|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:509 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-05-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 23/1701 NOW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Definitieve vaststelling loonkostensubsidie NOW-3, derde tranche. Te volgen verloningssystematiek. Exceptieve toetsing artikel 16 lid 5 NOW-3. Positie van appellant als uitzendonderneming niet zodanig anders als andere werkgevers die te maken hebben met met gedaalde loonsom als gevolg van omstandigheden waarop zij geen invloed hebben. Daling loonsom in subsidieperiode. Gevolgde berekeningswijze niet onredelijk bezwarend. | | Trefwoorden | : | dagloon | | | subsidies | | | | Uitspraak | 23/1701 NOW
Datum uitspraak: 29 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 april 2023, 22/1947 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-3, derde tranche. De rechtbank heeft wat betreft de verloningssystematiek aanleiding gezien de door appellante voorgestelde formule te volgen en heeft de subsidie vastgesteld op € 34.873,-. Appellante heeft aangevoerd dat bij de vaststelling ook nog de daling van de loonsom in de subsidieperiode buiten beschouwing moet worden gelaten. De Raad volgt dit standpunt niet en bevestigt de aangevallen uitspraak.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak, gezamenlijk met het hoger beroep in de zaak 23/1702 NOW, behandeld op een zitting van 12 juni 2024. Voor appellante is verschenen [naam directeur] , directeur. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit, medewerker van het Uwv.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en de minister een vraagstelling doen toekomen. De minister heeft daarop gereageerd en nadere stukken ingediend. Appellante heeft daarop gereageerd.
De minister heeft vervolgens gereageerd op vraagstellingen van de Raad. Ook daar heeft appellante weer op gereageerd.
De Raad heeft partijen geïnformeerd dat de samenstelling van de kamer is gewijzigd.
De zaak is, wederom gezamenlijk met het hoger beroep in de zaak 23/1702 NOW, door de gewijzigde kamer opnieuw op zitting behandeld op 18 maart 2026. Voor appellante is verschenen [naam directeur] , bijgestaan door mr. T. van der Weijde. De minister heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Smit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellante heeft op 20 november 2020 een aanvraag ingediend voor een subsidie in de loonkosten op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3), derde tranche, voor de periode oktober 2020 tot en met december 2020. Bij besluit van 1 december 2020 heeft de minister aan appellante een subsidie in de loonkosten op grond van de NOW-3, derde tranche, verleend van € 25.760,-, waarvan een bedrag van € 20.607,- als voorschot is uitbetaald.
1.2.
Op 20 april 2022 heeft appellante de definitieve berekening van de subsidie op grond van de NOW-3, derde tranche, aangevraagd. Bij besluit van 3 juni 2022 heeft de minister de definitieve subsidie op grond van de NOW-3, derde tranche, vastgesteld op een hoger bedrag dan in het verleningsbesluit, namelijk € 27.147,-, en bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling van € 6.540,-.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 juni 2022 gegrond verklaard en de definitieve tegemoetkoming nader vastgesteld op € 32.025,-. De minister heeft vastgesteld dat appellante per week verloont zodat haar maandelijkse loonaangiften soms bestaan uit vier weken en soms uit vijf weken (in een cyclus van 4-4-5 per kwartaal), als gevolg waarvan de loonsommen in de referentiemaand en sommige subsidiemaanden niet representatief zijn. De minister heeft daarom in bezwaar maatwerk toegepast en de loonsommen van de maanden juni 2020 (referentiemaand) en december 2020 omgerekend naar vier weken. De minister heeft het op basis hiervan berekende basisbedrag van de subsidie (van € 46.369,-) vervolgens wel lager vastgesteld op € 32.025,-, omdat de loonsom in de subsidieperiode is gedaald ten opzichte van de loonsom in de referentiemaand. Wat de reden is van de daling van de loonsom, is volgens de minister niet relevant. De minister heeft berekend dat appellante in staat kon worden geacht om de resterende (gedaalde) loonkosten in de periode van oktober 2020 tot en met december 2020 op te brengen. Dat werknemers op eigen initiatief zijn vertrokken, betekent niet dat het belang van appellante zwaarder moet wegen dan het belang van de minister bij een lagere vaststelling van de subsidie.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 3 juni 2022 herroepen, de hoogte van de subsidie vastgesteld op € 34.873,- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen.
2.1.
Hoewel de minister met de nieuwe berekening aan appellante heeft willen tegemoetkomen, heeft de gekozen oplossing tot een onjuiste berekening geleid. De rechtbank heeft aanleiding gezien de formule te volgen die appellante in het beroepschrift voor de berekening heeft voorgesteld, en die naar het oordeel van de rechtbank leidt tot een realistische en gelijkwaardige loonsom. De rechtbank heeft op basis hiervan het basisbedrag van de subsidie berekend op € 50.232,-.
2.2.
De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de minister met toepassing van artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3 de subsidie heeft verminderd omdat de (gecorrigeerde) loonsom in de subsidieperiode meer dan 10% is gedaald ten opzichte van de (gecorrigeerde) loonsom in de referentiemaand. De rechtbank heeft, na exceptieve toetsing, geen aanleiding gezien deze bepaling in het geval van appellante buiten toepassing te laten. De rechtbank heeft de definitieve subsidie vervolgens vastgesteld op € 34.873,- en bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling van € 14.266,-.
2.3.
Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens de rechtbank niet. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan het betoog van appellante, dat zij meermaals contact heeft gehad met het klantcontactcentrum en dat haar is toegezegd dat de minister in de bezwaarfase ruimhartig zou zijn en dat appellante zich geen zorgen hoefde te maken, te twijfelen. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de minister zijn toezegging aan appellante om ‘ruimhartig te zijn’ is nagekomen. In de bezwaarfase heeft immers een herberekening plaatsgevonden die tot hogere vaststelling van de nabetaling heeft geleid. Voor zover appellante heeft willen stellen dat de medewerker van het klantcontactcentrum heeft gezegd dat appellante op alle fronten gelijk zou krijgen, wat de rechtbank niet is gebleken, dan leidt dit niet tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Die toezegging was namelijk niet afkomstig van een medewerker die daadwerkelijk bevoegd was hierover te beslissen. Het verzoek van appellante om schadevergoeding ter hoogte van de terugvordering wordt afgewezen, nu geen sprake is van een terugvordering.
2.4.
De rechtbank heeft appellante dus in het gelijk gesteld op het punt van doorwerking van de verloningssystematiek in de loonsom. Op de overige punten heeft de rechtbank de minister gevolgd. De rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien door de definitieve subsidie vast te stellen op € 34.873.- en de hoogte van de nabetaling op € 14.266,-. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover zij van de rechtbank geen gelijk heeft gekregen. Appellante heeft aangevoerd dat artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3 in haar geval bijzonder nadelig uitwerkt. In dat kader heeft zij erop gewezen dat zij zich als uitzendonderneming in een unieke positie bevond, dat sprake is geweest van personeelsverloop waarop zij geen invloed had en dat werknemers in de subsidieperiode onbetaald verlof opnamen. Appellante heeft verder een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan en heeft in dat kader betoogd dat het Uwv (namens de minister) heeft toegezegd dat afgezien zou worden van een lagere vaststelling in verband met de verlaagde loonsom. Appellante heeft daar in hoger beroep nog aan toegevoegd dat de door haar verstrekte vergoedingen en verstrekkingen van extraterritoriale kosten aan arbeidsmigranten (met toepassing van de zogenoemde ET-regeling) vallen onder het loon als bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), en dat het Uwv daarmee bij de berekening van de subsidie ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Mocht de Raad dit standpunt niet volgen, dan heeft appellante zich subsidiair op het standpunt gesteld dat daarmee sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat zij die kosten wel maakt. In dat kader heeft appellante aangevoerd dat de in de NOW-3 opgenomen forfaitaire opslag van 40% niet dekkend is in haar situatie, omdat haar extra kosten 77% zijn.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft toegelicht dat hij uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank, en dat hij (dus) de definitieve subsidie op grond van de NOW-3, derde tranche, heeft vastgesteld op € 34.873,- en het na te betalen bedrag op € 14.266,-. Het Uwv heeft, op basis van de door de rechtbank vastgestelde gewijzigde subsidie, een nieuwe berekening gemaakt waaruit blijkt dat appellante in staat kon worden geacht om de resterende (gedaalde) loonkosten in de subsidieperiode NOW-3, derde tranche, op te brengen. In reactie op de grond van appellante inzake de ET-regeling heeft de minister erop gewezen dat het een bewuste keuze is geweest om voor het berekenen van de hoogte van de subsidie uit te gaan van de gegevens zoals vastgelegd in de polisadministratie, en dat daarbij als loon geldt het loon bedoeld in artikel 16 van de Wfsv. De minister heeft verder te kennen gegeven dat het ook een bewuste keuze is geweest om uit te gaan van een forfaitaire opslag van 40%. Daarbij is geen uitzondering gemaakt voor uitzendbureaus.
Het oordeel van de Raad
5.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de definitieve subsidie op grond van de NOW-3, derde tranche, heeft vastgesteld op € 34.873,- en de hoogte van de nabetaling op € 14.266,-.
5.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
5.3.
Gelet op het feit dat artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3 een gebonden besluit is dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, wordt de grond van appellante dat zij als uitzendonderneming in een unieke positie verkeerde, zo begrepen dat zij stelt dat het bestreden besluit onevenwichtig is, omdat dit voor haar onredelijk bezwarend is. De door appellante gestelde omstandigheden leiden echter niet tot die conclusie. De positie van appellante als uitzendonderneming is niet zodanig anders dan die van andere werkgevers die te maken hebben met een gedaalde loonsom als gevolg van verschillende omstandigheden waar zij geen invloed op hebben. Zoals de Raad in de uitspraak van 28 mei 2025 heeft overwogen, heeft de regelgever voor de situatie dat de loonsom in de subsidiemaanden lager is dan driemaal de referentieloonsom uitdrukkelijk gekozen voor de berekeningswijze van artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3. De uitkomst van de toepassing van artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3 is dan ook geen onvoorzien effect. Daarbij zijn de NOW-3 en de Toelichting daarop gepubliceerd op 9 oktober 2020, zodat appellante op het moment van het indienen van de NOW-aanvraag op 20 november 2020 had kunnen weten wat de mogelijke gevolgen van een gedaalde loonsom in de subsidieperiode voor haar konden zijn. Bovendien kon appellante in staat worden geacht om de resterende (gedaalde) loonkosten in de periode van oktober 2020 tot en met december 2020 op te brengen. De minister heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een (vereenvoudigde) berekening gemaakt. Zoals eerder is geoordeeld, laat een dergelijke berekening zien dat het vaststellen van de subsidie volgens de berekeningswijze van artikel 7, tweede lid, van de NOW-1 en artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 niet onredelijk bezwarend uitpakt. Er is geen aanleiding daarover anders te oordelen in het geval van – het in essentie gelijkluidende – artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3.
5.4.
Appellante heeft verder in deze procedure, net als in de procedure met nummer 23/1702 NOW, aangevoerd dat de door haar verstrekte vergoedingen en verstrekkingen van extraterritoriale kosten aan arbeidsmigranten (met toepassing van de zogenoemde ETregeling) vallen onder het loon als bedoeld in artikel 16 van de Wfsv, en dat het Uwv daar bij de berekening van de subsidie ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Verder heeft appellante erop gewezen dat de in de NOW3 opgenomen forfaitaire opslag van 40% niet dekkend is in haar situatie, omdat haar extra kosten 77% zijn. Verder heeft appellante ook in deze procedure een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Raad oordeelt dat deze gronden niet slagen en verwijst daartoe naar wat daarover is overwogen in de procedure onder nummer 23/1702 NOW, in welke zaak ook heden uitspraak is gedaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de vaststelling van de definitieve subsidie op € 34.873,- en de hoogte van de nabetaling op € 14.266,- in stand blijven.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) N. Gios
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Toepasselijke bepalingen uit de NOW-3
Artikel 16, eerste lid, van de NOW-3
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,4 x 0,8
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat:
a. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat luidde op 31 december 2021;
b. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat luidde op 31 december 2021;
c. de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid; en
d. het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan tweemaal het maximale dagloon, bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen, maal 21,75, berekend na toepassing van de onderdelen a tot en met c.
Artikel 16, tweede lid, van de NOW-3
Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand juni 2020. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het zevende aangiftetijdvak van het jaar 2020, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.
Artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3
Indien de loonsom als bedoeld onder de letter C meer dan 10%, naar beneden afgerond, lager is dan driemaal de loonsom als bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt de subsidie verlaagd met:
((0,9B x 3) – C) x 1,4 x 0,8
Hierbij staat:
B voor de loonsom, zoals berekend op grond van het eerste lid tot en met vierde lid;
C voor de loonsom over de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020, met dien verstande dat het eerste en het vierde lid van overeenkomstige toepassing zijn, waarbij de gehanteerde aangiftetijdvakken het tiende tot en met het twaalfde aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn.
Artikel 24, vijfde lid, van de NOW-3
De subsidies worden vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 16 […].
Toepasselijke bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Awb
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
CRvB 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:859.
Zie de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1606. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|