Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CG:2026:5 
 
Datum uitspraak:26-03-2026
Datum gepubliceerd:09-07-2026
Instantie:Centrale Grondkamer
Zaaknummers:GP 11.866
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Centrale Grondkamer, pachtrecht Artikel 7:348 BW Wens van pachter om tuin te verplaatsen in verband met de aanleg van nieuwe hoogspanningsmasten begrijpelijk. De verandering van een deel van het gepachte perceel in tuin is echter niet noodzakelijk voor een doelmatig gebruik van het gepachte.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
grondkamer
pachtkamer
perceel
 
Uitspraak
CENTRALE GRONDKAMER


Datum: 26 maart 2026
Dossiernummer: GP 11.866











Beschikking


in de zaak van:



[pachter 1]

en

[pachter 2],
beiden wonend in [woonplaats], gemeente [gemeente],
hierna te noemen: pachters,
gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, van Van Beek Legal in Made,


-tegen-



Staat der Nederlanden, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf, Directie Vastgoed, Regionale directie Zuid, zetelend in Den Haag, kantoorhoudend in Breda,
hierna te noemen: verpachtster,
gemachtigde: mr. S.J. van Baasbank, advocaat bij het Ministerie van BZK in Den Haag.






De beslissing van de Centrale Grondkamer in het kort


Pachters hebben de grondkamer een machtiging tot het aanbrengen van veranderingen aan het gepachte verzocht. De grondkamer heeft dit verzoek afgewezen. Daar zijn pachters het niet mee eens. De verzoeken van pachters in beroep bij de Centrale Grondkamer komen erop neer dat zij alsnog een machtiging tot het aanbrengen van veranderingen aan het gepachte willen.

De Centrale Grondkamer wijst de verzoeken van pachters af.

Hierna legt de Centrale Grondkamer de beslissing uit. Eerst beschrijft de Centrale Grondkamer onder 1. en 2. wat er in de procedure bij de grondkamer en in de procedure bij de Centrale Grondkamer is gebeurd. Onder 3. staan de redenen voor de beslissing. Onder 4. staat de beslissing in juridische woorden.




1De procedure bij de grondkamer

1.1.
Uit de goedgekeurde akte van medepacht van 22 april 2014 volgt dat verpachtster aan pachters heeft verpacht een perceel bouw- en/of grasland, gelegen op de hoek van de [adres 1] en [adres 2] te [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduidingen], totaal groot 15.64.55 ha. Het gepachte is gelegen tegen het agrarisch bouwblok met daarop de bedrijfswoning, tuin, erf en bedrijfsgebouwen van [pachter 2].



1.2.
Pachters hebben een machtiging tot het aanbrengen van veranderingen van het gepachte gevraagd, waarbij het westelijk deel van het perceel met een oppervlakte van circa 30 are wordt veranderd van weiland in tuin. Het verzoek van pachters is een verzoek zoals is bedoeld in artikel 7:348 BW. De grondkamer Zuid (hierna: de grondkamer) heeft het verzoek op 19 maart 2024 ontvangen en geregistreerd.



1.3.
De grondkamer heeft in de beschikking van 14 maart 2025 het verzoek van pachters afgewezen.



1.4.
Een afschrift van die beschikking is aan partijen verzonden op 15 mei 2025 en is in fotokopie aan deze beschikking gehecht. Naar de beschikking van de grondkamer wordt verwezen voor de procedure bij de grondkamer en de aan de beschikking ten grondslag gelegde motivering.






2De procedure bij de Centrale Grondkamer


2.1.
Pachters zijn met een beroepschrift dat de Centrale Grondkamer op 10 juni 2025 heeft ontvangen in beroep gegaan tegen de beschikking van de grondkamer. Pachters hebben de Centrale Grondkamer verzocht de beschikking van de grondkamer te vernietigen en:



primair: te verklaren dat de ‘tenzij clausule’ van artikel 7:348 lid 1 BW van toepassing is, waardoor pachters geen machtiging nodig hebben voor de door hen voorgestane wijziging van het gepachte;



subsidiair: pachters te machtigen om het westelijk gedeelte van het perceel met een oppervlakte van circa 30 are te veranderen van weiland in tuin, waarbij binnen de grenzen van het in westelijke richting gewijzigd bouwvlak gebleven wordt;



primair en subsidiair: verpachtster te veroordelen in de kosten van de procedure bij de grondkamer en de procedure bij de Centrale Grondkamer.





2.2.
Verpachtster heeft hiertegen verweer gevoerd met een verweerschrift dat de Centrale Grondkamer op 15 juli 2025 heeft ontvangen. Verpachtster heeft gevraagd de verzoeken van pachters af te wijzen en de beschikking van de grondkamer in stand te laten.



2.3.
De mondelinge behandeling bij de Centrale Grondkamer heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Aanwezig waren:


de heer [pachter 2] namens pachters vergezeld van de heer [adviseur van pachter] (adviseur), bijgestaan door zijn gemachtigde;


de heer [aanwezige 1 namens verpachtster], mevrouw [aanwezige 2], de heer [aanwezige 3], de heer [aanwezige 4] en mevrouw [aanwezige 5] namens verpachtster, bijgestaan door de advocaat van verpachtster.


Mr. Van Beek heeft het standpunt van pachters toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.








3De redenen voor de beslissing


3.1.
In deze zaak is het volgende van belang. In 2022 is door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een besluit genomen over de aanleg van nieuwe hoogspanningsmasten. Deze nieuwe hoogspanningsverbinding is op relatief korte afstand van het bedrijf van pachters geplaatst. Als gevolg hiervan is een deel van de tuin van pachters niet meer bruikbaar, omdat dit binnen het magneetveld valt en Tennet het beleid voert om gevoelige objecten (zoals een tuin) binnen een magneetveld te saneren. Pachters hebben geprobeerd met verpachtster afspraken te maken over de verplaatsing van hun tuin naar een deel van het perceel dat zij in pacht hebben. Het overleg tussen partijen heeft echter niet tot overeenstemming geleid. In de procedure bij de Centrale Grondkamer ligt alleen de vraag voor of aan pachters een machtiging moet worden verleend om een deel van het gepachte land te veranderen in tuin.



3.2.
De Centrale Grondkamer stelt voorop dat de door pachters verzochte verandering moet worden aangemerkt als een bestemmingswijziging waarvoor toestemming nodig is. In artikel 7:348 BW staat, kort samengevat, het volgende:


pachter mag het gepachte alleen veranderen met toestemming van verpachter, tenzij het gaat om veranderingen die aan het einde van de pacht zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen worden gemaakt en verwijderd;


als verpachter geen toestemming verleend, kan pachter aan de grondkamer machtiging vragen voor het aanbrengen van de veranderingen;


de grondkamer verleent de machtiging alleen als de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gepachte door de pachter en als er geen zwaarwichtige bezwaren bij de verpachter zijn die zich tegen de veranderingen verzetten.





3.3.
Pachters stellen zich primair op het standpunt dat geen toestemming nodig is, omdat zij de veranderingen bij het einde van de pacht zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen maken en kunnen verwijderen. Zij vragen de Centrale Grondkamer om dit in een verklaring voor recht te bepalen. De Centrale Grondkamer is echter niet bevoegd om een verklaring voor recht te geven. Beantwoording van die vraag is voorbehouden aan de pachtkamer. Pachters zijn dan ook niet-ontvankelijk in dat verzoek.



3.4.
Partijen verschillen van mening of een deel van het gepachte land inmiddels al in gebruik is als tuin. Omdat dit voor de uitkomst van de zaak niet van belang is, zal de Centrale Grondkamer in het midden laten of pachters de verandering wel of niet hebben aangebracht. Dat geldt ook voor de discussies over het bedrijfsmatig gebruik en de door de Staat gestarte ontbindingsprocedure.



3.5.
De Centrale Grondkamer moet beoordelen of de gevraagde veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gepachte. Pachters hebben in dat kader aangevoerd dat zij hebben meegewerkt aan de plaatsing van hoogspanningskabels in de buurt van hun bedrijf, maar dat de overheid hen nu op geen enkele manier tegemoet wil komen. Pachters hadden een ruime tuin, maar zij kunnen door het magneetveld van de hoogspanningskabels een deel van hun tuin nu niet meer gebruiken. Hierdoor is het levensgenot beperkt. Als pachters zouden moeten verhuizen, zou het gebruik van het land op afstand ondoelmatig zijn.



3.6.
De Centrale Grondkamer stelt vast dat slechts een deel van de tuin in het magneetveld valt en daardoor onbruikbaar is als tuin. Niet valt in te zien dat pachter vanwege het verlies van een deel van de tuin het gepachte vanuit zijn bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen niet meer bedrijfsmatig zou kunnen exploiteren. Pachter is, zo heeft hij ter zitting verklaard, niet van plan om te verhuizen. Uit de stukken volgt ook niet dat hij daartoe gedwongen is. Hoewel de wens van pachter om de tuin te verplaatsen zodat deze eenzelfde bruikbare oppervlakte houdt begrijpelijk is, is het de Centrale Grondkamer niet gebleken dat de verandering van een deel van het gepachte perceel in tuin noodzakelijk is voor een doelmatig gebruik van het gepachte. Het (subsidiaire) verzoek van pachters zal daarom worden afgewezen.



3.7.
De Centrale Grondkamer zal de beslissing van de grondkamer in stand laten (bekrachtigen).



3.8.
Pachters hebben gevraagd om verpachtster te veroordelen in de kosten van deze procedure. Voor een veroordeling in de kosten is in een procedure als deze echter geen plaats.







4De beslissing

De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:

verklaart pachters niet-ontvankelijk in hun verzoek om een verklaring voor recht te geven;

bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven op 26 maart 2026 door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en S.C.P. Giesen en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en ir. J.H. Jurrius, in tegenwoordigheid van mr. M. Knipping-Verbeek als griffier.
Link naar deze uitspraak