|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:382 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-08-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/328 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Het hoger beroep slaagt niet. De minister heeft terecht een boete aan de slachterij opgelegd wegens fecale bezoedeling van een karkas. Er is sprake van een overtreding van punt 7 en 10 van Hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III, van Verordening 853/2004. Dat de bezoedelingen pas op het karkas terecht zouden zijn gekomen na de postmortemkeuring, vindt het College niet aannemelijk. Overschrijding redelijke termijn. | | Trefwoorden | : | landbouw | | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/328
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 op het hoger beroep van
[naam 1] , te [vestigingsplaats] ( [naam 1] )
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024, kenmerk 22/5582, in het geding tussen
[naam 1]
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:1098.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 27 juli 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de minister is ook verschenen [naam 2] .
Inleiding
1.1
Op 26 oktober 2021 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd bij het slachthuis van [naam 1] in [vestigingsplaats] . Van de inspectie heeft de toezichthouder op 1 november 2021 een rapport van bevindingen opgemaakt. In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“[…] Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de grote koelcel boven de eerste snijzaal.
In deze koelcel worden de karkassen na het slachtproces alleen teruggekoeld en
worden er geen andere handelingen aan het karkas verricht.
Ik zag daar dat er een varkenskarkas met goedkeurstempel uitgeraild werd naar
de snijzaal. Hierop zag ik een plakkaat met mest op de elleboog en zag tevens
mestbezoedeling in de snijrand daarboven (zie foto). Dit betreft een
heterdaadbevinding.
Ik heb de heer [naam 3] , die bij mij aanwezig was, de bezoedeling weg
laten snijden voor het karkas naar beneden ging in de uitsnijderij.
Bij mijn controle na afloop van het slachtproces zag ik dat het karkas zichtbaar
was verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk
verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig
effect. […]”
1.2
Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de minister met het besluit van 1 juli 2022 (boetebesluit) aan [naam 1] een boete opgelegd van € 2.500,- omdat een karkas zichtbaar verontreinigd was en deze zichtbare verontreiniging niet onmiddellijk werd verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Volgens de minister heeft [naam 1] daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onderdeel 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004).
1.3
Met het besluit van 13 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van [naam 1] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van [naam 1] bij de rechtbank gericht.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres [naam 1] en voor verweerder de minister moet worden gelezen:
“3. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft daartegen de volgende gronden aangevoerd. Eiseres heeft gesteld dat er wel is voldaan aan de eis van “onmiddellijke verwijdering”, omdat het aannemelijk is dat dat de bezoedeling niet zichtbaar is geweest in de slachtlijn en de bezoedeling na eerste waarneming in de uitsnijdlijn wordt verwijderd. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de mestbezoedeling zichtbaar is in de snijrand van de reeds verwijderde bezoedeling. Eiseres heeft gesteld dat deze verwijdering heeft plaatsgevonden voor de postmortemkeuring. Het karkas is daarna voorzien van een goedkeuringsstempel. Daaruit leidt eiseres af dat de bezoedeling na het wegsnijden voor de postmortemkeuring niet meer zichtbaar was.
3.1
In de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1029), waarnaar verweerder in het verweerschrift heeft verwezen, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in rechtsoverweging 6.2. het volgende overwogen:
“Verordening nr. 853/2004, Hoofdstuk IV van bijlage III, sectie I, genaamd ‘Hygiëne bij het slachten’, beschrijft het slachtproces voor als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren in chronologische volgorde. De onderdelen 1 tot en met 6 van hoofdstuk IV hebben betrekking op de antemortemfase en de onderdelen 7 tot en met 15 op de uitslachtfase. De onderdelen 16 en 17 hebben betrekking op de fase na de postmortemkeuring. Gelet op deze chronologische beschrijving van de slachtfase zien onderdeel 7 en onderdeel 10 van hoofdstuk IV naar het oordeel van het College op de uitslachtfase. Dit betekent dat vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan het bepaalde in onderdeel 7 en onderdeel 10 van hoofdstuk IV moet zijn voldaan (zie de uitspraak van het College van 19 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:426).”
3.2
Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de fecale bezoedelingen zijn aangetroffen na afloop van het slachtproces. De toezichthouder bevond zich op dat moment in de koelcel boven de eerste snijzaal. In die koelcel worden karkassen na het slachtproces teruggekoeld en er worden in die koelcel geen andere handelingen aan het karkas verricht. Verder blijkt uit het rapport van bevindingen dat de bezoedelingen zichtbaar waren. De rechtbank ziet geen aanleiding eiseres te volgen in haar stelling ter zitting dat de bezoedeling pas zichtbaar was na het opdrogen van het karkas, nu de toezichthouder niet alleen een mestbezoedeling in de snijrand heeft aangetroffen, maar ook een plakkaat met mest op de elleboog. De bezoedelingen waren voor de toezichthouder zichtbaar en de toezichthouder heeft de mestbezoedelingen op een foto aangeduid (omcirkeld).
3.3
Verweerder heeft terecht op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat eiseres artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie I, Hoofdstuk IV, punt 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 heeft overtreden en was bevoegd eiseres daarvoor een boete op te leggen.”
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.
5 [naam 1] betwist de feitelijke waarnemingen die de toezichthouder heeft opgetekend in het rapport van bevindingen niet. Het College gaat dan ook hiervan uit.
6.1
[naam 1] betwist dat sprake is van een overtreding. Volgens haar waren de bezoedelingen vóór de postmortemkeuring onzichtbaar of zijn deze bezoedelingen pas op het karkas terechtgekomen na de postmortemkeuring. De bezoedelingen zijn namelijk door niemand in het slachthuis opgemerkt.
6.2
Het College onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank dat de minister bevoegd was aan [naam 1] een boete op te leggen, en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. In het door [naam 1] in hoger beroep ingenomen standpunt dat de bezoedelingen pas op het karkas terecht zouden zijn gekomen na de postmortemkeuring, ziet het College aanleiding daar het volgende aan toe te voegen.
6.3
Het College vindt het niet aannemelijk dat de bezoedelingen na het slachtproces zijn ontstaan. Dat bezoedelingen op de elleboog en in een snijrand van het karkas zijn gekomen door een toevallige aanraking door een langslopende medewerker of toezichthouder, is moeilijk voorstelbaar. Tegenover de overtuigende stelling van de minister dat het niet anders kan dan dat deze bezoedelingen zijn ontstaan voor of tijdens het verwijderen van het maagdarmpakket, heeft [naam 1] geen plausibele verklaring kunnen geven hoe de bezoedelingen op het karkas terecht hebben kunnen komen na de uitslachtfase. Het College volgt het betoog van de minister dan ook dat het niet anders kan dan dat de bezoedeling tijdens het slachtproces is ontstaan. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
7.1
[naam 1] heeft verzocht om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
7.2
Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:466)) geldt in een zaak waarin een boete is opgelegd het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hogerberoepsfase twee jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.
7.3
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 19 mei 2022. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn van vier jaar met ongeveer vier maanden overschreden. Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase. In geval van een overschrijding van minder dan zes maanden ligt een vermindering met 5% met een maximum van € 2.500,- in de rede. Het College ziet gelet hierop aanleiding de boete te matigen met € 125,- tot een bedrag € 2.375,-.
Slotsom
8.1
Het hoger beroep slaagt niet. Uitsluitend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal het College de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en het boetebesluit in zoverre herroepen. Het College zal de boete vaststellen op € 2.375,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit. Voor het overige zal het College de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
8.2
Het College zal de minister veroordelen in de door [naam 1] gemaakte proceskosten voor het verzoek om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
8.3
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de rechterlijke fase zal de griffier van het College het in hoger beroep door [naam 1] betaalde griffierecht op grond van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb terugbetalen. Het griffierecht in beroep zal op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb door de minister aan [naam 1] moeten worden vergoed.
Beslissing
Het College:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
herroept het boetebesluit voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt de boete vast op € 2.375,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht in beroep van € 365,- aan [naam 1] te vergoeden;
bepaalt dat de griffier van het College het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,- aan [naam 1] terugbetaalt;
veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. R.H. Verheijen
Bijlage
Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong
Artikel 3, eerste lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.
Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.
[…]
7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige
wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
a. a) de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij
rituele slachtingen;
b) tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
i. i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en
ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en
vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;
c) er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de
ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van
de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en
d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk
of colostrum.
[…]
10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare
verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere
behandeling met een gelijkwaardig effect.
[…]
Wet dieren
Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Regeling dierlijke producten
Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
[…]
d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;
[…] | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|