Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:430 
 
Datum uitspraak:15-09-2026
Datum gepubliceerd:15-09-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:25/353
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Subsidiemodule vestiging voor jonge landbouwers. Afwijzing aanvraag omdat niet is voldaan aan de vereisten van vestiging van een landbouwbedrijf. In geschil is hoe moet worden beoordeeld of de jonge landbouwer meer dan vijftig procent van het bedrijf economisch en juridisch in eigendom heeft gekregen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gedeeltelijke overname kijkt de minister naar de oppervlakte van de landbouwgrond. De landbouwgrond vormt volgens de minister, tezamen met de daarop aanwezige bedrijfsgebouwen, het grootste deel van de waarde van het landbouwbedrijf. De tekst van de Regeling sluit evenwel niet uit dat een ‘bedrijf’ meer omvat dan alleen de oppervlakte van percelen. De enkele stelling dat naast de eigendomsverhouding van de percelen, de waarde van de bedrijfsopstallen zodanig hoog is dat de waarde van de overige activa niet tot een andere uitkomst kan leiden, vormt geen toereikende motivering waarom deze activa buiten beschouwing zijn gelaten. Daarmee heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de verschillende vermogensbestanddelen van het landbouwbedrijf waardeert. In het geval van de landbouwgrond heeft de minister uitsluitend gekeken naar de oppervlakte in hectares en niet naar de economische waarde van die percelen. Ook heeft de minister de waarde van de opstallen weliswaar als aanzienlijk ingeschat, maar deze inschatting niet onderbouwd, bijvoorbeeld op basis van de WOZ-waarde of een taxatierapport. Over de waardering van de overige activa heeft de minister zich in het geheel niet uitgelaten. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
Trefwoorden:glb
jonge landbouwers
landbouw
landbouwbedrijf
landbouwbeleid
landbouwer
landbouwgrond
lnv-subsidies
subsidies
woz waarde
woz-waarde
Wetreferenties:Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/353

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
(gemachtigde: mr. M.A. van der Kruijt-Bos)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. S. Piron, S. Hirs en mr. P.A.M. Jongenelen)




Procesverloop

De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 maart 2025 (bestreden besluit) waarbij de minister het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om subsidie voor de vestiging van jonge landbouwers als bedoeld in Titel 5.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 (Regeling), ongegrond heeft verklaard.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De maatschap heeft een nader stuk ingediend.

De zitting was op 29 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigden van de minister.




Overwegingen


Inleiding



1.1
De subsidiemodule vestiging voor jonge landbouwers is aan de Regeling toegevoegd om generatievernieuwing in de landbouwsector te realiseren. Met de subsidie wordt beoogd jonge landbouwers te stimuleren eerder een landbouwbedrijf te starten of over te nemen door financiële drempels te verlagen bij de bedrijfsstart of -overname. De Regeling draagt daarmee bij aan de continuïteit van de landbouwsector en stimuleert tegelijkertijd de transitie naar een toekomstbestendige landbouwsector met een duurzame en milieubewuste productiewijze. De subsidie staat open voor alle jonge landbouwers die bedrijfshoofd zijn.



1.2
De Europese voorwaarden voor het verstrekken van deze subsidie zijn opgenomen in Verordening (EU) 2021/2115, die op 1 januari 2023 in werking is getreden. Deze verordening biedt het kader voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 - 2027. Artikel 75, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat lidstaten steun kunnen toekennen voor de vestiging van jonge landbouwers, onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die nader worden uitgewerkt in de (nationale) strategische GLB-plannen.



1.3
Nederland heeft de voorwaarden voor deze vestigingssteun nader uitgewerkt in het Nationaal Strategisch Plan GLB 2023 - 2027 (NSP), dat door de Europese Commissie op 13 december 2022 is goedgekeurd.



1.4
De maatschap, die bestaat uit [naam 3] (vader) en [naam 2] (de jonge landbouwer), heeft op 31 juli 2024 de subsidie voor de vestiging van jonge landbouwers aangevraagd.



1.5
Uit het bestreden besluit en de daarop ter zitting gegeven toelichting volgt dat de minister deze aanvraag heeft afgewezen, omdat geen sprake is van vestiging van een landbouwbedrijf (artikel 5.9.2 van de Regeling). Volgens de minister is daarvan geen sprake, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van een gedeeltelijke overname van een landbouwbedrijf door de jonge landbouwer (artikel 5.9.1 van de Regeling). Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de jonge landbouwer het bedrijf na overname niet voor meer dan vijftig procent economisch en juridisch in eigendom heeft gekregen. Uit de beschikbare informatie, waaronder de gegevens van het Kadaster, volgt dat de jonge landbouwer 130.400 m2 (achtenveertig procent) van de totale oppervlakte aan registergoederen in juridische eigendom heeft gekregen, terwijl de vader 141.794 m2 (tweeënvijftig procent) in juridische eigendom heeft behouden, aldus de minister.


Standpunten van partijen




2.1
De maatschap stelt dat de minister bij de beoordeling of sprake is van een gedeeltelijke overname ten onrechte alleen heeft gekeken naar de oppervlakte van de agrarische percelen die dienstbaar zijn aan het landbouwbedrijf. Een landbouwbedrijf bestaat niet alleen uit landbouwgrond. De minister had daarom niet alleen de landbouwgrond, maar het geheel van de tot het landbouwbedrijf behorende activa in zijn beoordeling moeten betrekken. In de notariële akte van 31 juli 2024 – die de minister aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd – was abusievelijk opgenomen dat een onverdeeld aandeel van de tot het vermogen van de maatschap behorende activa uitsluitend in economische eigendom aan de jonge landbouwer was overgedragen. Op 2 juni 2025 heeft de notaris deze fout op verzoek van de maatschap hersteld met een akte van rectificatie. Door deze akte heeft de jonge landbouwer met terugwerkende kracht vanaf 31 juli 2024 een onverdeeld aandeel van de tot de maatschap behorende activa ook in juridische eigendom gekregen. Hieruit volgt dat de vader veertig procent van het bedrijf in eigendom heeft en de jonge landbouwer zestig procent. Deze vermogensverdeling komt ook tot uitdrukking in de (gecorrigeerde) openingsbalans van 1 januari 2024, die bij de reactie op het verweerschrift is overgelegd. De minister heeft dan ook miskend dat de jonge landbouwer meer dan vijftig procent van het landbouwbedrijf heeft overgenomen, zodat is voldaan aan de voorwaarde voor een gedeeltelijke overname. De subsidieaanvraag van de maatschap is daarom ten onrechte afgewezen.



2.2
De minister stelt dat de jonge landbouwer, ook na de akte van rectificatie, niet voldoet aan de vereisten voor de vestiging van een landbouwbedrijf, omdat, zoals in het bestreden besluit uiteen is gezet, de jonge landbouwer op basis van de gegevens van het Kadaster niet meer dan vijftig procent van de totale oppervlakte van het landbouwbedrijf in juridische eigendom heeft. In de beslissing op bezwaar heeft de minister opgemerkt dat hij niet het standpunt van de jonge landbouwer bestrijdt dat naast de registergoederen ook gekeken moet worden naar de activa binnen het bedrijf om te bepalen welk percentage van het economische en juridische eigendom van het bedrijf toebehoort aan de jonge landbouwer na de overname. Op de zitting heeft de minister verder toegelicht dat hij bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gedeeltelijke overname voornamelijk kijkt naar de oppervlakte van de landbouwgrond. De landbouwgrond vormt immers, tezamen met de daarop aanwezige bedrijfsgebouwen, het grootste deel van de waarde van het landbouwbedrijf. Deze bedrijfsgebouwen zijn echter niet overgedragen aan de jonge landbouwer, maar staan nog op naam van de vader. De waarde van de bedrijfsgebouwen is volgens de minister zodanig dat de waarde van de overige activa in dit geval geen verschil maakt voor de beoordeling of de jonge landbouwer ten minste vijftig procent van het landbouwbedrijf in juridische eigendom heeft gekregen. Dit kan anders zijn als de maten bijvoorbeeld ieder vijftig procent van de landbouwgrond in juridische eigendom zouden hebben gehad. In dat geval kan de waarde van de overige activa wel van invloed zijn op de beoordeling van het aandeel in het landbouwbedrijf en zal (ook) de economische waarde van de landbouwgrond en de bedrijfsgebouwen moet worden vastgesteld om een juiste vergelijking te kunnen maken.


Beoordeling door het College




3.1
De minister heeft de aanvraag van de maatschap afgewezen, omdat niet is voldaan aan de vereisten van vestiging van een landbouwbedrijf (artikel 5.9.2 van de Regeling). Op grond van de definitie in artikel 5.9.1 van de Regeling is sprake van vestiging van een landbouwbedrijf als een jonge landbouwer een bedrijf volledig of gedeeltelijk start of overneemt als bedrijfshoofd op basis van een gedateerd en ondertekend overnamedocument. Een gedeeltelijke overname is in dit artikel gedefinieerd als een overname waarbij een jonge landbouwer een bedrijf niet volledig maar wel voor meer dan vijftig procent economisch en juridisch in eigendom krijgt door meer dan vijftig procent van de overnamesom te financieren.



3.2
Het College stelt vast dat de maatschap de door de minister in het bestreden besluit vastgestelde oppervlakte van de landbouwpercelen – en de daaruit voortvloeiende verdeling van de juridische eigendom – niet betwist. Partijen verschillen evenwel van mening over de wijze waarop moet worden beoordeeld of de jonge landbouwer meer dan vijftig procent van het bedrijf economisch en juridisch in eigendom heeft gekregen. De vraag is daarbij wat onder het begrip ‘bedrijf’ moet worden verstaan. Dit begrip is niet gedefinieerd in de Regeling.



3.3
In het bestreden besluit heeft de minister de beoordeling beperkt tot de oppervlakte van de landbouwgrond. De tekst van de Regeling sluit evenwel niet uit dat een ‘bedrijf’ meer omvat dan alleen de oppervlakte van percelen. In dit besluit heeft de minister niet bestreden dat bij de beoordeling welk percentage economische en juridische eigendom de jonge landbouwer heeft niet alleen naar de registergoederen moet worden gekeken, maar ook naar de overige activa binnen het bedrijf. Op de zitting heeft de minister dit bevestigd. In dit geval heeft de jonge landbouwer 130.400 m2 (achtenveertig procent) van de percelen landbouwgrond in eigendom en de vader 141.794 m2 (tweeënvijftig procent). De bedrijfsopstallen staan alle op naam van de vader. Gelet op deze percentages en de volgens de minister aanzienlijke waarde van de bedrijfsopstallen, heeft de minister niet ook nog naar de waarde van de overige activa gekeken. Volgens de minister zou de jonge landbouwer hoe dan ook niet meer dan vijftig procent van het bedrijf economisch en juridisch in eigendom hebben verkregen. Het College volgt de minister daarin niet. Uit de door de maatschap overgelegde openingsbalans van 1 januari 2024 volgt dat de jonge landbouwer vanaf die datum zestig procent van het maatschapsvermogen heeft en de vader veertig procent. Gelet op de waarde van dat vermogen heeft de minister zich in dit geval bij de beantwoording van de vraag of de jonge landbouwer voldoet aan de voorwaarde van gedeeltelijke overdracht ten onrechte beperkt tot de verdeling van de percelen landbouwgrond en de bedrijfsopstallen. De enkele stelling dat naast de eigendomsverhouding van de percelen, de waarde van de bedrijfsopstallen zodanig hoog is dat de waarde van de overige activa niet tot een andere uitkomst kan leiden, vormt geen toereikende motivering waarom deze activa buiten beschouwing zijn gelaten. Daarmee heeft de minister namelijk niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de verschillende vermogensbestanddelen van het landbouwbedrijf waardeert. In het geval van de landbouwgrond heeft de minister uitsluitend gekeken naar de oppervlakte in hectares en niet naar de economische waarde van die percelen. Ook heeft de minister de waarde van de opstallen weliswaar als aanzienlijk ingeschat, maar deze inschatting niet onderbouwd, bijvoorbeeld op basis van de WOZ-waarde of een taxatierapport. Over de waardering van de overige activa heeft de minister zich in het geheel niet uitgelaten. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.


Slotsom


4 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
Wegens het ontbreken van de benodigde financiële gegevens kan het College niet zelf in de zaak voorzien. De minister wordt daarom opgedragen om binnen een termijn van zes maanden na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.


Proceskosten en griffierecht




5.1
Omdat het beroep gegrond is, zal het College de minister veroordelen in de door de maatschap in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het inbrengen van schriftelijke zienswijzen in reactie op het verweerschrift van de minister, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).



5.2
Het College zal de minister daarnaast opdragen het betaalde griffierecht van € 385,- aan de maatschap te vergoeden.





Beslissing

Het College:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt de minister op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan de maatschap te vergoeden;


- veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 2.335,- .


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. B. Bastein en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.







w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.E.C.M. van Roosmalen
Link naar deze uitspraak