|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:511 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-05-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/203 NOW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Vaststelling loonkostensubsidie NOW-1 tot en met 5. Uitleg begrip omzet door dit ruimer op te vatten dan in artikel 2:377 lid 6 BW en de ontvangen NEDAB-subsidie voor zover die zien op personeelskosten bij de omzet te betrekken. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | inkomstenbelasting | | | subsidies | | | | Uitspraak | 24/203 NOW, 24/204 NOW, 24/205 NOW, 24/206 NOW, 24/207 NOW, 24/208 NOW, 24/209 NOW
Datum uitspraak: 29 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
15 december 2023, 22/3863, 22/3864, 23/2621, 23/2622, 23/2623, 23/2624 en 23/2625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante N.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 tot en met de NOW-5. Appellante stelt dat de accountant en vervolgens de minister een onjuiste uitleg hebben gegeven aan het begrip ‘omzet’, als bedoeld in de relevante artikelen van de NOW-1 tot en met de NOW-5 door dit ruimer op te vatten dan het begrip omzet in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW en de door haar ontvangen NEDAB-subsidie bij de berekening van de omzet te betrekken. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt en is met de rechtbank van oordeel dat de door appellante ontvangen NEDAB-subsidie tot de in aanmerking te nemen omzet moet worden gerekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens de minister heeft de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2025. Voor appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Timmer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellante exploiteert een luchthaven in Nederland.
1.2.
Appellante ontvangt van de overheden die aandeelhouder zijn van de luchthaven subsidie voor niet-economische diensten van algemeen belang (NEDAB-subsidie). Het betreft compensatie van de kosten voor brandweer en beveiliging van de luchthaven, zoals personeelskosten, beheerskosten, administratie- en overheadkosten. Voor het jaar 2019 is de aan appellante verleende NEDAB-subsidie vastgesteld op € 3.000.000,-. In 2020 en in 2021 is de NEDAB-subsidie vastgesteld op respectievelijk € 2.572.398,- en € 2.600.107,-.
1.3.
Op 8 mei 2020, 6 augustus 2020, 19 november 2020, 10 maart 2021, 4 juni 2021, 2 augustus 2021 en 14 december 2021 heeft appellante aanvragen ingediend voor tegemoetkomingen in de loonkosten op grond van de diverse Tijdelijke noodmaatregelen overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1 tot en met NOW-5). Deze aanvragen zagen op de verwachte omzetverliezen in de periodes van respectievelijk 1 maart 2020 tot en met 30 mei 2020, 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020, 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020, 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021, 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021, 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021 en 1 november 2021 tot en met 31 december 2021.
1.4.
Met besluiten van 11 mei 2020, 10 augustus 2020, 24 november 2020, 15 maart 2021, 7 juni 2021, 9 augustus 2021 en 14 december 2021 heeft de minister aan appellante subsidie verleend in lijn met de verwachte omzetverliezen. De minister heeft voorschotten betaald.
1.5.
Met een brief van 18 mei 2021 heeft appellante, voor zover hier relevant, de minister verzocht om duidelijkheid te verschaffen over het omzetbegrip in de NOW-1 in relatie tot de NEDAB-subsidie. De minister heeft op 27 juli 2021 geantwoord de gewenste duidelijkheid niet te kunnen verschaffen en appellante aangeraden om samen met haar accountant te beoordelen of de NEDAB-subsidie in haar geval tot de omzet moet worden gerekend.
1.6.
Appellante heeft op 3 februari 2022, op 2 maart 2022 en vijf keer op 19 januari 2023 aanvragen ingediend voor de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 tot en met de NOW-5. Appellante heeft bij de aanvraagformulieren voor de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten een brief gevoegd, waarin zij de minister heeft verzocht om bij de berekening af te wijken van het omzetverlies dat in de accountantsverklaring is vermeld door, anders dan de accountant, uit te gaan van een omzet zonder de NEDAB-subsidie.
1.7.
Met een besluit van 27 maart 2022 (besluit 1) heeft de minister de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 vastgesteld op € 397.558,- en met het besluit van 31 maart 2022 (besluit 2) heeft de minister het te veel betaalde voorschot van € 71.888,- van appellante teruggevorderd.
1.8.
De minister heeft met een besluit van 30 maart 2022 (besluit 3) de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-2 vastgesteld op € 439.210,-. Daarbij heeft de minister bepaald dat het te veel betaalde voorschot van € 414,- niet door appellante hoeft te worden terugbetaald, omdat dit bedrag lager is dan € 500,-.
1.9.
Met een besluit van 8 maart 2023 (besluit 4) heeft de minister de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-3, derde tranche vastgesteld op € 257.374,-. Daarbij heeft de minister bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling van € 46.057,-, omdat het verleende voorschot lager is dan de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-3, derde tranche.
1.10.
De minister heeft met een besluit van 3 maart 2023 (besluit 5) de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-3, vierde tranche vastgesteld op € 311.558,-. Daarbij heeft de minister bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling van € 13.547,-, omdat het verleende voorschot lager is dan de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-3, vierde tranche.
1.11.
Met een besluit van 29 maart 2023 (besluit 6) heeft de minister de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-3, vijfde tranche vastgesteld op € 301.066,- en het te veel betaalde voorschot van € 30.410,- van appellante teruggevorderd.
1.12.
De minister heeft met een besluit van 12 maart 2023 (besluit 7) de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-4 vastgesteld op € 178.518,-. Daarbij heeft de minister bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling van € 35.703,-, omdat het verleende voorschot lager is dan de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-4.
1.13.
Met een besluit van 15 februari 2023 (besluit 8) heeft de minister de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-5 vastgesteld op € 174.626,-. Daarbij heeft de minister bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling van € 42.686,-, omdat het verleende voorschot lager is dan de definitieve subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-5.
1.14.
De minister is in elk van deze besluiten uitgegaan van de gehanteerde omzet in de door appellante overgelegde accountantsverklaring, waarbij de NEDAB-subsidie, voor zover betreffende de personeelskosten, bij de berekening van de omzet is betrokken.
1.15.
Bij twee beslissingen op bezwaar van 17 oktober 2022 (bestreden besluiten 1 en 2) en bij vijf beslissingen op bezwaar van 31 mei 2023 (bestreden besluiten 3 tot en met 7) heeft de minister de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 tot en met 8 ongegrond verklaard. De minister heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat de activiteiten waarvoor de NEDAB-subsidie wordt verstrekt te beschouwen zijn als normale activiteiten van appellante en daarmee onder het omzetbegrip in de zin van de NOW-regelingen vallen. De minister heeft daarbij opgemerkt dat de accountant bij de berekening van de omzet enkel rekening heeft gehouden met dat deel van de NEDAB-subsidie dat ziet op de personeelskosten. Omdat het instellen van bezwaar betrokkene niet in een nadeliger positie mag brengen, zal de minister zich daartoe eveneens beperken. De minister is gehouden aan het accountantsrapport en wijkt hier niet vanaf. Er is ook geen mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen in de regeling.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten in de beroepen met de zaaknummers 23/2624 en 23/2625 ongegrond verklaard en de beroepen tegen de bestreden besluiten in de beroepen met de zaaknummers 22/3863, 22/3864, 23/2621, 23/2622 en 23/2623 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. Verder heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante in 2020 en 2021 ontvangen NEDAB-subsidie, voor zover betreffende de personeelskosten, bij de NOW-1 voor de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten bij de over de aanvraagperiode in aanmerking te nemen omzet moet worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is het omzetbegrip in de NOW-2 tot en met de NOW-5 niet wezenlijk gewijzigd, waardoor het voorgaande ook geldt voor de bestreden besluiten die op deze regelingen zijn gebaseerd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de tekst van artikel 1, tweede lid, van NOW-1, gelezen in samenhang met de Toelichting bij de NOW-1 en de Kamerbrief van 9 december 2020 en Bijlage III, tot de conclusie leidt dat voor de NOW-1 een breder omzetbegrip moet worden gehanteerd dan het omzetbegrip in artikel 377, zesde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), te weten met uitbreiding van de baten die voortkomen uit de uitvoering van de normale activiteiten van een bedrijf. De rechtbank heeft erop gewezen dat in artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 in de laatste zin is bepaald dat alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, onder omzet in de zin van de regeling vallen. Gelet op de plaats van deze zin, aan het einde van de definitie en na de verwijzing naar de definitie in het BW, is bedoeld om een nuancering aan te brengen op de verwijzing naar het BW. Naar het oordeel van de rechtbank is de NEDAB-subsidie een subsidie als bedoeld in voormelde stukken. Dat de NEDAB-subsidie wordt verleend voor niet-economische diensten van algemeen belang doet daaraan niet af. De rechtbank is van oordeel dat doorslaggevend is of de baten zijn voortgekomen uit de uitvoering van normale activiteiten van de organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Dat de activiteiten waarvoor de NEDABsubsidie wordt ontvangen normaal gesproken door de overheid zelf worden verricht, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat op appellante de wettelijke plicht rust tot het verrichten van de betreffende brandweer- en beveiligingswerkzaamheden en daarmee behoren deze werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank tot de normale bedrijfsvoering van appellante. De rechtbank heeft erop gewezen dat appellante de luchthaven niet kan exploiteren als zij deze werkzaamheden niet verricht.
2.4.
Naar aanleiding van wat partijen over de belangenafweging hebben aangevoerd, heeft de rechtbank overwogen dat de minister op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was om de subsidie lager vast te stellen op de grond dat de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Bij de uitoefening van die bevoegdheid had de minister echter een belangenafweging moeten maken. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit bij de bestreden besluiten in de procedures met zaaknummers 22/3863, 22/3864, 23/2621, 23/2622 en 23/2623 onvoldoende kenbaar heeft gedaan. Omdat in de beroepen tegen de bestreden besluiten in de procedures met zaaknummers 23/2624 en 23/2625 geen sprake is geweest van een lagere vaststelling van de subsidie voor loonkosten, was de minister niet gehouden ten aanzien van deze besluiten een belangenafweging uit te voeren. De bestreden besluiten in de beroepen met de zaaknummers 22/3863, 22/3864, 23/2621, 23/2622 en 23/2623 zijn onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Deze besluiten moeten wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb worden vernietigd.
2.5.
Omdat ter zitting namens de minister is toegelicht welke belangen in de belangenafweging zijn betrokken, heeft de rechtbank beoordeeld of de rechtsgevolgen van deze bestreden besluiten in stand kunnen worden gelaten.
2.6.
Wat appellante heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om op te wegen tegen het belang van een juiste definitieve vaststelling van subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 tot en met de NOW-5. De rechtbank heeft erop gewezen dat de minister bij de toepassing van de NOW-regelingen beoordelingsvrijheid heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante onvoldoende feitelijk en/of cijfermatig onderbouwd wat nu precies de financiële gevolgen zijn geweest van de definitieve vaststellingen van de subsidies voor loonkosten die maken dat zij door deze besluiten onevenredig wordt getroffen. De rechtbank heeft erop gewezen dat appellante in 2019 voor een bedrag van ongeveer
€ 3.000.000,- aan personeelskosten had en in 2020 en in 2021 de door haarzelf te dragen personeelskosten respectievelijk € 1.000.000,- en € 1.500.000,- bedroegen. De overige personeelskosten zijn vergoed via de NOW- en de NEDAB-subsidies. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier van een zodanige onevenredigheid sprake is dat de vaststelling niet kan worden gehandhaafd. De overige door appellante aangevoerde omstandigheden leiden er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de definitieve vaststellingen van de subsidie voor loonkosten niet conform de NOW-regelingen kunnen worden vastgesteld. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven.
Het standpunt van appellante
3.1.
Het hoger beroep van appellante is zowel gericht tegen het ongegrond verklaren van de beroepen tegen de bestreden besluiten in de procedures met zaaknummers 23/2624 en 23/2625 als tegen de vernietiging van de bestreden besluiten in de procedures met zaaknummers 22/3863, 22/3864, 23/2621, 23/2622 en 23/2623, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand worden gelaten.
3.1.1.
Appellante heeft haar standpunt herhaald dat de minister, in navolging van de accountant, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘omzet’ bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de NOW-1, door dit ruimer op te vatten dan het begrip omzet in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW en de door haar in 2020 en 2021 ontvangen NEDABsubsidie, voor zover het betreft de personeelskosten, bij de berekening van de omzet te betrekken. De rechtbank heeft het standpunt van de minister in de bestreden besluiten volgens appellante dan ook ten onrechte onderschreven. Appellante heeft aangevoerd dat de NEDAB-subsidie, gelet op de toelichting bij de NOW-regelingen, alleen tot de omzet moet worden gerekend als dat volgens het jaarrekeningenrecht het geval is. Dat is volgens appellante niet het geval. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat de NEDABsubsidie is bedoeld voor het compenseren van de kosten voor brandweer en beveiliging. Dit is volgens appellante geen economische of commerciële dienst, maar een vergoeding van kosten die zijn gemaakt ten behoeve van een niet-economische dienst van algemeen belang die betrekking hebben op verlegde overheidstaken. Voorts heeft appellante betoogd dat een bredere uitleg van het begrip omzet dan in het jaarrekeningenrecht wordt gehanteerd, ertoe leidt dat de NEDAB-subsidie als (verboden) staatssteun zou moeten worden aangemerkt.
3.1.2.
Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister in beroep alsnog een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt en dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Volgens appellante heeft de minister er in de belangenafweging onvoldoende rekening mee gehouden dat de substantiële negatieve resultaten invloed hebben op de investeringsmogelijkheden in een veilige en toekomstgerichte luchthaven. Verder is volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere aard van de NEDAB-subsidie. Ook heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte haar mislukte poging om duidelijkheid te verkrijgen over het omzetbegrip in de NOW-regelingen in relatie tot de NEDAB-subsidie, de weifelende houding van de minister en de gevolgen daarvan niet in de belangenafweging betrokken.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Uit artikel 14, vijfde lid, van de NOW-1 volgt dat de minister de subsidie vaststelt aan de hand van de berekeningswijze als bedoeld in artikel 7 van de NOW-1. In het eerste lid van artikel 7 is hiervoor een formule opgenomen. Eén van de elementen in de berekening is de omzetdaling. In artikel 6 van de NOW-1 is geregeld hoe de omzetdaling wordt vastgesteld. De omzet in de meetperiode wordt daartoe vergeleken met de omzet in de referentieperiode, gedeeld door vier. Voor de te vergelijken omzet wordt uitgegaan van het begrip omzet, zoals dwingend voorgeschreven in artikel 1, tweede lid, van de NOW. De NOW-regeling kent geen hardheidsclausule op grond waarvan de minister bevoegd is om in bijzondere gevallen af te wijken van de tekst van de NOW-regeling. Voor de overige NOW-regelingen geldt dat de betreffende bepalingen vrijwel gelijkluidend zijn en dat deze evenmin een hardheidsclausule kennen.
5.3.
Voor de algemene uitgangspunten die worden gehanteerd bij de beoordeling van besluiten over de definitieve vaststelling van subsidie voor loonkosten op grond van de NOWregelingen wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 18 januari 2023 en 13 december 2024. Deze uitgangspunten staan in deze zaken niet ter discussie.
5.4.
Het geschil spitst zich toe op de vraag wat de omzetdaling was in de subsidieperiodes voor de NOW-1 tot en met de NOW-5. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of de door appellante ontvangen NEDAB-subsidies, voor zover die zien op de personeelskosten, vallen onder het omzetbegrip zoals gedefinieerd in de NOW-regelingen en moeten worden meegenomen bij de berekening van de omzet over de in de aanvragen vermelde periodes. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.
5.4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, volgt uit artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en de Toelichting bij deze regeling dat in de NOW wordt uitgegaan van een ruimer omzetbegrip dan in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW. Voor het omzetbegrip wordt gekeken naar wat er voor de winst- en verliesrekening als netto-omzet wordt gezien en naar alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid. Dit betekent dat ook de overige opbrengsten als omzet worden gezien voor de NOW voor zover zij zien op de reguliere bedrijfsactiviteiten van de onderneming.
5.4.2.
Appellante heeft ten aanzien van de door de accountant en vervolgens de minister gehanteerde omzet in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen. Daaraan wordt toegevoegd dat wat namens appellante ter zitting is aangevoerd over het incidentele karakter van de inzet van de brandweer, niet leidt tot het oordeel dat de activiteiten van de brandweer en de beveiliging buiten de normale activiteiten van appellante bij de exploitatie van de luchthaven vallen.
5.4.3.
Wat appellante heeft betoogd over de vraag of en onder welke voorwaarden de NEDAB-subsidie moet worden aangemerkt als staatssteun, ziet niet op de rechtsvraag die hier voorligt en behoeft daarom geen bespreking.
5.4.4.
Appellante heeft ten aanzien van de door de minister verrichte belangenafweging geen wezenlijk andere gronden aangevoerd dan in beroep. Er is geen aanleiding om op dit punt anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan, zodat ook daarvoor wordt volstaan met te verwijzen naar de overwegingen daarover in de aangevallen uitspraak.
Conclusie en gevolgen
6. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister in het geval van appellante de subsidie voor loonkosten juist heeft vastgesteld en de beroepen op juiste gronden ongegrond heeft verklaard, voor zover betreffende de beroepen met de zaaknummers 23/2624 en 23/2625. De rechtbank heeft de overige beroepen terecht gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven.
7. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en de betaalde griffierechten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
NOW-1:
Artikel 1, tweede lid, NOW-1
Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst- en verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van de grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.
Artikel 3 van de NOW-1
Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.
Artikel 6 van de NOW-1
1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond.
2. De referentie-omzet bedoeld in het eerste lid is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
3. (..)
4. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon, tenzij artikel 6a van toepassing is,
5. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het vierde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. (..).
Artikel 7, eerste lid, van de NOW-1
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,3 x 0,9
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de constante B*, zoals berekend op grond van artikel 10, met dien verstande dat: (..)
Artikel 14, vijfde lid, van de NOW-1:
De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7 (..).
Artikel 15 van de NOW-1
Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 13 is voldaan.
Burgerlijk Wetboek (BW):
Artikel 377 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
1. Op de winst- en verliesrekening worden afzonderlijk opgenomen: (..)
2. De baten en lasten uit de gewone bedrijfsvoering worden hetzij overeenkomstig lid 3, hetzij overeenkomstig lid 4 gesplitst:
3. Afzonderlijk worden opgenomen:
a. de netto-omzet;
b. (...);
c. (…);
d. de overige bedrijfsopbrengsten;
e. (…)
6. Onder de netto-omzet wordt verstaan de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen.
Algemene wet bestuursrecht (Awb):
Artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Awb
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolge van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:46, eerste en tweede lid, van de Awb
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast;
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of onvolledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of;
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.
Artikel 4:95, eerste en vierde lid, van de Awb
1. Het bestuursorgaan kan vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
4. Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.
Stcrt. 2020, nr. 19874.
Kamerbrief van 9 december 2020 inzake Aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket, CEAEP/20307631.
CRvB 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:95 en CRvB 13 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2402.
CRvB 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:346.
Stcrt. 2020, nr. 19874.
Kamerstuk 35420, nr. 237, Bijlage III. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|