziging doet niet af aan de voor 2023 geldende verplichting om een aanvraag binnen de aanvraagtermijn in te dienen.
Evenredigheid
7 De vennootschap heeft ook aangevoerd dat het onevenredig is dat de minister haar niet de mogelijkheid heeft gegeven om haar fout te herstellen door de aanvraag aan te passen. Gelet op de onder 6.2 vermelde omstandigheden volgt het College de vennootschap hierin niet.
Coulance
8 Zoals het College al eerder heeft overwogen, heeft de minister veelvuldig gecommuniceerd dat het aanvraagjaar 2023 gezien moet worden als leerjaar waarbij voor administratieve fouten in het aanvraagproces geen sancties worden opgelegd (zie de uitspraken van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:8 en ECLI:NL:CBB:2025:9). De vennootschap doet een beroep op deze uitlatingen en betoogt dat zij haar fout mag herstellen. In dit geval is echter geen sprake van een situatie die zou kunnen leiden tot het opleggen van een sanctie, zodat de toegezegde coulance niet op deze situatie van toepassing is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Slotsom
9 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. R.H. Verheijen | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|