|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:436 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 22-04-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/1643 AOW | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Verlaging AOW-pensioen, terugvordering en boete. Niet is komen vast te staan dat appellant, behalve in Spanje, ook in Nederland heeft gewerkt. Daardoor is appellant gedurende een periode van ruim negen jaar niet verzekerd geweest voor de AOW. De herziening, terugvordering en boete blijven in stand. | | Trefwoorden | : | aow | | | ingezetene | | | loonbelasting | | | uitkering | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1643 AOW, 25/1451 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2024, 23/7066 (aangevallen uitspraak 1) en 10 juli 2025, 24/6413 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Spanje (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 april 2026
SAMENVATTING
De Raad is het eens met de rechtbank en de Svb dat het AOW-pensioen van appellant terecht is verlaagd, omdat niet is komen vast te staan dat hij, behalve in Spanje, ook in Nederland heeft gewerkt. Daardoor is appellant gedurende een periode van ruim negen jaar niet verzekerd geweest voor de AOW. De terugvordering blijft in stand. Volgens de Raad is geen sprake van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien. Ook de opgelegde boete blijft in stand. De Raad oordeelt dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is en de boete niet onevenredig is.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2026. Voor appellant is mr. Willering verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellant heeft vanaf april 2011 een pensioen op grond van de AOW ter hoogte van het maximale pensioen ontvangen. Met een besluit van 29 augustus 2023 heeft de Svb het AOW-pensioen vanaf september 2023 lager vastgesteld op 82% van het maximale pensioen. Over de periode van april 2011 tot en met augustus 2023 heeft de Svb het AOW-pensioen herzien en het over die periode te veel betaalde AOW-pensioen van € 33.381,68 van appellant teruggevorderd. De Svb heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat appellant van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010 in Spanje heeft gewerkt en daardoor over die periode niet verzekerd was voor de AOW. De afgerond negen onverzekerde jaren leiden tot een korting van 18% op het AOW-pensioen van appellant. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Svb is met een besluit van 11 december 2023 (bestreden besluit 1) gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoetgekomen door de herziening van het AOW-pensioen te beperken tot de periode van april 2011 tot en met juli 2020 en de terugvordering te verminderen tot € 24.083,13.
1.2.
Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. De Svb is met een besluit van 16 april 2024 (bestreden besluit 2) verder tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant door de herziening van het AOW-pensioen te beperken tot de periode van september 2018 tot en met juli 2020 en de terugvordering te verminderen tot € 5.369,87. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 aangemerkt als een beroep dat ook gericht is tegen bestreden besluit 2.
1.3.
Met een besluit van 18 december 2023 heeft de Svb appellant een boete van € 1.516,16 opgelegd. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, maar de Svb is met het besluit van 9 september 2024 (bestreden besluit 3) gebleven bij de opgelegde boete.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Svb dit besluit heeft vervangen door bestreden besluit 2 en appellant geen belang meer heeft bij een beslissing op het beroep tegen bestreden besluit 1. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant in de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010 niet verzekerd voor de AOW is geweest. Volgens de rechtbank is appellant in die periode in Spanje verzekerd geweest voor het ouderdomspensioen en is niet gebleken dat appellant toen (ook) in Nederland heeft gewerkt. De rechtbank overweegt verder dat de Svb met het gewijzigde herzienings- en terugvorderingsbesluit voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden waarin appellant verkeert en de late besluitvorming van de Svb.
2.2.
In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank ook het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard, waarmee zij dat besluit in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de boete terecht is opgelegd. Overwogen is dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en de Svb bij de hoogte van de boete er rekening mee heeft gehouden dat geen sprake is van opzet en appellant niet heeft gesteld dat hij in ernstige financiële of sociale omstandigheden verkeert.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 2 in stand heeft gelaten. Die beoordeling betreft de lagere vaststelling van het AOW-pensioen vanaf september 2023 naar 82% van het maximale AOW-pensioen, de herziening van het AOW-pensioen over de periode van september 2018 tot en met juli 2020 en de terugvordering over die periode van € 5.369,87 aan AOWpensioen. De Raad beoordeelt ook of de rechtbank terecht het bestreden besluit 3 over het opleggen van de boete van € 1.516,16 in stand heeft gelaten. De Raad doet deze beoordelingen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
De lagere vaststelling van het AOW-pensioen
4.1.
Appellant voert aan dat hij in de periode 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010 nooit in Spanje heeft gewerkt, dan wel overwegend in Nederland, en in Nederland heeft gewoond. Hierdoor is hij steeds verzekerd gebleven voor de AOW en is hij ten onrechte gekort. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad oordeelt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant niet verzekerd voor de AOW is geweest in de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010, omdat toen op appellant de Spaanse en niet de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was.
4.1.1.
Voor dit oordeel van de Raad zijn twee redenen. Ten eerste is komen vast te staan dat appellant toen in Spanje werkzaamheden anders dan in loondienst, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71 heeft verricht, waardoor de hoofdregel is dat de Spaanse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing was. De Svb heeft een verklaring van de Tesorería General de la Séguridad Social (Spaanse orgaan voor de sociale zekerheid) van 27 september 2022 ontvangen waarin is meegedeeld dat appellant in de periode waar het hier om gaat in Spanje als zelfstandige heeft gewerkt en als zodanig bij dat orgaan ingeschreven is geweest. De enkele stelling van appellant dat het zou gaan om een inschrijving om administratieve redenen en dat hij niet daadwerkelijk in Spanje heeft gewerkt, is onvoldoende om dit objectieve gegeven in twijfel te trekken.
4.1.2.
De tweede reden voor het oordeel van de Raad is dat niet vast is komen te staan dat de uitzondering op de hoofdregel genoemd in 4.1.1, neergelegd in artikel 14bis, aanhef en tweede lid, van Vo 1408/71, op de situatie van appellant van toepassing was. Daarvoor is onder andere van belang of appellant in de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010 behalve in Spanje ook in Nederland heeft gewerkt. De bewijslast daarvan ligt in dit geval bij appellant en hij heeft niet voldoende bewijs overgelegd waaruit zou blijken dat hij in genoemde periode in Nederland gewerkt heeft. Hierbij is van belang dat appellant bij de aanvraag van 3 november 2010 om een AOW-pensioen niet heeft gemeld dat hij werkzaamheden in Spanje heeft verricht. Bij de Svb is pas in 2020 het vermoeden gerezen dat appellant in de genoemde periode in Spanje heeft gewerkt, doordat zijn naam werd genoemd in een onderzoek naar een andere persoon. De Svb is daardoor bij de aanvraag in 2011 niet in de gelegenheid geweest om onderzoek te doen naar de mogelijkheid dat appellant niet alleen in Spanje maar ook in Nederland heeft gewerkt. Verder is van belang dat de Svb vanaf 2020 onderzoek heeft gedaan, maar daaruit niet is gebleken van werkzaamheden van appellant in Nederland in de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010. De Svb heeft appellant vervolgens meerdere keren in de gelegenheid gesteld te onderbouwen dat hij toen in Nederland heeft gewerkt. Appellant heeft echter in het geheel geen objectieve gegevens overgelegd om dat te onderbouwen, zoals belastingaangiftes, belastingaanslagen, rekeningen van klanten of opdrachtgevers, rekeningen van gemaakte onkosten en dergelijke. Appellant heeft daarover verklaard dat hij geen bewijzen van zijn werkzaamheden in de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010 kan overleggen, omdat hij daarvan geen gegevens bewaard heeft. Appellant heeft gewezen op een verklaring van een vriendin dat hij in een deel van de periode voor haar heeft gewerkt en daarvoor ongeveer € 1.000,- tot € 1.100,- per maand heeft ontvangen. Die verklaring is echter niet voldoende, omdat appellant geen gegevens heeft overgelegd aan de hand waarvan kan worden geverifieerd of appellant daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht, en indien hij gewerkt heeft, in welk deel van de periode en of die werkzaamheden inderdaad in Nederland zijn uitgevoerd.
4.1.3.
In het midden kan blijven of aannemelijk is dat appellant in de periode waar het hier om gaat in Nederland heeft gewoond. Voor de toepassing van de hoofdregel genoemd in 4.1.1 is het niet nodig om na te gaan of appellant toen in Nederland of Spanje woonde. Voor de toepassing van de uitzondering in artikel 14bis, aanhef en tweede, lid van Vo 1408/71 is de woonplaats pas van belang als zou zijn komen vast te staan dat appellant toen gewoonlijk in zowel Spanje als Nederland werkte. In 4.1.2 heeft de Raad echter geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat appellant in de periode waar het hier om gaat in Nederland werkte, zodat geen sprake is van gewoonlijk werken in beide landen.
De uitleg van het begrip dringende redenen in de rechtspraak verruimd
4.2.
Het AOW-pensioen dat onverschuldigd is betaald, moet door de Svb op grond van de artikelen 17a en 24 van de AOW worden herzien en teruggevorderd. De Svb kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.2.1.
In een tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van het begrip ‘dringende redenen’ verruimd. De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Bij de beoordeling of sprake is van dringende redenen moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Het bestuursorgaan zal zich rekenschap moeten geven van de gevolgen die de herziening en terugvordering voor de betrokkene hebben. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat het begrip ‘dringende redenen’ bij de herziening en de terugvordering dezelfde inhoud heeft en dat beleidsregels om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn aan te merken als binnenwettelijk beleid.
Nieuwe beleidsregels Svb
4.2.2.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. De Svb heeft te kennen gegeven dit nieuwe, soepelere beleid toe te passen in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. Volgens de Svb sluit dit beleid goed aan bij de nieuwe uitleg van het begrip dringende reden. Dit geldt in het bijzonder voor de volgende punten van het beleid:
Bij een verlaging of intrekking van de uitkering houdt de Svb rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Svb maakt een onderscheid tussen drie situaties die in de uitvoeringspraktijk veel voorkomen: een schending van de mededelingsplicht, een onjuist besluit door een fout van de Svb en nabetaling door een andere instantie. Hierdoor houdt de Svb al vaak rekening met de oorzaak van de herziening.
Het beleid kent een evenredigheidstoets waarbij de Svb meeweegt in welke mate de Svb of betrokkene een verwijt kan worden gemaakt. Bij deze evenredigheidstoets weegt de Svb omstandigheden mee die in het beleid over de drie situaties nog niet aan bod zijn gekomen, zoals een trage besluitvorming door de Svb.
4.2.3.
De Svb heeft verder te kennen gegeven dat wordt gewerkt aan een aanpassing van het begrip ‘dringende reden’ in het terugvorderingsbeleid (SB1114). Aanleiding voor deze aanpassing vormt de overweging van de Raad in de eerder genoemde tussenuitspraak dat de dringende redenen in de herzienings- en terugvorderingsbepaling eenzelfde inhoud heeft. Daarnaast zal in het nieuwe beleid ook worden verwerkt dat de Svb in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening houdt met ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. In afwachting van de aanpassing van het beleid hanteert de Svb de vaste gedragslijn dat de dringende reden toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening.
4.2.4.
In zijn eerdere uitspraak over de nieuwe beleidsregel SB1407 heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met die beleidsregel in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van 18 april 2024 is beoogd. Beleidsregel SB1407 voorziet erin dat tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig worden gewogen dat die afweging een toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het algemeen zal kunnen doorstaan. Daarnaast voorziet de beleidsregel in een structurele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Bij die beoordeling is de mate waarin de betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt van belang. Verder acht de Raad in het licht van de genoemde tussenuitspraak de vaste gedragslijn van de Svb bij de terugvordering juist. Dit geldt ook voor het in uitzonderingsgevallen in de terugvorderingsfase rekening houden met ernstige financiële gevolgen van een terugvordering.
Toepassing door de Svb van de nieuwe gedragslijn in het geval van appellant
4.3.
Volgens de Svb geeft de nieuwe gedragslijn geen aanleiding om in de onderhavige zaak tot een andere uitkomst te komen. De belangrijkste reden van de teveelbetaling lag in het feit dat appellant niet aan de Svb heeft gemeld dat hij in de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2010 in Spanje werkzaamheden heeft verricht.
Heeft de Svb voldoende rekening gehouden met alle omstandigheden?
4.4.
In dat wat appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien.
4.4.1.
Appellant heeft de Svb niet op de hoogte gesteld van de werkzaamheden in het verleden in Spanje, en daarmee de op hem rustende mededelingsverplichting geschonden. Appellant heeft moeten begrijpen dat het niet melden daarvan ertoe zou kunnen leiden dat hij te veel AOW-pensioen zou ontvangen en dat een terugvordering zou kunnen volgen.
4.4.2.
De Svb heeft er verder rekening mee gehouden dat het lang heeft geduurd voordat de Svb tot verlaging van het AOW-pensioen is overgegaan nadat de Svb signalen had gekregen dat appellant te veel AOW-pensioen heeft ontvangen. Met bestreden besluit 2 is namelijk de herziening (verder) beperkt en het terugvorderingsbedrag verminderd. De Raad is het eens met de rechtbank dat de Svb voldoende rekening heeft gehouden met zijn aandeel in het oplopen van de terugvordering als gevolg van deze trage besluitvorming.
4.4.3.
Ook is van belang dat in het algemeen de financiële gevolgen van de terugvordering zich pas bij de invordering of verrekening voordoen. In bijzondere omstandigheden, waar op het moment van het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit voor een betrokkene ernstige financiële gevolgen zal hebben, dient de Svb deze omstandigheden al op dat moment mee te wegen. Uit wat appellant heeft aangevoerd, volgt niet dat sprake is van een dergelijke situatie. Ook voor het overige heeft de Svb in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om geheel of voor een deel af te zien van terugvordering.
Boete
4.5.
De Svb is in beginsel verplicht een boete op te leggen, omdat appellant de mededelingsverplichting heeft geschonden door de Svb niet op de hoogte te stellen van zijn werkzaamheden in het verleden in Spanje. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke verwijtbaarheid ontbreekt. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank over de schending door appellant van de medelingsverplichting en neemt die over.
4.5.1.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake is van een (sterk) verminderde verwijtbaarheid waardoor op grond van beleidsregel SB1108 van de Svb de boete verder moeten worden verlaagd. De Raad is dit niet met appellant eens. Het enkele feit dat appellant niet wist dat hij boetewaardig bezig is geweest, is daarvoor onvoldoende. De Svb is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft op grond daarvan de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Het is de Raad verder niet gebleken dat deze boete onevenredig is.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de lagere vaststelling van het AOW-pensioen vanaf september 2023 naar 82% van het maximale AOW-pensioen, de herziening van het AOW-pensioen over de periode van september 2018 tot en met juli 2020, de terugvordering over die periode van € 5.369,87 aan AOW-pensioen en de boete van € 1.516,16 in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, als voorzitter, en A. Hoogenboom en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) D.M.A. van de Geijn
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Verordening (EEG) Nr. 1408/71
Artikel 13 (Algemene regels), eerste lid
Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
Art. 13 (Algemene regels), tweede lid, aanhef en onder b
Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17 is op degene die op het grondgebied van een LidStaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont.
Artikel 14bis (Bijzondere regels voor personen die anders dan in loondienst werkzaam zijn, met uitzondering van zeelieden), aanhef en tweede lid
Op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer Lid Staten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, is de wetgeving van de Lid-Staat van toepassing op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die Lid-Staat uitoefent. Indien hij geen werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont, is de wetgeving van de Lid-Staat van toepassing op het grondgebied waar van hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht. De criteria ter bepaling van de hoofdwerkzaamheden zijn vastgesteld bij de in artikel 98 bedoelde verordening.
Algemene Ouderdomswet
Artikel 6, eerste lid
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Artikel 6a, aanhef en onder b
Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Artikel 17, eerste lid
Het ouderdomspensioen wordt door de Sociale verzekeringsbank ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.
Artikel 17a, eerste lid
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; (…).
Artikel 17a, tweede lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 17c, eerste lid, eerste volzin
De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde (…) van de verplichting, bedoeld in artikel 49.
Artikel 17c, achtste lid
De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 24, eerste lid
Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde (…).
Artikel 24, vijfde lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2 (Berekening bestuurlijke boete), eerste lid
Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
Artikel 2 (Berekening bestuurlijke boete), vierde lid
Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
Artikel 2 (Berekening bestuurlijke boete), achtste lid
De percentages, genoemd in het tweede tot en met zesde lid, en de factoren, genoemd in het zevende lid, onderdelen a en b, worden zo nodig verlaagd voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete.
Artikel 2 (Berekening bestuurlijke boete), tiende lid
De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
Svb-Beleidsregel SB1407
Verlaging of intrekking van de uitkering (…)
Dringende reden in de AOW, Anw, AKW, Participatiewet, Remigratiewet en OBR
De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beleid
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ’kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.
Algemene Ouderdomswet.
Verordening (EEG) Nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971.
Artikel 17, eerste lid, artikel 17a, eerste en tweede lid en artikel 24, eerste en vijfde lid, van de AOW.
De uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
De uitspraak van de Raad van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|