Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1229 
 
Datum uitspraak:22-09-2026
Datum gepubliceerd:30-09-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:24/405 PW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Niet-ontvankelijk beroep. Griffierecht niet tijdig voldaan. Aanbieding poststuk kan redelijkerwijs worden betwijfeld. Intrekking van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden in restaurant. Houden aan eigen verklaring. Uit de gegevens van PostNL blijkt dat de bezorger heeft geprobeerd om de aangetekende brief door uitreiking te bezorgen op het kantoor van de gemachtigde van appellant, maar dat dit niet gelukt is. Gelet op o.m. het gegeven dat uit de informatie van PostNL niet blijkt dat een afhaalbericht is achtergelaten en het traceeroverzicht een foutmelding meldt bij de bezorging van de zending kan redelijkerwijs worden betwijfeld dat de brief op regelmatige wijze op het adres van de gemachtigde is aangeboden. Aangenomen moet daarom worden dat appellant niet in de gelegenheid is gesteld om het griffierecht te betalen. Het beroep is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Trefwoorden:heffingskorting
inkomstenbelasting
levensonderhoud
 
Uitspraak
24/405 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 januari 2024, 23/4411 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)






Datum uitspraak: 22 september 2026
SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een intrekking van bijstand op de grond dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt. De rechtbank heeft het beroep van appellant daarover niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. Volgens appellant is het griffierecht niet tijdig betaald omdat zijn gemachtigde daartoe niet de gelegenheid heeft gehad. De Raad geeft appellant daarin gelijk omdat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het postbedrijf een afhaalbericht heeft achtergelaten toen de bezorging van de aangetekende brief over de betaling van het griffierecht niet lukte. Volgens appellant is de intrekking van bijstand niet terecht, omdat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De Raad geeft appellant daarin geen gelijk.



PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Akaröz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 juni 2026. Voor appellant is
mr. Akaröz verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.
Appellant en zijn toenmalige partner (X) ontvingen vanaf 15 november 2018 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW).


1.2.
Naar aanleiding van een mededeling van het Stadsloket Nieuw West van 19 januari 2023 inhoudende dat een collega appellant op 2 januari 2023 werkend in een restaurant heeft aangetroffen, appellant toen werkkleding aan had, klanten aan het bedienen was en later achter de kassa stond, hebben medewerkers van het college een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant en X verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer vier waarnemingen verricht in de periode van 25 januari 2023 tot en met 8 februari 2023. Bij die waarnemingen is appellant telkens werkend aangetroffen achter de toonbank in het restaurant. Zo verrichtte hij snijwerkzaamheden en was hij een klant aan het helpen. Appellant is op 13 februari 2023 gehoord.

1.2.1.
Appellant heeft op 13 februari 2023 onder meer verklaard dat hij de dag ervoor voor het laatst in het restaurant is geweest, hij daar toen heeft geholpen, dat hij drie á vier dagen in de week bij het restaurant komt om te helpen en dat hij helpt bij de bediening, het voorbereiden van het eten achter de toonbank en het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden. Ook heeft appellant verklaard dat hij daar sinds maart 2022 werkzaam, hij in contant geld wordt uitbetaald of kosteloos mag eten in het restaurant en dat hij dat niet heeft doorgegeven, omdat hij eigen geld wil hebben om een eigen kamer te kunnen huren. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 februari 2023.



1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om met een besluit van 15 februari 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 2 juni 2023 (bestreden besluit), de bijstand van appellant en X met ingang van 1 maart 2022 in te trekken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant sinds 1 maart 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en hiervan in strijd met zijn inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt.


Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht zonder geldige reden niet tijdig is voldaan.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


Ontvankelijkheid beroep


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.
Appellant heeft in het hoger beroepschrift de Raad verzocht om getuigen te horen, waaronder appellant zelf. De Raad heeft dat verzoek van appellant afgewezen. Appellant kan niet als getuige worden gehoord, omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voorziet in de mogelijkheid om een partij als getuige te horen. Het verzoek is voor het overige afgewezen omdat het verzoek niet voldoende concreet was. Indien een partij verzoekt om een getuige op te roepen, dient dit verzoek voldoende concreet te zijn. Dat wil zeggen dat het ten minste de naam en de woonplaats van de getuige bevat en dat het vermeldt waarover de getuige kan verklaren. Daaraan is niet voldaan. De Raad beschikt niet over de naam en/of woonplaats van de personen die appellant als getuige wil horen.


4.2.
De rechtbank heeft met een per aangetekende post verzonden brief van 24 augustus 2023 de gemachtigde van appellant eraan herinnerd dat het griffierecht nog niet is betaald en dat de gemachtigde binnen vier weken het bedrag moet overmaken. De rechtbank heeft deze brief op 3 oktober 2023 retour ontvangen. De rechtbank heeft op dezelfde datum de brief van 24 augustus 2023 per gewone post aan de gemachtigde verzonden. Met een emailbericht van 4 oktober 2023 heeft de rechtbank de gemachtigde hiervan op de hoogte gesteld. De gemachtigde heeft op 4 oktober 2023 het griffierecht voldaan.


4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep nietontvankelijk heeft verklaard. Wat appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat het griffierecht niet tijdig is betaald, omdat zijn gemachtigde daartoe niet de gelegenheid heeft gehad. Zijn gemachtigde ontving de herinnering pas op 4 oktober 2023. De betalingsherinnering van 24 augustus 2023 zat als bijlage bij de toen ontvangen brief van 3 oktober 2023. Van het niet tijdig betalen kan appellant geen verwijt worden gemaakt omdat bij het aanbieden van de per aangetekende post verzonden betalingsherinnering van 24 augustus 2023 geen afhaalbericht is achtergelaten. PostNL doet dat al geruime tijd niet meer. Bovendien blijkt uit het traceeroverzicht dat er op 11 september 2023 een fout is geweest bij de bezorging van de zending. Deze beroepsgrond slaagt. Daarvoor is het volgende van belang.

4.3.1.
Bij de beoordeling van de vraag of de gemachtigde van appellant – zoals appellant stelt – inderdaad de gelegenheid is onthouden om het griffierecht tijdig te betalen, is van belang of aannemelijk is gemaakt dat geen afhaalbericht is achtergelaten over de aangetekend verzonden betalingsherinnering. Dat berust op het volgende. Als een poststuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden.


4.3.2.
Als belanghebbende stelt dat hij het stuk niet heeft ontvangen, doordat het niet is uitgereikt of doordat geen afhaalbericht op het juiste adres is achtergelaten, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden en dat hij het dus niet langs die weg heeft ontvangen.


4.3.3.
Uit de gegevens van PostNL blijkt dat de bezorger op 30 augustus 2023 heeft geprobeerd om de aangetekende brief van 24 augustus 2023 door uitreiking te bezorgen op het kantoor van de gemachtigde van appellant, maar dat dit niet gelukt is. Daarom is de brief naar een PostNL-punt gebracht. De brief (met envelop) heeft de rechtbank uiteindelijk retour ontvangen. De brief bevindt zich onder de gedingstukken. Op de envelop zit een sticker van dat PostNL-punt waar de brief naar toe is gebracht. Daarop staat dat de brief retour afzender is gegaan. Noch uit de track & trace-informatie, noch van de buitenzijde van de envelop, blijkt van de achterlating van een afhaalbericht. Wel blijkt uit het traceeroverzicht van bijgewerkte bezorgmomenten en een foutmelding bij de bezorging van de brief van 24 augustus 2023. In het traceeroverzicht staat dat op 31 augustus 2023 de brief klaarligt op een PostNL-punt. Vervolgens staat in het traceeroverzicht op 11 september 2023: ‘fout bij bezorging zending. Nadere informatie volgt.’ In het traceeroverzicht staat ook dat op 25 september 2023 de brief nog niet is opgehaald en retour afzender gaat.


4.3.4.
Gelet op het gegeven dat uit de informatie van PostNL niet blijkt dat een afhaalbericht is achtergelaten, het traceeroverzicht een foutmelding meldt bij de bezorging van de zending en gelet op de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden kan redelijkerwijs worden betwijfeld dat de brief van 24 augustus 2023 op regelmatige wijze op het adres van de gemachtigde is aangeboden. Dit betekent dat de gevolgen van het niet afhalen van de aangetekende brief niet voor rekening van appellant mogen komen. Aangenomen moet daarom worden dat appellant niet in de gelegenheid is gesteld om het griffierecht te betalen. Het beroep tegen het bestreden besluit is dan ook ten onrechte nietontvankelijk verklaard.



4.4.
Uit 4.3.4 volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.


4.5.
De Raad kan de zaak naar de rechtbank terugwijzen als de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en die uitspraak wordt vernietigd met ontvankelijkverklaring van het beroep. Dat volgt uit artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Maar de Raad kan ook zelf de zaak afdoen als die naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank nodig heeft. Dat volgt uit artikel 8:116 van de Awb. De Raad ziet geen aanleiding de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. Hij neemt daarbij in aanmerking dat op grond van artikel 8:41a van de Awb de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. Verder is van belang dat partijen in hoger beroep hun standpunten over de inhoudelijke kant van de zaak voldoende naar voren hebben kunnen brengen. Met toepassing van artikel 8:116 van de Awb zal de Raad de zaak zelf afdoen en het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.

Bestreden besluit



4.6.
Beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit leidt tot de conclusie dat het beroep daartegen ongegrond is. Dat oordeel berust op de volgende overwegingen.


4.7.
Appellant heeft in beroep en hoger beroep aangevoerd dat hij in de hier van belang zijnde periode geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Hij heeft geholpen in het restaurant en niet gewerkt. Hij heeft voor zijn hulp geen geld ontvangen. Ook kan appellant niet worden gehouden aan de door hem afgelegde verklaring. De verklaring is onzorgvuldig tot stand gekomen en appellant is de Nederlandse taal onvoldoende machtig. De verklaring bevat tegenstrijdige antwoorden. In de verklaring staat bijvoorbeeld ‘mijn vrouw’ terwijl appellant gescheiden is. De waarnemingen zijn bovendien niet zorgvuldig verricht. De vier waarnemingen zijn allemaal door dezelfde medewerker van het college verricht, zijn woordelijk identiek en daarom niet onafhankelijk genoeg. Deze beroepsgronden slagen niet. Daarvoor is het volgende van belang.

4.7.1.
Volgens vaste rechtspraak mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Geen aanleiding bestaat om hiervan in dit geval af te wijken. Uit het gespreksverslag blijkt niet dat appellant kenbaar heeft gemaakt de Nederlandse taal onvoldoende machtig te zijn. Appellant heeft zijn verklaring, nadat deze hem is voorgehouden, zonder voorbehoud ondertekend. Anders dan appellant stelt, is de Raad niet gebleken dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn werkzaamheden. Appellant heeft een voorbeeld genoemd van een tegenstrijdig antwoord dat hij zou hebben gegeven. Dit antwoord ziet echter op X en niet op de werkzaamheden. Het college mocht dan ook uitgaan van de door appellant op 13 februari 2023 afgelegde verklaring.


4.7.2.
De in 1.2.1 weergegeven verklaring van appellant biedt voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant vanaf 1 maart 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Die verklaring strookt met de vier waarnemingen waarbij appellant telkens werkend in het restaurant is aangetroffen. In wat appellant heeft aangevoerd over de waarnemingen ziet de Raad geen aanleiding om de waarnemingen buiten beschouwing te laten. Dat de waarnemingen allemaal zijn verricht door dezelfde medewerker en woordelijk identiek zijn, betekent niet dat de betreffende medewerker geen onafhankelijk onderzoek heeft verricht en dat de resultaten daarom niet ten grondslag hadden mogen worden gelegd aan de besluitvorming.


4.7.3.
Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan voor het recht op bijstand van belang zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet uit of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW. Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak.



4.8.
Uit 4.7 tot en met 4.7.3 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit niet slaagt.




Conclusie en gevolgen


4.9.
Het hoger beroep slaagt, gelet op 4.3. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Gelet op 4.8 zal de Raad het beroep ongegrond verklaren. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand per 1 maart 2022 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellant een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de Raad, met een waarde van € 934,- per punt). Ook moet het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep



vernietigt de aangevallen uitspraak;


verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.868,-;


bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.




Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.



(getekend) P.W. van Straalen



(getekend) W.B. Eefting



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Algemene wet bestuursrecht



Artikel 8:41a


De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.


Artikel 8:108, eerste lid


1. Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.


Artikel 8:115, eerste lid en onder a


1. De hogerberoepsrechter wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hogerberoepsrechter deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank, onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of

[…]


Artikel 8:116


In de gevallen, bedoeld in artikel 8:115, eerste lid, onderdeel a, kan de hogerberoepsrechter de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien deze naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.


Participatiewet



Artikel 17, eerste lid


1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.


Artikel 31, eerste lid


1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32, eerste lid

1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, […] dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:304.


Zie eveneens de uitspraak van 10 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:304.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
Link naar deze uitspraak