|
|
|
| ECLI:NL:CG:2026:12 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-09-2026 | | Instantie | : | Centrale Grondkamer | | Zaaknummers | : | GP 11.856 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Centrale Grondkamer, pachtrecht
Artikel 7:319 BW
De grondkamer heeft de pachtovereenkomst getoetst die is vastgelegd in het verstekvonnis. Het verstekvonnis is inmiddels achterhaald door het verzetvonnis en het arrest van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De in het verstekvonnis vastgelegde pachtovereenkomst is vernietigd. Pachter niet-ontvankelijk. | | Trefwoorden | : | grondkamer | | | landbouwgrond | | | pachtkamer | | | perceel | | | | Uitspraak | CENTRALE GRONDKAMER
Datum: 3 september 2026
Dossiernummer: GP 11.856
Beschikking
in de zaak van:
[pachter],
wonend in [woonplaats 1], gemeente [gemeente],
hierna te noemen: pachter,
gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen,
-tegen-
1[verpachter sub 1],
wonend in [woonplaats 2],
2. [verpachter sub 2],
wonend in [woonplaats 3],
3. [verpachter sub 3],
wonend in [woonplaats 3],
4. [verpachter sub 4],
wonend in [woonplaats 3],
5. [verpachter sub 5],
wonend in [woonplaats 3],
hierna te noemen: verpachters,
gemachtigden: mrs. S. Jansen en D.A. Bates.
De beslissing van de Centrale Grondkamer in het kort
De grondkamer heeft goedkeuring verleend van de kortere duur van de door de pachtkamer in het verstekvonnis van 14 juni 2023 vastgelegde pachtovereenkomst en de door de pachtkamer vastgelegde reguliere pachtovereenkomst goedgekeurd.
Pachter is het niet eens met deze beslissing en wil dat de pachtovereenkomst geldt voor de wettelijke duur van zes jaren. Verpachters hebben hiertegen verweer gevoerd.
De Centrale Grondkamer constateert dat het verstekvonnis van de pachtkamer van 14 juni 2023 inmiddels is achterhaald door het verzetvonnis en het arrest van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De in het verstekvonnis vastgelegde pachtovereenkomst is vernietigd. De Centrale Grondkamer verklaart pachter niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep. Voor de door verpachters verzochte proceskostenveroordeling is in een procedure zoals deze geen plaats.
Hierna legt de Centrale Grondkamer de beslissing uit. Eerst beschrijft de Centrale Grondkamer onder 1. en 2. wat er in de procedure bij de grondkamer en in de procedure bij de Centrale Grondkamer is gebeurd. Onder 3. staan de redenen voor de beslissing. Onder 4. staat de beslissing in juridische woorden.
1De procedures bij de pachtkamer en de grondkamer
1.1.
In het verstekvonnis van 14 juni 2023 heeft de pachtkamer in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond (hierna: de pachtkamer), schriftelijk vastgelegd dat tussen partijen een pachtovereenkomst geldt, waarbij het perceel landbouwgrond staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend als gemeente [gemeente in de provincie Limburg], [kadastrale aanduiding], groot 3.38.06 ha aan pachter is verpacht met ingang van 1 april 2022 voor de duur van een jaar met een pachtprijs van € 1.500,- per jaar.
1.2.
De griffier van de rechtbank heeft dit vonnis ter goedkeuring naar de grondkamer Zuid gestuurd. De grondkamer heeft in de beschikking van 15 december 2023 goedkeuring verleend aan het verpachten van het object voor de periode van één jaar, eindigend 1 april 2023 en heeft de door de pachtrechter vastgelegde reguliere pachtovereenkomst goedgekeurd. Een afschrift van die beschikking is aan partijen verzonden op 22 december 2023 en is in kopie aan deze beschikking gehecht. Naar de beschikking van de grondkamer wordt verwezen voor de procedure bij de grondkamer en de aan de beschikking ten grondslag gelegde motivering.
2De procedure bij de Centrale Grondkamer
2.1.
Pachter is met een beroepschrift dat de Centrale Grondkamer op 19 januari 2024 heeft ontvangen in beroep gegaan tegen de beschikking van de grondkamer. Pachter heeft zijn beroepschrift aangevuld bij brief van 11 maart 2024. Pachter heeft de Centrale Grondkamer verzocht de beschikking van de grondkamer te vernietigen en te bepalen dat sprake is van een reguliere pachtovereenkomst voor los land, zodat de duur van de pacht zes jaren bedraagt. Daarnaast vraagt pachter om verpachters te veroordelen in de proceskosten en griffierechten.
2.2.
Verpachters hebben hiertegen verweer gevoerd met een verweerschrift dat de Centrale Grondkamer op 24 mei 2024 heeft ontvangen. Verpachters hebben meegedeeld dat zij het eens zijn met de beslissing van de grondkamer. Verpachters hebben verzocht de beschikking van de grondkamer in stand te laten en pachter in de kosten van deze procedure te veroordelen.
2.3.
De Centrale Grondkamer heeft verder nog de volgende informatie ontvangen:
een e-mail van verpachters van 2 juli 2024 met bijlage;
een brief van pachter van 17 juli 2024;
een brief van verpachters van 31 juli 2024;
een e-mail van verpachters van 13 maart 2026;
een brief van pachter van 18 maart 2026.
3De redenen voor de beslissing
3.1.
De grondkamer heeft de pachtovereenkomst getoetst die in het verstekvonnis van 14 juni 2023 is vastgelegd. Na afronding van de procedure bij de grondkamer is echter het tegen het verstekvonnis aangetekende verzet behandeld. De Centrale Grondkamer heeft de verdere behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitkomsten van deze verzetsprocedure en de daarop volgende hoger beroepsprocedure.
3.2.
De verzetsprocedure heeft uiteindelijk geleid tot het vonnis van 26 juni 2024, waarbij de pachtkamer het verstekvonnis van 14 juni 2023 heeft vernietigd en een reguliere pachtovereenkomst op de voet van artikel 7:317 BW heeft vastgelegd, waarbij [verpachter] als verpachter aan [pachter] als pachter verpacht een perceel landbouwgrond, staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Limburg], [kadastrale aanduiding], groot 3.38.06 hectare. De pachtovereenkomst is aangegaan met ingang van 1 januari 2013 voor de duur van zes jaar met een pachtprijs van € 1.500,- per jaar. Verder heeft de pachtkamer de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst ontbonden.
3.3.
De pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in het arrest van 27 januari 2026 het vonnis van de pachtkamer van 26 juni 2024 bekrachtigd.
3.4.
De Centrale Grondkamer ziet in deze feiten en omstandigheden aanleiding om pachter niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep. De grondkamer heeft immers de pachtovereenkomst getoetst die is vastgelegd in het verstekvonnis van 14 juni 2023. Dit verstekvonnis is inmiddels vernietigd. Dat betekent dat de pachtovereenkomst niet meer bestaat en ook geacht wordt nooit te hebben bestaan. Aangezien er geen pachtovereenkomst meer is die kan worden getoetst, zal de Centrale Grondkamer pachter niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep. De Centrale Grondkamer gaat ervan uit dat de beslissing van de grondkamer geen rechtskracht heeft en partijen niet bindt.
3.5.
In het verzetvonnis van 26 juni 2024, bekrachtigd in het arrest van 27 januari 2026, is een andere pachtovereenkomst vastgelegd. Het verzetvonnis is op basis van de daarin opgenomen beslissing onder 5.5. aan de grondkamer verzonden. De Centrale Grondkamer gaat ervan uit dat deze pachtovereenkomst inmiddels ter goedkeuring voorligt bij de grondkamer.
3.6.
Voor een kostenveroordeling bestaat in een procedure zoals deze geen wettelijke grond.
4De beslissing
De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
verklaart pachter niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven op 3 september 2026 door mrs. M.S.A. van Dam, S.C.P. Giesen en J.H. Kuiper en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en H.W.J. van Schooten, in tegenwoordigheid van mr. M. Knipping-Verbeek als griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|