Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1006 
 
Datum uitspraak:04-08-2026
Datum gepubliceerd:12-08-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:24/481 NIOAW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing verzoek om terug te komen van eerder besluit. Toekenning IOAW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg. Geen kostgangersrelatie. Niet in geschil is dat appellanten ten tijde van belang hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant. Er bestaat verder voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de Svb dat ten tijde hier van belang sprake was van wederzijdse zorg. De financiële verstrengeling tussen appellanten ging veel verder dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Er was daarnaast ook geen sprake van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Zo was sprake van zorgelementen over en weer die niet in de kostgangersovereenkomst staan en zorgverlening van appellante aan appellant die verder gaan dan is afgesproken. De toekenning van het IOAW-uitkering naar de norm voor gehuwden blijft dus in stand.
Trefwoorden:levensonderhoud
uitkering
 
Uitspraak
24/481 NIOAW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 februari 2024, 22/2810, 22/2824, 22/2825, 22/2826 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (college)






Datum uitspraak: 4 augustus 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een eerder besluit om aan appellanten een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) toe te kennen naar de norm voor gehuwden. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren in de woning van appellant. Appellanten voeren aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden, omdat geen sprake was van wederzijdse zorg en omdat zij een kostgangersovereenkomst hebben gesloten. Appellanten krijgen geen gelijk.




PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.P. van Soest-Aerts.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.
Appellant ontving vanaf 17 augustus 2021 een uitkering ingevolge de IOAW, naar de grondslag voor een alleenstaande.


1.2.
Met ingang van 5 oktober 2021 is appellante, de zus van appellant, bij hem op het uitkeringsadres komen wonen. Op 4 november 2021 heeft appellante een IOAW-uitkering aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een medewerker van de gemeente een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellanten ingesteld. In dat kader heeft de medewerker op 5 november 2021 een gesprek gevoerd met appellanten om hun woonsituatie te beoordelen. De onderzoeksresultaten staan in een rapportage heronderzoek van 8 november 2021.


1.3.
Met een besluit van 10 november 2021 heeft het college aan appellante met ingang van 5 oktober 2021 een IOAW-uitkering naar de norm voor een gehuwde toegekend. Met een besluit van eveneens 10 november 2021 heeft het college de IOAW-uitkering van appellant gewijzigd naar de norm voor een gehuwde. Daaraan ligt ten grondslag dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren.


1.4.
Op 13 december 2021 hebben appellanten een kostgangersovereenkomst opgesteld. In deze overeenkomst staat onder meer dat appellante € 450,- zal bijdragen in de kosten van de huishouding, dat appellante gebruik mag maken van alle ruimten en sanitaire voorzieningen in de woning, dat de was van appellante zal worden gedaan door zowel appellante als appellant en dat appellanten zullen zorgdragen voor het doen van de boodschappen en het bereiden van het avondeten voor alle bewoners van de woning. Ook staat in deze overeenkomst dat appellante gebruik mag maken van de telefoon en het internet en dat als achteraf blijkt dat de kosten hiervan door gebruik van appellante hoger zijn dan voorheen, appellant aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten.


1.5.
De bewindvoerder van appellanten heeft op 15 februari 2022 de kostgangersovereenkomst naar de betrokken klantmanager gestuurd in het kader van een, in hoger beroep niet meer voorliggende, aanvraag om bijzondere bijstand. Het college heeft deze aanvraag mede opgevat als een verzoek om herziening van de besluiten van 10 november 2021.


1.6.
Op 10 maart 2022 heeft een medewerker van de gemeente opnieuw een gesprek gevoerd met appellanten. Omdat nog niet duidelijk is waarom en met welke bedoeling achteraf de kostgangersregeling is opgesteld, heeft de medewerker schriftelijk een aantal vragen aan appellanten gesteld over hun woonsituatie. De bewindvoerder heeft hierop namens appellanten gereageerd. De onderzoeksresultaten staan in een rapportage heronderzoek van 25 maart 2022.


1.7.
Met een besluit van 3 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 oktober 2022 (bestreden besluit), heeft het college de IOAW-uitkering naar de grondslag voor gehuwden ongewijzigd voortgezet, omdat appellanten nog steeds een gezamenlijke huishouding voeren.


Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het standpunt van appellanten


3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het ongewijzigd voortzetten van de IOAW-uitkering naar de grondslag voor gehuwden in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1.
Zoals is besproken ter zitting van de Raad gaat het hier om de afwijzing van een verzoek om herziening van de besluiten van 10 november 2021. Appellanten willen met hun verzoek bereiken dat aan hen een IOAW-uitkering naar de grondslag van een alleenstaande wordt toegekend. Het college heeft dit verzoek inhoudelijk beoordeeld.


4.2.
Op grond van artikel 3, derde lid, van de IOAW, is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Niet in geschil is dat appellanten ten tijde van belang hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant.

4.2.1.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden, worden betrokken.


4.2.2.
De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.



4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat geen sprake is van wederzijdse zorg. Zij heeft met appellant een kostgangersrelatie wat ook uit de kostgangersovereenkomst van 13 december 2021 blijkt. Verder verleende appellante zorg aan appellant, maar zijn er geen zorgelementen van appellant richting haar geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college dat, ten tijde hier van belang, sprake was van wederzijdse zorg. Hiertoe is het volgende van belang.


4.4.
Anders dan appellante stelt, is het niet zo dat financiële verstrengeling tussen haar en appellant ontbreekt en ook niet dat sprake is van een zuiver zakelijke kostgangersrelatie. Dat wordt hierna toegelicht.

4.4.1.
Voorop staat dat appellante geen vergoeding betaalde voor het mede kunnen gebruiken van de woning van appellant. Zij betaalde dus geen huurkosten en woonde in zoverre dus gratis in de woning van appellant. De zorg- en verzekeringskosten betaalden appellanten ieder voor zich. Uit de verklaring van appellante tijdens het gesprek op 10 maart 2022 en de toelichting ter zitting volgt dat appellante aan appellant per maand een onkostenvergoeding van € 450,- per maand betaalde voor overige kosten van levensonderhoud van hen beiden. Dit was het bedrag dat appellante kon missen en was niet gebaseerd op daadwerkelijk door haar gemaakte kosten. Met dit bedrag werd bijgedragen aan het betalen van de overige woonlasten en de kosten voor boodschappen voor hen beiden. Er was geen sprake van gescheiden portemonnees, al het geld kwam in de huishoudpot terecht, dat door appellant werd beheerd. Niet werd bijgehouden wie welke kosten maakte. Alle kosten boven de bijdragen van appellante werden gedragen door appellant, zonder dat nog verdere verrekening met appellante plaatsvond. Hieruit volgt dat sprake was van financiële verstrengeling tussen appellanten die veel verder ging dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. De vergelijking met de ter zitting besproken uitspraken van de Raad van 10 juni 2014 en van 3 maart 2015, gaat dus niet op omdat in die zaken wel vaststond dat er geen sprake was van financiële verstrengeling tussen betrokkenen.


4.4.2.
Er was ook geen sprake van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Om een kostgangersrelatie aan te nemen dient de economische verhouding tussen kostgever en kostganger beheerst te worden door zakelijke elementen. De prestaties die over en weer worden verleend, dienen te zijn vastgesteld in een contract en voor de kost en inwoning die wordt verschaft zal een commerciële prijs moeten worden betaald waarvan controleerbare betaalgegevens kunnen worden overgelegd. De op 13 december 2021 opgestelde kostgangersovereenkomst voldoet hier niet aan. Zoals hiervoor al is overwogen, betaalde appellante voor de inwoning die aan haar werd verschaft geen vergoeding aan appellant. De reden hiervoor, dat appellant geen hypotheekkosten meer had, doet aan dit gegeven niet af. Ook werd de vergoeding die appellante wel betaalde, die bestemd was voor ‘kost’ van haar, niet geïndexeerd.


4.4.3.
Daarnaast is sprake van zorgelementen over en weer die niet in de kostgangersovereenkomst staan en zorgverlening van appellante aan appellant die verder gaat dan is afgesproken. Anders dan in de overeenkomst was afgesproken kookt alleen appellante en doet alleen zij de was. Er is ook sprake van zorgelementen over en weer die niet in de overeenkomst zijn opgenomen, namelijk dat appellante de gehele woning schoonhoudt, appellant de klusjes in huis verricht en de huishoudpot beheert en de boodschappen betaalt. Ook doen zij samen boodschappen op de fiets, omdat appellante dat niet alleen kan doen.





Conclusie en gevolgen


4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de voortzetting van de IOAW-uitkering naar de grondslag voor gehuwden in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.





(getekend) E.C.E. Marechal





De griffier is verhinderd te ondertekenen


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.


ECLI:NL:CRVB:2014:1974 en ECLI:NL:CRVB:2015:645.


Zie de uitspraak van de Raad van 7 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2163 en van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2327.
Link naar deze uitspraak