Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:457 
 
Datum uitspraak:22-09-2026
Datum gepubliceerd:22-09-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:23/1988
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Boete wegens fecale bezoedeling van een biggenkarkas. Het College oordeelt dat de hogerberoepsgronden tegen de uitspraak van de rechtbank niet slagen. Het College ziet aanleiding om uitsluitend vanwege overschrijding van de redelijke termijn, de boete te matigen met 10% tot een bedrag van € 2.250,-. Het College vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt de boete vast op € 2.250,-.
Trefwoorden:landbouw
Wetreferenties:Wet dieren
Regeling dierlijke producten
 
Uitspraak
Uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1988


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 op het hoger beroep van



[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] ( [naam 1] , voorheen [naam 2] B.V.)
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2023, kenmerk ROT 22/2337, in het geding tussen


[naam 2] B.V
en

de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)




Procesverloop in hoger beroep


[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 10 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10643).

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.


[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 22 juli 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen.



Inleiding en samenvatting


1.1
Op 23 augustus 2021 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd bij de slachterij van [naam 1] . De bevindingen van deze inspectie zijn neergelegd in een rapport van bevindingen (rapport). Daarin is beschreven dat de toezichthouder heeft gezien dat een al gestempeld biggenkarkas in de koelcel zichtbaar met mest was verontreinigd.



1.2
Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de staatssecretaris met het besluit van 3 december 2021 [naam 1] een boete opgelegd van € 2.500,- (boetebesluit) voor het volgende beboetbare feit:

“Een karkas was zichtbaar verontreinigd. Deze zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.”

Volgens de staatssecretaris heeft [naam 1] daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten, en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onderdeel 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004).



1.3
Met het besluit van 12 april 2022 heeft de staatssecretaris de bezwaren van [naam 1] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van [naam 1] bij de rechtbank gericht. De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.


1.4
Het College oordeelt dat de hogerberoepsgronden tegen de uitspraak van de rechtbank niet slagen. Het College ziet aanleiding om uitsluitend vanwege overschrijding van de redelijke termijn, de boete te matigen met 10% tot een bedrag van € 2.250,-. Om die reden zal het College de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en de boete vaststellen op € 2.250,-. Het College zal de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigen. Hierna licht het College zijn oordeel toe.




Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris op basis van het rapport van bevindingen terecht heeft vastgesteld dat [naam 1] de overtreding heeft begaan en daarvoor terecht is beboet. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] daarom ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiseres’ ‘ [naam 1] ’ en voor ‘verweerder’ ’de staatssecretaris’ moet worden gelezen:

“3.2. De enkele, niet onderbouwde, stelling van eiseres dat de verontreiniging geen mest, maar gestold bloed betreft, is onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder. In het rapport van bevindingen heeft de toezichthouder beschreven dat de zichtbare verontreiniging, die aan de binnenzijde van het bekken van een reeds gestempeld biggenkarkas is aangetroffen, bestond uit bruin/zwart materiaal met daarin plantaardige vezels.


3.3.
De stelling van eiseres dat de overtreding en het feitencomplex niet zijn onderbouwd door foto’s treft geen doel. Bij het rapport van bevindingen zijn twee foto’s gevoegd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat een getraind oog aan de substantie en de kleur kan zien dat het om mest gaat. Verder heeft verweerder toegelicht dat links op de foto witte stukjes te zien zijn en dat het gaat om kleine stukjes vezel. Echter, ook zonder deze foto’s geeft de inhoud van het rapport van bevindingen voldoende duidelijkheid over de bevindingen van de toezichthouder.



3.4.
De stelling van eiseres dat het feitencomplex niet is te koppelen aan een delictsomschrijving of een verbod, treft evenmin doel. In punt 7 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV van Verordening (EG) nr. 853/2004 is voorgeschreven dat het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In punt 10 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV van Verordening (EG) nr. 853/2004 is bepaald dat karkassen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd mogen zijn en dat elke zichtbare verontreiniging onmiddellijk moet worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Nu uit het rapport van bevindingen blijkt dat er zichtbare verontreiniging met mest is aangetroffen op een reeds gestempeld biggenkarkas in de koelcel na de post-mortemkeuring, zijn de voorschriften uit de hiervoor genoemde punten 7 en 10 overtreden.



3.5.
Ook de stelling van eiseres dat zij in haar mogelijkheden van verweer is beperkt, volgt de rechtbank niet. Eiseres was op de dag van de inspectie op de hoogte dat er een rapport van bevindingen zou worden opgemaakt. Zoals blijkt uit het rapport van bevindingen heeft de toezichthouder al na afloop van de inspectie de bedrijfsleider van eiseres van de bevindingen op de hoogte gesteld en een rapport van bevindingen aangezegd. Dit blijkt ook uit de e-mail van 23 augustus 2021 van de toezichthouder aan de bedrijfsleider van eiseres die als bijlage bij het rapport van bevindingen is gevoegd. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat eiseres in haar mogelijkheden van verweer is beperkt.



3.6.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op basis van het rapport van bevindingen terecht heeft vastgesteld dat eiseres artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 3, eerste lid, in verbinding met bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punten 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 heeft overtreden. Dit betekent dat verweerder bevoegd was eiseres daarvoor een boete op te leggen.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat de cautie niet is gegeven, ook niet bij de hoorzitting. Dit moet worden verdisconteerd in de hoogte van de boete, aldus eiseres.



4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Op pagina 1 van het rapport van bevindingen staat: “Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij: de heer [naam 3] , functie: Bedrijfsleider.” Verder staat op pagina 2 van dit rapport: “Ik bracht de heer [naam 3] , bedrijfsleider van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan.” Uit het rapport van bevindingen blijkt niet dat de toezichthouder [naam 3] heeft verhoord en dat hij verklaringen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de gestelde overtreding heeft afgelegd. Gelet hierop hoefde de toezichthouder niet de cautie aan hem te geven. Voor zover eiseres heeft gesteld dat er bij de hoorzitting geen cautie is gegeven, overweegt de rechtbank dat namens eiseres alleen haar gemachtigde daarbij aanwezig was en er daarom geen reden bestond voor het geven van de cautie bij de hoorzitting.”




Wettelijk kader

3. Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.



Beoordeling van het hoger beroep


Leeswijzer



4.1.
Het College zal de hogerberoepsgronden afzonderlijk bespreken. Daarbij betrekt het College het standpunt van de staatssecretaris. Daarna beoordeelt het College of de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en welke conclusie daaraan moet worden verbonden.


Cautie




4.2
Volgens [naam 1] is haar ten onrechte de cautie niet gegeven. Het College onderschrijft het in rechtsoverweging 4.1 van de uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank dat de toezichthouder de bedrijfsleider bij [naam 1] niet de cautie hoefde te geven, omdat niet blijkt dat de toezichthouder deze medewerker heeft verhoord als bedoeld in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), of dat die medewerker verklaringen wat betreft de gestelde overtreding heeft afgelegd. [naam 1] heeft in hoger beroep niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn, anders dan haar herhaalde stelling dat de cautie niet gegeven zou zijn. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.


Recht op bijstand van een raadsman




4.3
Volgens [naam 1] is zij ook ten onrechte niet gewezen op het recht van bijstand door een gemachtigde. Het College volgt [naam 1] hierin niet. Omdat er geen sprake was van een verhoorsituatie hoefde [naam 1] ook niet te worden gewezen op het recht op bijstand door een raadsman. Het College verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1135, onder 5.2.3. De hogerberoepsgrond slaagt niet.


Is sprake van een overtreding?




4.4

[naam 1] betwist dat sprake is van een overtreding van de hiervoor in 1.2 genoemde wettelijke voorschriften. Daartoe heeft zij aangevoerd dat wat door de staatssecretaris als bezoedeling is gekwalificeerd, dat niet is. Volgens [naam 1] was geen sprake van een zichtbare bezoedeling met mest. De staatssecretaris was dan ook niet bevoegd om daarvoor een boete op te leggen.


4.5
Het College onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4 en 3.6 van de uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank dat sprake is van een overtreding en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. [naam 1] heeft de betwisting van de overtreding in hoger beroep met haar enkele stelling dat wat door de staatssecretaris als bezoedeling is gekwalificeerd, dat niet is, niet onderbouwd. Met de rechtbank ziet het College dan ook geen grond om vraagtekens te zetten bij de juistheid van de waarnemingen van de toezichthouder. De hogerberoepsgrond slaagt niet.


Hoogte van de boete




4.6

[naam 1] voert onder verwijzing naar beleid van de staatssecretaris aan dat de boete had moeten worden gematigd vanwege het tijdsverloop tussen het feitencomplex en het boetebesluit van meer dan zeven maanden. Het College begrijpt hieruit dat [naam 1] zich beroept op het interne beleid van de staatssecretaris voor de situatie waarin de controlebevindingen niet binnen een redelijke termijn aan de overtreder zijn aangezegd. Een ruime overschrijding van die termijn leidt ertoe dat de boete met 10% wordt gematigd. In dit geval is de overtreding op 23 augustus 2021geconstateerd en is op diezelfde dag per e-mail een aanzegging aan [naam 1] gestuurd. Deze e-mail is als bijlage bij het rapport opgenomen. Het College volgt dit betoog van [naam 1] daarom niet. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.


Overschrijding van de redelijke termijn




5.1

[naam 1] doet ten slotte een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank heeft daarmee ten onrechte geen rekening gehouden. [naam 1] heeft verzocht om matiging van de boete wegens (verdere) overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.



5.2
In een bestraffende zaak als de onderhavige geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hoger beroepsfase twee jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.



5.3
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 11 november 2021. Omdat de rechtbank op 10 november 2023 uitspraak heeft gedaan was de redelijke termijn op dat moment niet overschreden. Anders dan [naam 1] betoogt, heeft de rechtbank dus terecht de boete niet gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.



5.4
Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn wel met bijna tien maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan 6 maanden maar minder dan 12 maanden is overschreden matigt het College de boete met 10 % met een maximum van € 2.500 per jaar. Het College ziet aanleiding de boete te matigen met 10% tot een bedrag van € 2.250,-.


Slotsom



6.1
De hogerberoepsgronden slagen niet. De uitspraak van de rechtbank moet vanwege de hiervoor bedoelde overschrijding van de redelijke termijn worden vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft en de rechtbank deze heeft vastgesteld op € 2.500,-. Het College zal het beroep bij de rechtbank gegrond verklaren, het besluit op bezwaar vernietigen wat betreft de hoogte van de boete, het boetebesluit in zoverre herroepen en de hoogte van de boete vaststellen op € 2.250,-. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.



6.2
In verband met het verzoek van [naam 1] tot matiging van de opgelegde boete vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, zal het College de staatssecretaris veroordelen in de daarvoor gemaakte kosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).





Beslissing

Het College:



vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2023 voor zover het de hoogte van de boete betreft;


verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond;


vernietigt het besluit op bezwaar van 12 april 2022 wat betreft de hoogte van de boete;


herroept het boetebesluit in zoverre;


stelt het bedrag van de boete vast op € 2.250,-;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit op bezwaar;


- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [naam 1] , voor een bedrag van € 467,-;
- bepaalt dat de staatssecretaris het bij de rechtbank betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt;
- bepaalt dat de griffier van het College het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- aan [naam 1] terugbetaalt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.





w.g. S.C. Stuldreher w.g. I.S. Post

Bijlage


Verordening (EG) Nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong


Artikel 3
Algemene verplichtingen
1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.
[…]

Bijlage III
Sectie I,
Hoofdstuk IV: Hygiëne bij het slachten

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.
[…]
7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende: a) de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij rituele slachtingen;
b) tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
i. i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en
ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;
c) er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en
d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk of colostrum.
[…]
10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.


Wet dieren


Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen en EU-besluiten
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. […]


Regeling dierlijke producten


Artikel 2.4. Verbodsbepalingen EU-verordeningen
1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
[…]
d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;
[…]
Link naar deze uitspraak