Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:60 
 
Datum uitspraak:17-02-2026
Datum gepubliceerd:17-02-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:23/1068
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:GLB. Randvoorwaardenkorting. Niet voldaan aan merkverplichting (1%) en verboden ingrepen (3%). De minister heeft zich voor de vaststelling van de verboden ingrepen uitsluitend gebaseerd op een verklaring met een van de vennoten, die als onderbouwing ontoereikend is. Niet is gebleken dat de toezichthouders hebben gevraagd of de vennoot de gaten zelf heeft gemaakt, en niet kan worden nagegaan of de gaten al voor aankomst op het bedrijf van de vennootschap in de oren zaten, aangezien het voorkomt dat Duitse runderen bij aankomst in Nederland drie of vier oormerken dragen, zoals de minister heeft erkend. Niet aannemelijk gemaakt dat de vennootschap de verboden ingrepen heeft verricht. Minister was niet bevoegd de randvoorwaardenkorting van 3% op te leggen. Randvoorwaardenkorting van 1% niet betwist.
Trefwoorden:gecombineerde opgave
glb
jonge landbouwers
koeien
landbouw
landbouwbeleid
landbouwer
melkveehouderij
randvoorwaardenkorting
subsidies
Wetreferenties:Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1068

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [naam 1] , te [vestigingsplaats] (vennootschap)
(gemachtigde: mr. A.J. Roos)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. M. Leegsma en mr. E.J.H. Jansen)




Procesverloop

Met het besluit van 6 september 2022 (kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting van 4% vastgesteld op alle door de vennootschap voor het jaar 2021 aangevraagde subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

Met het besluit van 14 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard.

De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 24 november 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de vennootschap [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens de minister zijn gemachtigden, [naam 3] en [naam 4] .



Overwegingen


Inleiding



1.1
De vennootschap exploiteert een melkveehouderij. De vennootschap heeft met de Gecombineerde opgave 2021 onder meer de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers aangevraagd.



1.2
Op 5 augustus 2021 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het bedrijf van de vennootschap gecontroleerd. Van deze controle is onder meer een rapport van 5 augustus 2021 en een proces-verbaal van 31 augustus 2021 op ambtsbelofte opgemaakt. Daarin is vermeld dat bij twaalf runderen van de vennootschap één oormerk ontbrak en dat één rund van de vennootschap merkloos was. Ook is daarin vermeld dat 45 runderen voorzien waren van een derde merk in één van de oren, zijnde een transpondermerk.



1.3
In een bijlage horende bij het proces-verbaal van 31 augustus 2021 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Vervolgens antwoordde verdachte [naam 5] ons het volgende op de door
ons, verbalisanten afwisselend gestelde vragen.

[…]

Vraag: "Hoe is het mogelijk dat er bij diverse runderen een derde ingreep
zichtbaar is?"
Antwoord: "Ik ben nooit van plan geweest om mijn beesten pijn te doen. Het
gaat bij de door u genoemde dieren alleen over de dieren uit Duitsland. Bij het
bijbestellen van deze merken kreeg ik de merken die nu in het oor zitten. Er
was geen mogelijkheid om de transponder bij het Duitse merk in te drukken. Bij
een volgende keer knip ik er een reeds aangebracht merk uit en stop de
transponder dan in het ontstane gat."
Vraag: "Was u op de hoogte van de regelgeving, wat betreft een derde
ingreep?"
Antwoord: "Ik was niet op de hoogte, ik meende dat we het in Nederland liever
niet deden, maar dat het zo streng was, wist ik niet. De volgende keer gaat het
echt anders gebeuren."
Vraag: "In december 2019 is de NVWA ook al een keer hier geweest voor een
inspectie. Waren er toen ook koeien met een derde ingreep?"
Antwoord: "Dat weet ik niet meer. De Duitse koeien zijn bijna allemaal later
gekomen."
Vraag: "Heeft u verder nog iets toe te voegen?"
Antwoord: "Ja! Ik ga opnieuw met de leverancier van de merken bellen. Ik wil
het graag goed doen en ik wil graag de beesten blijven herkennen. Het is
belangrijk voor mij dat er in beide oren een duidelijk zichtbaar merk aanwezig
is"”



1.4
Met het kortingsbesluit heeft de minister aan de vennootschap een randvoorwaardenkorting van in totaal 4% opgelegd wegens niet-naleving van een tweetal randvoorwaarden. Volgens de minister heeft de vennootschap niet voldaan aan de randvoorwaarde dat de houder er zorg voor draagt dat de merken aan of in de dieren die hij houdt, bevestigd, onderscheidenlijk aanwezig blijven. Daarvoor heeft de minister een korting van 1% opgelegd. Ook heeft de vennootschap volgens de minister niet voldaan aan de randvoorwaarde dat zij geen verboden lichamelijke ingrepen bij dieren uitvoert. Daarvoor heeft de minister een korting van 3% opgelegd. Met het bestreden besluit heeft de minister het kortingsbesluit gehandhaafd.


Standpunten van partijen




2.1
De vennootschap betwist niet langer dat zij niet heeft voldaan aan de randvoorwaarde waarvoor een korting van 1% is opgelegd, maar is het niet eens met de randvoorwaardenkorting van 3% die is opgelegd voor verboden lichamelijke ingrepen. Volgens de vennootschap heeft zij geen lichamelijke ingrepen uitgevoerd. Op het moment dat de runderen uit Duitsland werden aangevoerd op het bedrijf van de vennootschap, hadden de runderen drie merken in de oren. De bedrijfsspecifieke transpondermerken zijn daarna door de vennootschap in al bestaande gaten aangebracht. Aan de verklaring van [naam 5] op basis waarvan de minister heeft geconcludeerd dat de vennootschap zelf een nieuw gat heeft gemaakt om het transpondermerk aan te brengen, heeft de minister volgens de vennootschap een verkeerde uitleg gegeven. Daarnaast heeft de vennootschap een (niet gemotiveerd) mondeling vonnis overgelegd, waaruit blijkt dat de vennootschap strafrechtelijk is vrijgesproken van het verrichten van deze verboden lichamelijke ingrepen.



2.2
Volgens de minister heeft [naam 5] de gang van zaken in de verklaring duidelijk geschetst, en blijkt uit die verklaring dat de vennootschap de verboden ingrepen heeft verricht. De toezichthouder van de NVWA heeft de door hem genoteerde verklaring aan [naam 5] voorgelezen en hij heeft vervolgens aangegeven daaraan niks te willen toevoegen. Volgens de minister is niet gebleken dat de verklaring onjuist is. De minister erkent dat het voorkomt dat Duitse runderen bij aankomst in Nederland drie of vier oormerken dragen, maar volgens de minister is dat niet per definitie het geval. De vennootschap heeft niet aangetoond dat deze situatie zich in dit geval voordeed en dat de transponders zijn aangebracht in bestaande gaten.


Beoordeling van het beroep




3.1
Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. In bijlage II wordt onder meer verwezen naar artikel 4 van Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (RBE 13). Deze beheerseis was in Nederland ten tijde van belang onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling en bijlage 3, punt 13.23 bij de Uitvoeringsregeling, waarin wordt verwezen naar artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met het tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Wet dieren en Hoofdstuk 2 van het Besluit diergeneeskundigen. Deze bepalingen, in samenhang gelezen, zien op het verbod lichamelijke ingrepen bij een dier tenzij dit in bepaalde – hier niet aan de orde zijnde – gevallen onder voorwaarden is toegestaan.



3.2
Op grond van de hiervoor weergegeven bepalingen is de betaling van het volledige bedrag van de door de landbouwer aangevraagde landbouwsteun afhankelijk gesteld van de naleving van randvoorwaarden. Bij niet-naleving van deze randvoorwaardenwordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.

4 De minister heeft zich voor de vaststelling dat de vennootschap de verboden ingrepen heeft verricht uitsluitend gebaseerd op de door [naam 5] ten overstaan van de toezichthouders afgelegde verklaring. Het College acht deze verklaring als onderbouwing ontoereikend, onder meer omdat niet is gebleken dat de toezichthouders de meest voor de hand liggende vraag aan [naam 5] hebben gesteld, namelijk of hij de gaten zelf heeft gemaakt. Ook is niet gebleken dat de toezichthouders hebben onderzocht of en wanneer de runderen uit Duitsland zijn gekomen, en evenmin dat zij onderzoek hebben verricht naar de ouderdom van de gaten. Daardoor kan niet worden nagegaan of de drie gaten al voor aankomst op het bedrijf van de vennootschap in de oren zaten. Het komt namelijk voor dat Duitse runderen bij aankomst in Nederland al drie oormerken dragen, zoals de minister heeft erkend. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap de verboden ingrepen heeft verricht.

5 Uit het voorgaande volgt dat de minister ten onrechte heeft vastgesteld dat de vennootschap het verbod lichamelijke ingrepen bij dieren uit te voeren niet heeft nageleefd. De minister was dan ook niet bevoegd daarvoor een randvoorwaardenkorting van 3% op te leggen. De minister was wel bevoegd om aan de vennootschap de niet betwiste korting van 1% op te leggen.


Slotsom




6.1
Het College zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het kortingsbesluit te herroepen en de randvoorwaardenkorting vast te stellen op 1% van alle GLB-subsidies die de vennootschap in 2021 heeft aangevraagd.



6.2
Het College zal de minister veroordelen in de door de vennootschap gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1). De in bezwaar gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand stelt het College vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van een hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).




Beslissing

Het College:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


herroept het kortingsbesluit;


stelt de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2021 vast op 1% van alle GLB-subsidies die de vennootschap voor dat jaar heeft aangevraagd;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de vennootschap te vergoeden;


- veroordeelt de minister in de proceskosten van de vennootschap tot een bedrag van € 3.200,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. A. van Gijzen en mr. C.C.W. Lange, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.





w.g. S.C. Stuldreher w.g. R.H. Verheijen
Link naar deze uitspraak