Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1077 
 
Datum uitspraak:12-08-2026
Datum gepubliceerd:31-08-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/139 TW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Vaststelling hoogte WIA-dagloon. Referteperiode. Geen toepassing evenredigheidsbeginsel. De inkomsten uit stage moeten worden betrokken bij de berekening van het dagloon op grond van artikel 16 van het Dagloonbesluit. Het Uwv heeft de regels voor de berekening van het WIA-dagloon op de juiste manier toegepast.
Trefwoorden:dagloon
uitkering
wao
 
Uitspraak
25/139 TW, 25/140 TW



Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 december 2024, 24/1086, 24/1090 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)






Datum uitspraak: 12 augustus 2026

SAMENVATTING

In deze zaak heeft het Uwv met toepassing van de dagloonregels het dagloon van de per 17 juli 2023 aan appellante toegekende WIAuitkering vastgesteld op € 58,08. Appellante heeft aangevoerd dat de strikte toepassing van de dagloonregels in haar geval wegens bijzondere omstandigheden leidt tot een onevenredige uitkomst. Zij heeft daarom gesteld dat de tijdens de referteperiode genoten inkomsten uit haar stage en bijbanen tijdens haar studie buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de berekening van haar dagloon, en dat uitsluitend betrokken moeten worden de inkomsten uit haar laatste dienstbetrekking als trainee. De Raad volgt appellante hierin niet en komt tot het oordeel dat het dagloon juist is vastgesteld.




PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft verweerschriften en een nader stuk ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klaassen en door haar vader [naam vader] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Appellante was sinds 12 april 2021 werkzaam als beleidsmedewerker (energie trainee) bij [werkgever 1] voor gemiddeld 35,56 uur per week. Op 19 juli 2021 heeft appellante zich ziekgemeld.


1.1.
Het Uwv heeft appellante bij besluit van 17 juli 2023 met ingang van die datum een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. In dit besluit is het (geïndexeerde) WIAdagloon vastgesteld op € 58,08 en het daarop gebaseerde WIAmaandloon op € 1.263,24. Het Uwv is hierbij uitgegaan van het in de referteperiode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021 ontvangen svloon.



1.2.
Met een beslissing op bezwaar van 16 januari 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juli 2023 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de eerste ziektedag van appellante 19 juli 2021 is, zodat de referteperiode loopt van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021. In deze periode was sprake van vier dienstverbanden ( [werkgever 1] , [naam B.V. 1] ., [naam B.V. 2] en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) waaruit appellante svloon ontving. Op basis van deze inkomsten is het dagloon correct vastgesteld op € 58,08. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante niet kan worden aangemerkt als starter in de zin van artikel 18 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), omdat zij in het eerste volledige aangiftetijdvak van de referteperiode loon heeft genoten. Het Uwv heeft gewezen op rechtspraak van deze Raad en heeft gesteld dat er geen ruimte is om artikel 18 van het Dagloonbesluit ruim op te vatten en appellante alsnog als starter aan te merken.


1.3.
Appellante heeft een toeslag op haar WIAuitkering aangevraagd. Bij besluit van 1 september 2023 heeft het Uwv appellante vanaf 17 juli 2023 een toeslag op de WIAuitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend van € 13,44 bruto per dag en vanaf 17 september 2023 van € 16,13 bruto per dag.



1.4.
Met een beslissing op bezwaar van 16 januari 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 september 2023 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft met een berekening toegelicht dat de toeslag juist is vastgesteld. Nu (uit bestreden besluit 1) is gebleken dat het WIAdagloon juist is vastgesteld is er ook geen aanleiding om de toeslag te herzien.



Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.



2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de inkomsten uit stage moeten worden betrokken bij de berekening van het dagloon op grond van artikel 16 van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat appellante iedere maand in het refertejaar inkomsten had. Daarmee is volgens de rechtbank geen sprake van loonloze tijdvakken die op grond van de uitspraak van 30 juli 2024 van deze Raad buiten beschouwing moeten worden gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv de regels voor de berekening van het WIAdagloon dus op de juiste manier heeft toegepast. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of het toepassen van deze regels onevenredig uitpakt voor appellante.



2.2.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat bestreden besluit 1 niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel is genomen, omdat het in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is voor appellante. Dat heeft de rechtbank als volgt gemotiveerd.


2.2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat de WIAuitkering van appellante (veel) lager is dan het loon dat zij verdiende toen zij ziek werd. Het dagloon van appellante zou hoger zijn als zij niet had gewerkt tijdens haar studie en onder de startersregeling uit artikel 18 van het Dagloonbesluit zou vallen. Appellante is nog jong en volledig arbeidsongeschikt. Daar heeft zij uiteraard niet zelf voor gekozen. Appellante heeft op de zitting toegelicht dat het voor haar moeilijk is om rond te komen in deze dure tijd, dat zij voor grotere uitgaven afhankelijk is van haar ouders en dat zij zich grote zorgen maakt over de toekomst.



2.2.2.
Tegelijkertijd heeft de rechtbank overwogen dat het dagloon wordt vastgesteld op basis van al het verdiende loon in het refertejaar, en dat daar bij hoort dat periodes waarin minder loon is genoten zorgen voor een lager dagloon. Het is duidelijk dat de gevolgen voor appellante nadelig zijn: zij moet rondkomen van een veel lager bedrag dan toen zij nog werkte als beleidsmedewerker (trainee). Maar dit is volgens de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat het bestreden besluit onevenredig is. Dat kan alleen in heel bijzondere gevallen, en daar is hier geen sprake van.



2.2.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat bestreden besluit 1 dus niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel is genomen, dat het beroep tegen dit besluit ongegrond is en dat het dagloon € 58,08 blijft.




2.3.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante ook beroep heeft ingesteld tegen bestreden besluit 2, waarbij het Uwv heeft beslist dat de hoogte van de aan appellante toegekende toeslag op grond van de TW ongewijzigd blijft. Appellante heeft aangevoerd dat als de beroepsprocedure tegen de hoogte van de WIAuitkering slaagt, de toegekende toeslag ook niet juist is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagloon van appellante € 58,08 blijft. Appellante heeft verder geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de (hoogte van de) toegekende toeslag, zodat er geen reden is om te oordelen dat de toeslag – uitgaande van een dagloon van € 58,08 – onjuist is vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ook ongegrond is en dat de toeslag hetzelfde blijft.


Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.



3.1.
Appellante heeft erkend dat het dagloon is vastgesteld in overeenstemming met het Dagloonbesluit. Appellante heeft ter zitting van de Raad verklaard dat de kern van haar hoger beroep is, dat het vastgestelde dagloon niet representatief is omdat het geen redelijke afspiegeling vormt van haar loonverlies in haar laatste dienstverband bij [werkgever 1] . Zij heeft gesteld dat sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat toepassing van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit in haar geval tot een onredelijk bezwarende en onevenredige uitkomst leidt, zodat dit artikel buiten toepassing moet worden gelaten. Deze bijzondere omstandigheden betreffen volgens appellante het feit dat zij gedurende het refertejaar grotendeels student was en (slechts) geringe inkomsten uit haar stage en twee bijbaantjes had, dat zij kort nadat zij aan haar eerste volwaardige reguliere dienstbetrekking als trainee begon, uitviel, inmiddels volledig arbeidsongeschikt is en niet meer in staat zal zijn haar inkomen aan te vullen. Appellante heeft dan ook betoogd dat, uitgaande van haar loon uit die laatste dienstbetrekking en in zoverre in afwijking van factor A van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit, het dagloon opnieuw berekend moet worden. Daarbij moeten – omdat zij materieel aangemerkt moet worden als starter – haar inkomsten in het refertejaar uit haar stage en haar twee bijbaantjes buiten beschouwing worden gelaten en moet haar dagloon berekend moet worden op basis van de periode van drie maanden waarin zij werkzaam was in haar eerste reguliere baan als trainee.



3.2.
Ter zitting heeft appellante te kennen gegeven dat zij geen zelfstandige gronden heeft tegen de (hoogte van de) vastgestelde toeslag.


Het standpunt van het Uwv


4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van 22 april 2026 van deze Raad, het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een onredelijk bezwarend besluit.




Het oordeel van de Raad

5. Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.


5.1.
Niet in geschil is dat het Uwv het dagloon van appellante heeft vastgesteld in overeenstemming met het Dagloonbesluit. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in het geval van appellante op grond van het evenredigheidsbeginsel de in het refertejaar genoten inkomsten uit haar stage bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en uit haar twee bijbanen bij [naam B.V. 1] . en [naam B.V. 2] buiten beschouwing had moeten laten omdat anders sprake is van een onevenredige uitkomst. De Raad begrijpt het standpunt van appellante zo dat zij stelt dat toepassen van de in artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit vermelde factor A (het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers, het zogenoemde historisch dagloon) in haar geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, zodat dit artikel in zoverre buiten toepassing moet worden gelaten. In plaats daarvan zou dan bij de berekening van het (nieuwe) dagloon artikel 18 van het Dagloonloonbesluit toegepast moeten worden en voor de in het tweede lid genoemde factor D het aantal dagloondagen te rekenen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking bij [werkgever 1] is aangevangen tot de dag van intreden van de arbeidsongeschiktheid.



5.2.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 volgt dat een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift (dat geen wet in formele zin is) aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst en dat bij strijd met het evenredigheidsbeginsel het algemeen verbindende voorschrift buiten toepassing moet worden gelaten. Omdat bij een gebonden besluit de belangenafweging al op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift heeft plaatsgevonden, moet het bestuursorgaan uiteindelijk (‘onder de streep’) nog beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het algemeen verbindende voorschrift tot een onevenwichtige uitkomst zou leiden. Er moet dus worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van uitoefening van de gebonden bevoegdheid zozeer onevenwichtig zijn, dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift waarop die bevoegdheid berust in het voorliggende geval achterwege moet blijven.


5.2.1.
De referteperiode loopt in het geval van appellante van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021. Het feit dat appellante pas per 12 april 2021 startte in haar, zoals zij dat heeft genoemd, eerste volwaardige reguliere dienstbetrekking en dat haar dagloon desondanks wordt gebaseerd op alle inkomsten in de referteperiode is geen bijzondere omstandigheid. Daartoe geldt dat het vaste rechtspraak is dat het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hier bij de opstelling van het Dagloonbesluit rekening mee gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. Dit betekent dat ook de inkomsten uit de stage bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en uit de twee bijbanen bij [naam B.V. 1] . en [naam B.V. 2] meetellen voor de berekening van het dagloon.



5.2.2.
Dat appellante recht heeft op een WGAuitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid en, zoals zij heeft gesteld, naar verwachting geen reële mogelijkheid zal hebben om haar inkomenspositie te verbeteren maakt niet dat bestreden besluit 1 in het geval van appellante zozeer onevenwichtig is dat toepassing van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit in dit geval achterwege moet blijven. Dit is een omstandigheid die, ondanks uiteenlopende persoonlijke situaties, ook voor andere WGAgerechtigden geldt die volledig arbeidsongeschikt zijn en is daarom geen bijzondere omstandigheid die noodzaakt om in afwijking van de algemene regels voor de dagloonberekening voor appellante tot een hogere uitkering te komen. De Raad heeft al enkele malen geoordeeld dat de situatie waarin een betrokkene recht had op een IVAuitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt om in afwijking van de algemene regels voor de uitkeringsberekening tot een hogere uitkering te komen.




5.3.
Appellante heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de toegekende toeslag, zodat bestreden besluit 2 geen bespreking behoeft.





Conclusie en gevolgen


5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het WIAdagloon terecht is vastgesteld op € 58,08 en de toeslag per 17 juli 2023 terecht op € 13,44 per dag.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C. Karman en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.




(getekend) H.G. Rottier



(getekend) N. Gios








-


Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:


Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.



Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:


Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:

(A – B + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en

D staat voor 261.



Artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit:


Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.




CRvB 30 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1525.


CRvB 22 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:485.


CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.


CBb 24 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:927.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458, van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602 en van 22 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:484.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1582, van 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1579, van 11 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1451 en van 22 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:485.
Link naar deze uitspraak