Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:510 
 
Datum uitspraak:29-04-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:23/1702 NOW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Definitieve vaststelling loonkostensubsidie NOW-2. Terugvordering verleende voorschot. Gevolgde verloningssystematiek. Rechtbank volgt door appellant voorgestelde formule. Discretionaire bevoegdheid. Uitkomst belangenafweging niet in strijd met evenredigheidsbeginsel. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Uit audiofragmenten volgt niet dat toezeggingen namens minister zijn gedaan.
Trefwoorden:loonbelasting
subsidies
wet op de loonbelasting
 
Uitspraak
23/1702 NOW


Datum uitspraak: 29 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer









Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 april 2023, 22/1948 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-2 en een terugvordering van een deel van het verleende voorschot. De minister heeft die subsidie lager vastgesteld omdat de loonsom in de subsidieperiode was gedaald ten opzichte van de referentiemaand. De rechtbank heeft wat betreft de verloningssystematiek aanleiding gezien de door appellante voorgestelde formule te volgen en heeft de subsidie vastgesteld op € 26.939,- en de terugvordering op € 10.157,-. Appellante heeft aangevoerd dat bij de vaststelling ook nog de daling van de loonsom in de subsidieperiode buiten beschouwing moet worden gelaten. De Raad volgt dit standpunt niet en bevestigt de aangevallen uitspraak.




PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak, gezamenlijk met het hoger beroep in de zaak 23/1701 NOW, behandeld op een zitting van 12 juni 2024. Voor appellante is verschenen [naam directeur] , directeur. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit, medewerker van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en de minister een vraagstelling doen toekomen. De minister heeft daarop gereageerd en nadere stukken ingediend. Appellante heeft daarop gereageerd.

De minister heeft vervolgens gereageerd op vraagstellingen van de Raad. Ook daar heeft appellante weer op gereageerd.

De Raad heeft partijen geïnformeerd dat de samenstelling van de kamer is gewijzigd.

De zaak is, wederom gezamenlijk met het hoger beroep in de zaak 23/1701 NOW, opnieuw op zitting behandeld op 18 maart 2026. Voor appellante is [naam directeur] verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Weijde. De minister heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Smit.




OVERWEGINGEN



Inleiding


1.1.
Appellante heeft op 13 juli 2020 een aanvraag ingediend voor een subsidie in de loonkosten op grond van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2) voor de periode van juni 2020 tot en met september 2020. Bij besluit van 20 juli 2020 heeft de minister aan appellante een subsidie in de loonkosten op grond van de NOW-2 verleend van € 50.120,-, waarvan een bedrag van € 40.096,- als voorschot is uitbetaald.



1.2.
Op 22 maart 2022 heeft appellante de definitieve berekening van de subsidie op grond van de NOW-2 aangevraagd. Bij besluit van 13 april 2022 heeft de minister de definitieve subsidie op grond van de NOW-2 vastgesteld op € 14.109,-. De minister heeft het teveel betaalde voorschot ten bedrage van € 25.987,- van appellante teruggevorderd.



1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 28 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 april 2022 gegrond verklaard en de definitieve subsidie nader vastgesteld op € 22.742,-. De minister heeft vastgesteld dat appellante per week verloont, zodat haar maandelijkse loonaangiften soms bestaan uit vier weken en soms uit vijf weken (in een cyclus van 4-4-5 per kwartaal), als gevolg waarvan de loonsommen in de referentiemaand en sommige subsidiemaanden niet representatief zijn. De minister heeft daarom in bezwaar maatwerk toegepast en de loonsommen van de maanden maart 2020 (referentiemaand) en juni 2020 en september 2020 omgerekend naar vier weken. De minister heeft het op basis hiervan berekende basisbedrag van de subsidie (van € 57.738,-) wel lager vastgesteld op € 22.742,-, omdat de loonsom in de subsidieperiode is gedaald ten opzichte van de loonsom in de referentiemaand. Wat de reden is van de daling van de loonsom is volgens de minister niet relevant. De minister heeft berekend dat appellante in staat kon worden geacht om de resterende (gedaalde) loonkosten in de periode van juni 2020 tot en met september 2020 op te brengen. Dat werknemers op eigen initiatief zijn vertrokken, betekent niet dat het belang van appellante zwaarder moet wegen dan het belang van de minister bij een lagere vaststelling van de subsidie.


Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 13 april 2022 herroepen, de hoogte van de subsidie vastgesteld op € 26.939,- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde betreden besluit. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen.



2.1.
Hoewel de minister met de nieuwe berekening appellante heeft willen tegemoetkomen, heeft de gekozen oplossing naar het oordeel van de rechtbank tot een onjuiste berekening geleid. De rechtbank heeft aanleiding gezien de formule te volgen die appellante in het beroepschrift voor de berekening heeft voorgesteld en die naar het oordeel van de rechtbank leidt tot een realistische en gelijkwaardige loonsom. De rechtbank heeft op basis hiervan het basisbedrag van de subsidie berekend op € 64.956,-.



2.2.
De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de minister de definitieve subsidie lager heeft vastgesteld, omdat is gebleken dat de (gecorrigeerde) loonsom in de subsidieperiode is gedaald ten opzichte van de (gecorrigeerde) loonsom in de referentiemaand. Uit artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 volgt dat de subsidie in dat geval wordt verminderd met het verschil tussen de totale loonsom op basis van de referentiemaand en de daadwerkelijke loonsom over de meetperiode. De rechtbank heeft, na exceptieve toetsing, geen aanleiding gezien deze bepaling in het geval van appellante buiten toepassing te laten. Het besluit tot vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-2 op een lager bedrag dan is verleend, berust op een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de minister ook een belangenafweging moet maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat het belang van appellante niet zwaarder weegt dan dat van de minister. De rechtbank heeft de definitieve subsidie vervolgens vastgesteld op € 26.939,- en de terugvordering op € 10.157,-.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel verworpen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan het betoog van appellante, dat zij meermaals contact heeft gehad met het klantcontactcentrum en dat haar is toegezegd dat de minister in de bezwaarfase ruimhartig zou zijn en dat appellante zich geen zorgen hoefde te maken, te twijfelen. De rechtbank heeft echter ook vastgesteld dat de minister zijn toezegging aan appellante om ‘ruimhartig’ te zijn is nagekomen. In de bezwaarfase heeft immers een aanpassing plaatsgevonden die tot een aanzienlijke verlaging van de terugvordering heeft geleid. Voor zover appellante heeft willen stellen dat de medewerker van het klantcontactcentrum heeft gezegd dat appellante op alle fronten gelijk zou krijgen, wat de rechtbank niet is gebleken, leidt dit niet tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Die toezegging was volgens de rechtbank namelijk niet afkomstig van een medewerker die daadwerkelijk bevoegd was hierover te beslissen. De rechtbank heeft daarom het verzoek om schadevergoeding wegens niet nagekomen toezeggingen afgewezen.



2.4.
De rechtbank heeft appellante in het gelijk gesteld op het punt van doorwerking van de verloningssystematiek in de loonsom. Op de overige punten heeft de rechtbank de minister gevolgd. De rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien, en de definitieve subsidie vastgesteld op € 26.939,- en de hoogte van de terugvordering op € 10.157,-. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht.


Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover zij van de rechtbank geen gelijk heeft gekregen. De rechtbank heeft ten onrechte in de door appellante aangevoerde beroepsgronden over het personeelsverloop, de gedaalde loonsom in de subsidieperiode en het vertrouwensbeginsel geen reden gezien om te oordelen dat de NOW-2 in het geval van appellante zodanig nadelig uitwerkt dat van lagere vaststelling en terugvordering moet worden afgezien. Appellante heeft aangevoerd dat de minister rekening had moeten houden met het feit dat zij een uitzendonderneming is en dat de kern van het werk het verlonen van uren is. Zij was niet verplicht om haar werknemers in dienst te houden, maar heeft na de oproep van het kabinet ervoor gekozen om dat wel te doen. Vervolgens heeft zij er alles aan gedaan om haar werknemers in dienst te houden. Dat werknemers om persoonlijke redenen uit dienst zijn gegaan, dan wel onbetaald verlof hebben opgenomen, lag buiten haar invloedssfeer. Appellante heeft daar in hoger beroep nog aan toegevoegd dat de door haar verstrekte vergoedingen en verstrekkingen van extraterritoriale kosten aan arbeidsmigranten (met toepassing van de zogenoemde ET-regeling) vallen onder het loon als bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), en dat het Uwv daarmee bij de berekening van de subsidie ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Mocht de Raad dit standpunt niet volgen, dan heeft appellante zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat zij die kosten wel maakt. In dat kader heeft appellante aangevoerd dat de in de NOW-2 opgenomen forfaitaire opslag van 40% niet dekkend is in haar situatie, omdat haar extra kosten 77% zijn. Appellante heeft de minister verzocht de terugvordering kwijt te schelden.


Het standpunt van de minister


4. De minister heeft toegelicht dat hij uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en dat hij (dus) de definitieve subsidie op grond van de NOW-2 heeft vastgesteld op € 26.939,-. De minister heeft de terugvordering vastgesteld op (het door de rechtbank foutief berekende bedrag van) € 10.157,-. Het Uwv heeft, op basis van de door de rechtbank vastgestelde gewijzigde subsidie, een nieuwe berekening gemaakt waaruit blijkt dat appellante in staat kon worden geacht om de resterende (gedaalde) loonkosten in de subsidieperiode NOW-2 op te brengen. In reactie op de grond inzake de ETregeling heeft de minister erop gewezen dat het een bewuste keuze is geweest om voor het berekenen van de hoogte van de subsidie uit te gaan van de gegevens zoals vastgelegd in de polisadministratie, en dat daarbij als loon geldt: het loon bedoeld in artikel 16 van de Wfsv. De minister heeft verder te kennen gegeven dat het ook een bewuste keuze is geweest om uit te gaan van een forfaitaire opslag, en deze onder de NOW-2 te verhogen naar 40%. Daarbij is geen uitzondering gemaakt voor uitzendbureaus.




Het oordeel van de Raad


5.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de definitieve subsidie op grond van de NOW-2 heeft vastgesteld op € 26.939,- en de hoogte van de terugvordering op € 10.157,-.



5.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.


Vergoedingen en verstrekkingen van extraterritoriale kosten aan arbeidsmigranten



5.3.1.
Artikel 1, eerste lid, van de NOW-2 bepaalt (onder meer) dat in deze regeling onder loon wordt verstaan: het loon, bedoeld in artikel 16, van de Wfsv, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Artikel 1, eerste lid, van de NOW-2 bepaalt ook dat onder loonsom wordt verstaan: het loon van alle werknemers behorend tot een loonheffingennummer. Wat appellante heeft aangevoerd over de door haar verstrekte vergoedingen en verstrekkingen van extraterritoriale kosten aan arbeidsmigranten geeft geen aanleiding om te concluderen dat de minister de loonsom in het kader van de NOW-2 onjuist of in afwijking van de betreffende bepalingen heeft vastgesteld.



5.3.2.
Uit de in artikel 8, eerste lid, van de NOW-2 opgenomen berekening blijkt dat de uitkomst van A (het percentage van de omzetdaling) x B (de loonsom) gecorrigeerd wordt met (onder meer) 1,4. Uit de Toelichting bij de NOW-2 blijkt dat de minister bewust heeft gekozen voor een forfaitaire opslag van 40% om aanvullende lasten en kosten van werkgevers, zoals bijvoorbeeld pensioenpremies, premies voor de werknemersverzekeringen en een reservering voor het uitbetalen van vakantiegeld, te compenseren. Uit de Toelichting blijkt ook dat de minister zich heeft gerealiseerd dat de aanvullende werkgeverslasten bovenop de loonsom hoger kunnen zijn dan 40%, en dat hiervoor geldt dat van werkgevers gevraagd wordt hun bijdrage te blijven leveren voor dit deel van de lasten. De Raad ziet, mede gelet hierop, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het strikt vasthouden aan de dwingend voorgeschreven forfaitaire opslag van 40% in het bestreden besluit onredelijk bezwarend is voor appellante.


Lagere vaststelling als gevolg van de gedaalde loonsom




5.4.1.
Uit artikel 18, zesde lid, van de NOW-2 volgt dat de minister de subsidie vaststelt aan de hand van de berekeningswijze bedoeld in artikel 8 van de NOW-2. Artikel 8, eerste lid, geeft een formule voor de berekening van de hoogte van de subsidie. Is de loonsom over de maanden juni tot en met september 2020 lager dan viermaal de referentieloonsom in – in dit geval – maart 2020, dan wordt de subsidie verlaagd overeenkomstig de formule van artikel 8, vijfde lid. Niet in geschil is dat de minister de subsidie NOW-2 heeft vastgesteld overeenkomstig voornoemde artikelen.



5.4.2.
In het geval van appellante was de minister bevoegd om de subsidie lager vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de grond dat de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.



5.4.3.
Het besluit tot vaststelling van de subsidie op een lager bedrag dan bij de subsidieverlening is vastgesteld, berust op een discretionaire bevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid moet de minister een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de NOW-subsidie enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor appellante anderzijds. Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor appellante nadelige gevolgen van de lagere vaststelling, van de als gevolg daarvan ten onrechte ontvangen bedragen, niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zoals de Raad in de uitspraak van 11 oktober 2022 in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 heeft overwogen, is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Bij deze directe toetsing van een (bestreden) besluit aan het evenredigheidsbeginsel kunnen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het (bestreden) besluit een rol spelen.




5.5.
De Raad acht de uitkomst van de door de minister verrichte belangenafweging niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en overweegt daartoe als volgt.


5.5.1.
Zoals de Raad in vaste rechtspraak heeft overwogen, heeft de regelgever voor de situatie dat de loonsom in de subsidiemaanden lager is dan viermaal de referentieloonsom uitdrukkelijk gekozen voor de berekeningswijze van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2, om zo het doel van de regeling, het behoud van werkgelegenheid, te bereiken. Dat is een legitiem doel waaraan zwaarwegende betekenis toekomt. Door bij de subsidievaststelling ten aanzien van de gedaalde loonsom geen rekening te houden met het omzetverlies, worden werkgevers gestimuleerd de loonsom zo veel mogelijk gelijk te houden. Dit doel van behoud van werkgelegenheid kan omwille van het noodzakelijk grofmazig karakter van de NOW-2 en een praktische uitvoerbaarheid daarvan worden bereikt, indien de berekeningswijze van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 consequent wordt toegepast. In zoverre is het bestreden besluit dan ook geschikt en noodzakelijk te achten.



5.5.2.
Tegenover het op zichzelf geschikt en noodzakelijk geachte bestreden besluit staat dat toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 voor appellante nadelige gevolgen heeft. Deze gevolgen maken echter niet dat het besluit in dit geval voor appellante als onredelijk bezwarend moet worden beoordeeld. Daartoe geldt het volgende.


5.5.3.
Zoals in 5.5.1 is vermeld, heeft de regelgever uitdrukkelijk gekozen voor de berekeningswijze van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2. De regelgever was zich er daarbij van bewust dat de loonsom in de subsidieperiode lager kan uitvallen dan in de referentieperiode, omdat werknemers intussen niet meer in dienst zijn of niet meer zijn opgeroepen en daarom geen loondoorbetaling hebben. Ook was de regelgever zich ervan bewust dat het dalen van de loonsom verschillende oorzaken kan hebben waarop de werkgever niet altijd invloed heeft gehad, zoals natuurlijk verloop, pensionering, overlijden of het zelf ontslag nemen door een werknemer. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat in het kader van de belangenafweging waarde toekomt aan het feit dat zij een uitzendonderneming is. Niet valt in te zien dat de positie van appellante op dit punt significant anders is dan die van andere werkgevers die te maken hebben met een gedaalde loonsom als gevolg van verschillende omstandigheden waarop zij geen invloed hebben.



5.5.4.
Dat de lagere vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-2 gevolgen heeft voor de financiële positie van appellante is aannemelijk. Appellante heeft onderbouwd gesteld dat zij in de subsidieperiode van juni 2020 tot en met september 2020, en in 2021 en 2022 grote verliezen heeft geleden, en dat [naam directeur] daarom privégeld heeft geleend aan appellante en aan zichzelf geen salaris heeft laten uitbetalen. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat appellante als gevolg van de lagere vaststelling onevenredig financieel nadeel heeft geleden. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat appellante bij de aanvraag kon weten dat een gedaalde loonsom gevolgen zou hebben voor de uiteindelijke subsidievaststelling.



5.5.5.
Bovendien kon appellante in staat worden geacht om de resterende (gedaalde) loonkosten in de periode van juni 2020 tot en met september 2020 op te brengen. De minister heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een (vereenvoudigde) berekening gemaakt. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld laat een dergelijke berekening zien dat het vaststellen van de subsidie volgens de berekeningswijze van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 niet onredelijk bezwarend uitpakt.



5.5.6.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er geen aanleiding om in dit geval de financieel nadelige gevolgen van de lagere vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-2 als onevenredig te beoordelen en slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet.


Terugvordering





5.6.
De minister heeft appellante ten onrechte een bedrag van € 10.157,- aan voorschot op grond van de NOW-2 verstrekt en was derhalve bevoegd om tot terugvordering daarvan over te gaan. De minister heeft te kennen gegeven dat er per 1 juni 2023 een betalingsregeling is overeengekomen van € 211,60 per maand in 48 termijnen. Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de voor haar nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.


Vertrouwensbeginsel



5.7.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend.



5.7.2.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De Raad is van oordeel dat appellante met de audiofragmenten van de op 25 augustus 2021 en 11 januari 2022 met medewerkers van het Uwv gevoerde gesprekken niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Uwv (namens de minister) heeft toegezegd dat afgezien zou worden van een lagere vaststelling in verband met de verlaagde loonsom. Uit deze audiofragmenten blijkt dat beide werknemers van het Uwv appellante meerdere malen adviseren om bezwaar te maken tegen de uiteindelijke vaststelling, maar daarbij benoemen dat zij zelf geen (inhoudelijke) toezeggingen kunnen doen.


Kwijtschelding





5.8.
In een aanvullend hogerberoepschrift van 1 juni 2024 heeft appellante de minister verzocht de terugvordering kwijt te schelden. Op 12 januari 2026 heeft de minister te kennen gegeven dat hij de primaire afdeling heeft gevraagd het verzoek om kwijtschelding in behandeling te nemen. Uit een mail van 15 maart 2026 van appellante aan het Uwv blijkt dat het verzoek inmiddels in behandeling is genomen maar nog niet tot besluitvorming heeft geleid. De Raad kan zich daarover dus in onderhavige procedure geen oordeel vormen.




Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de vaststelling van de definitieve subsidie op € 26.939,- en de hoogte van de terugvordering op € 10.157,- in stand blijven.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.



(getekend) H.G. Rottier



(getekend) N. Gios






Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Toepasselijke bepalingen uit de NOW-2


Artikel 1, eerste lid, van de NOW-2

[…]
In deze regeling wordt verstaan onder loon: het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking;
In deze regeling wordt verstaan onder loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer;
[…]


Artikel 8, eerste lid, van de NOW-2

De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:

A x B x 4 x 1,4 x 0,9

Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat:
a. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat luidde op 31 december 2021;
b. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat luidde op 31 december 2021;
c. de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid; en
d. het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per tijdvak van een maand, berekend na toepassing van de onderdelen a tot en met c.


Artikel 8, tweede lid, van de NOW-2

Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.


Artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2

Indien de loonsom bedoeld onder de letter C lager is dan viermaal de loonsom als bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt de subsidie verlaagd met:

(B x 4 – C) x 1,4 x 0,9

Hierbij staat:
B voor de loonsom, zoals berekend op grond van het eerste lid tot en met vierde lid;
C voor de loonsom over de periode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020, met dien verstande dat het eerste lid tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing is, waarbij de gehanteerde aangiftetijdvakken het zesde tot en met het negende aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn.


Artikel 18, zesde lid, van de NOW-2

De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 8 […].


Artikel 19 van de NOW-2

Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 15, 16 of 17, is voldaan.



Toepasselijke bepalingen uit de Awb


Artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Awb

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.


Artikel 4:46, eerste en tweede lid, van de Awb

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast;
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.


Artikel 4:95, eerste en vierde lid, van de Awb

1. Het bestuursorgaan kan vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
4. Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.



Overige bepalingen


Artikel 16 van de Wfsv



Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.


Tot het loon behoren niet:




[…]


Eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964;


[…]




Staatscourant 2020, nr. 34308 (p. 14 en 28).


CRvB 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207.


ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1606.


Zie de toelichting bij de NOW-1, Stcrt. 2020, 19874, p. 10; de toelichting bij de wijzigingen van de NOW-1 van 3 april 2020, Stcrt. 2020, 20561, p. 3 en 4 en de toelichting bij de NOW-2, Stcrt. 2020, 34308, p. 15.


Zie de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 3 december 2020, Kamerstukken II, 2020-2021, 35420, nr. 199, p. 4 en 5).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1606.
Link naar deze uitspraak