Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:436 
 
Datum uitspraak:03-09-2026
Datum gepubliceerd:14-09-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:26/620
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Trefwoorden:bestuursdwang
landbouw
Wetreferenties:Wet dieren
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/620



uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen



[naam] , te [woonplaats] (verzoeker)

en

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. J. van der Stelt)





Procesverloop

Met het besluit van 13 augustus 2026 heeft de staatssecretaris een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoeker, wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren (Bhd). De last heeft betrekking op door verzoeker gehouden volwassen katten en kittens.

Verzoeker heeft tegen het besluit van 13 augustus 2026 bezwaar gemaakt en het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De staatssecretaris heeft op 27 augustus 2026 op grond van die last bestuursdwang toegepast door herstelmaatregelen op locatie toe te passen.

De zitting was op 2 september 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de staatssecretaris deelgenomen. Verzoeker is niet verschenen.



Overwegingen


1.1
Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de verzoeker om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) door de griffier een griffierecht geheven. Het derde lid van ditzelfde artikel bepaalt dat het verschuldigde griffierecht op de bankrekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven of ter griffie moet zijn gestort binnen twee weken. De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen.



1.2
Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 8:82, derde lid in samenhang gelezen met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb biedt hiervoor de grondslag.


Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?


2 Aan verzoeker is kort na de ontvangst van het verzoekschrift per gewone post een nota gezonden ter voldoening van het griffierecht. In de nota staat dat het griffierecht voor aanvang van de zitting betaald moet zijn. In de uitnodiging voor de zitting, die tijdig per e-mail op 31 augustus 2026 is verzonden naar het door verzoeker opgegeven en gebruikt e-mailadres, is verzoeker er nogmaals op gewezen dat hij voor de indiening van het verzoekschrift griffierecht verschuldigd is. Omdat op 1 september het griffierecht nog niet binnen was, is op dezelfde datum een herinnering per e-mail aan verzoeker gezonden. Het griffierecht had uiterlijk bij aanvang van de zitting op 2 september 2026 moeten zijn bijgeschreven op de in die brief aangegeven bankrekening of ter griffie zijn gestort. Op 2 september was hier niet aan voldaan. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.


Is verzoeker in verzuim?


3 De vraag is of niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat indiener in verzuim is geweest. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Verzoeker is niet verschenen op de zitting en heeft hierop dan ook geen toelichting kunnen geven noch heeft hij schriftelijk gereageerd op het verzoek om betaling van het griffierecht. Ook is er in de afgelopen dagen een aantal keer geprobeerd telefonisch contact op te nemen met verzoeker (op het door verzoeker zelf doorgegeven telefoonnummer), helaas zonder resultaat. Wel is er door verzoeker meerdere keren gereageerd per e-mail waaruit de voorzieningenrechter opmaakt dat hij zijn post wel ontvangt. Gelet op het voorgaande is er dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.




Conclusie en gevolgen

4 Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. B.W.N. van den Oever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.




w.g. T. Pavićević De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Link naar deze uitspraak