Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:522 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:13-05-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:24/1158 PW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Intrekking en terugvordering AIO. Schending inlichtingenverplichting. Vermogen in buitenland. Taxatie. Geen geslaagd beroep op evenredigheidsbeginsel. Geen dringende redenen. De voorzieningenrechter heeft eerder geoordeeld dat de Svb met de door appellant overgelegde adoulaire akte, tijdelijke vergunning en het taxatierapport aannemelijk heeft gemaakt dat appellant eigenaar is van de grond en de woning in Tanger. Het standpunt dat appellant geen eigenaar is van de grond en de woning in Tanger is niet met nadere gegevens onderbouwd. De Raad ziet geen reden om anders dan de voorzieningenrechter te oordelen.
Trefwoorden:koopakte
landbouwgrond
levensonderhoud
taxatie
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2024, 24/572 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)






Datum uitspraak: 21 april 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) van appellant. Volgens de Svb heeft appellant niet gemeld dat hij onroerende zaken in Marokko bezit. Appellant vindt dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat hij geen eigenaar is van de grond en de woning in [ plaats 1] . Ook vindt hij dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden waardoor de intrekking en terugvordering moeten worden gematigd. Appellant krijgt daarin geen gelijk. Het hoger beroep slaagt niet.




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Ruijs, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter van de Raad (voorzieningenrechter) heeft het verzoek van appellant tot het treffen van een voorlopige voorziening met een uitspraak van 10 maart 2025 afgewezen.

De Raad heeft appellant op 2 mei 2025 nadere vragen gesteld. Appellant heeft deze vragen op 22 mei 2025 beantwoord. De Svb heeft hierop op 16 juni 2025 gereageerd.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.
Appellant en zijn echtgenote (X) ontvangen sinds 1 juli 2018 een AIO naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW).


1.2.
Met een brief van 16 juni 2021 heeft de Svb appellant informatie gevraagd over verblijf en vermogen buiten Nederland.


1.3.
Met een e-mailbericht van 30 juni 2021 heeft appellant laten weten dat hij in Marokko een stuk grond heeft geërfd van zijn ouders in het dorp [gemeente] te [plaats 2] . De waarde van dit stuk grond bedraagt volgens appellant maximaal € 2.000,-. Op een formulier “onderzoek vermogen buiten Nederland” van 3 september 2021 heeft appellant verklaard dat hij sinds 17 december 2006 eigenaar is van een stuk grond in [ plaats 1] waarop een woning is gebouwd en dat hij sinds 30 december 2019 eigenaar is van een stuk grond in [gemeente] . Appellant heeft verder vermeld dat hij de woning zelf heeft gebouwd en dat de kinderen de woning en de koopsom van de grond in [ plaats 1] hebben gefinancierd. Appellant heeft hierbij onder meer de volgende stukken meegestuurd:
- een notariële, zogeheten ‘adoulaire akte’, van 14 maart 2006 waarin staat dat appellant op 31 juli 1986 een stuk grond heeft gekocht van 104,5 m² in [ plaats 1] , dat die grond eigendom van hem is conform een koopakte van 31 juli 1986 en dat appellant deze grond heeft verwisseld voor een stuk grond van 100 m2 van het vastgoedbedrijf [naam vastgoedbedrijf] in [ plaats 1] (adoulaire akte);
- een aan appellant op 21 december 2006 verleende vergunning om tijdelijk een gebied van 20 m² van het collectieve openbare domein te gebruiken door apparatuur of materialen voor het bouwen van een woning op adres Y te [ plaats 1] (tijdelijke verklaring); en
- een verklaring van het kadaster van [plaats 2] , afgegeven op 30 december 2019, waarin staat dat appellant op 10 september 2018 een verzoek heeft ingediend bij het kadaster van [plaats 2] om een stuk grond in het dorp [naam dorp] , gemeente [gemeente] , te laten registeren in het onroerend goed register van [plaats 2] (grond in [gemeente] ).


1.4.
Met een besluit van 24 september 2021 heeft de Svb de betaling van de AIO met ingang van 1 oktober 2021 geblokkeerd (blokkeringsbesluit). In dat besluit heeft de Svb appellant ook verzocht stukken te overleggen. De dochter van appellant (Z) heeft met een emailbericht van 13 december 2021 namens appellant diverse gegevens ingeleverd, waaronder een taxatierapport van de woning op adres Y in [ plaats 1] (woning in [ plaats 1] ) van 28 oktober 2021. Daarin staat dat appellant heeft verzocht om een taxatie van zijn woning op dat adres en dat de waarde van die woning is getaxeerd op 720.000 Dirham, omgerekend circa € 72.000,-. In haar e-mailbericht heeft Z vermeld dat appellant in 2002 een schikkingsbedrag van € 30.000,- heeft ontvangen in een procedure tegen een ziekenhuis dat een medische fout had gemaakt, waardoor appellant arbeidsongeschikt was geworden. Met een e-mailbericht van 24 december 2021 heeft Z namens appellant ook nog een taxatierapport van de grond in [gemeente] overgelegd. In dit rapport is deze grond getaxeerd op 27.000 Dirham, omgerekend circa € 2.700,-.


1.5.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het blokkeringsbesluit. Tijdens de hoorzitting op 19 januari 2022 heeft Y onder meer verklaard dat een deel van de financiële vergoeding die appellant in verband met de foutieve medische ingreep heeft ontvangen, is gebruikt voor aankoop grond in Marokko. De rest van die vergoeding is gespaard en later gebruikt voor het bouwen van de woning op dezelfde grond. Y heeft ook een deel van bouw woning gefinancierd en daarvoor is geen schuldbekentenis met betalingsverplichting afgegeven. Met een besluit van 21 januari 2022 heeft de Svb het bezwaar tegen het blokkeringsbesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.6.
Op verzoek van de Svb heeft de Attaché van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat (Attaché) een onderzoek ingesteld naar het vermogen van appellant in Marokko. Een medewerker van de Attaché die dit onderzoek heeft uitgevoerd, heeft in een rapport van 11 augustus 2022, op basis van de door appellant aan de Svb verstrekte stukken, geconcludeerd dat appellant eigenaar is van de grond in [gemeente] en van de woning in [ plaats 1] . De medewerker adviseert de Svb om appellant een machtiging te laten verstrekken aan een door het Bureau Sociale Zaken in te schakelen taxateur die de waarde van de onroerende zaken zal taxeren. Nadat appellant deze machtiging had afgegeven, heeft de taxateur de grond in [gemeente] en de woning in [ plaats 1] getaxeerd. Daarbij heeft de taxateur het Marokkaanse kadaster geraadpleegd. Daaruit is gebleken dat de landbouwgrond op naam staat van appellant, maar dat van de woning in [ plaats 1] geen eigenaar is vermeld. Op 23 mei 2023 heeft de taxateur twee taxatierapporten opgemaakt. Daarbij is de actuele waarde van de landbouwgrond getaxeerd op een bedrag van 24.507,20 Dirham, omgerekend circa € 2.250,- en is de waarde van de grond en de woning in [ plaats 1] getaxeerd op een bedrag van 465.000 Dirham, omgerekend circa € 42.550,-.


1.7.
Op basis van de onderzoeksresultaten heeft de Svb met twee afzonderlijke besluiten van 3 juli 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 december 2023 (bestreden besluit), de AIO van appellant en X vanaf 1 juli 2018 ingetrokken en de over de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 september 2021 ten onrechte betaalde AIO van appellant en X teruggevorderd tot een bedrag van € 24.738,35. Aan de intrekking en de terugvordering heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant en X de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant eigenaar is van onroerende zaken in Marokko met een waarde die hoger is dan de grens van het vrij te laten vermogen. Hierdoor hebben appellant en X geen recht op een AIO.


Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over intrekking en terugvordering van de AIO in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 1 juli 2018, de datum met ingang waarvan de AIO is ingetrokken, tot en met 3 juli 2023, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).


4.2.
Intrekking van bijstand, zoals een AIO, is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat de Svb aannemelijk moet maken dat appellant en X beschikten of redelijkerwijs konden beschikken over vermogen in Marokko en dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden door daarvan geen melding te maken en daardoor geen recht op AIO hadden.


4.3.
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat appellant eigenaar is van de grond en de woning in [ plaats 1] . Volgens appellant is dat niet het geval. Wat hij daarover aanvoert komt er in de kern op neer dat zijn kinderen eigenaar zijn van de grond en de woning in [ plaats 1] en dat hij dus niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden door van die onroerende zaken geen melding te maken bij de Svb. Deze grond slaagt niet.

4.3.1.
De voorzieningenrechter heeft in de in het procesverloop genoemde uitspraak van 10 maart 2025 geoordeeld dat de Svb met de door appellant overgelegde adoulaire akte, tijdelijke vergunning en het taxatierapport van 28 oktober 2021 aannemelijk heeft gemaakt dat appellant eigenaar is van de grond en de woning in [ plaats 1] . Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft appellant uitdrukkelijk verzocht niet direct een eindoordeel te geven over de hoofdzaak, omdat hij zijn standpunt dat hij geen eigenaar is van de grond en de woning in [ plaats 1] nog met nadere gegevens wenste te onderbouwen. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter alleen beslist op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en een voorlopig oordeel gegeven over de hoofdzaak. Hierna heeft de Raad appellant in de gelegenheid gesteld zijn standpunt nader te onderbouwen. Met een brief van 22 mei 2025 heeft appellant laten weten dat er geen aanvullende gegevens zullen worden overgelegd. De Raad ziet geen reden om anders dan de voorzieningenrechter te oordelen en volstaat hier met verwijzing naar de overwegingen 5.7 tot en met 5.10 van de uitspraak van 10 maart 2025.



4.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de waarde van de woning door de Svb niet juist is vastgesteld omdat de woning in 2023 is getaxeerd. De Svb had de waarde vanaf 2018 moeten vaststellen. Deze grond slaagt niet.

4.4.1.
De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 10 maart 2025, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, kort gezegd geoordeeld dat de taxatie kon worden gebruikt om het recht op bijstand in de te beoordelen periode schattenderwijs vast te stellen. Appellant is na deze uitspraak niet met nadere gegevens gekomen over de waarde van de woning in [ plaats 1] in de te beoordelen periode. Daarom ziet de Raad ook op dit punt geen reden om anders dan de voorzieningenrechter te oordelen en volstaat hij hier met verwijzing naar de overwegingen 5.11 tot en met 5.11.2 van de uitspraak van 10 maart 2025.



4.5.
Gelet op 4.3.1 en 4.4.1 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Omdat appellant niet heeft gemeld dat hij onroerende zaken in Marokko bezit, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Doordat de waarde van de onroerende zaken hoger is dan de voor appellant geldende vermogensgrens is als gevolg daarvan over de te beoordelen periode ten onrechte AIO verleend. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW is voldaan. Gelet hierop was de Svb verplicht de AIO met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW in te trekken en met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de PW terug te vorderen.


4.6.
Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de intrekking en terugvordering onevenredig belastend zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.6.1.
Het gaat hier om een verplichte intrekking en terugvordering als bedoeld in de artikelen 54, derde lid, eerste volzin, en 58, eerste lid, van de PW. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht stuit het beroep op het evenredigheidsbeginsel af op het gebonden karakter van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering en het feit dat die berusten op een wet in formele zin.


4.6.2.
Voor zover de beroepsgrond ook moet worden gezien als een beroep op de mogelijkheid om met toepassing van artikel 58, achtste lid, van de PW op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, slaagt ook dit beroep niet. Daartoe is het volgende van belang.


4.6.3.
Zoals de Raad in de onder 4.6.1 bedoelde uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is betaald in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.


4.6.4.
Op grond van wat appellant naar voren heeft gebracht, heeft de Svb bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De terugvordering is ontstaan doordat appellant ten tijde van de aanvraag voor de AIO de Svb niet heeft gemeld dat hij eigenaar is van onroerende zaken in Marokko. Dat appellant op 30 juni 2021 desgevraagd alsnog zelf melding heeft gemaakt van zijn eigendom is geen reden om de terugvordering te matigen omdat de Svb na die melding voldoende voortvarend te werk is gegaan en het bedrag van de terugvordering hierdoor niet onnodig hoog is opgelopen. Dat de kinderen van appellant jarenlang hebben bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van appellant en X en dit niet langer kunnen doen, is geen gevolg van de terugvordering. De leeftijd van appellant is dat ook niet. De hoogte van de terugvordering houdt verband met de lange duur van de periode waarover appellant de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Verder is van belang dat appellant bij de invordering wordt beschermd door de beslagvrije voet.






Conclusie en gevolgen


4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de AIO in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.





(getekend) O.L.H.W.I. Korte



(getekend) A.T. Dannenberg


Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet

Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.

Artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet

Indien daarvoor dringende reden aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


ECLI:NL:CRVB:2025:410.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2745 en ECLI:NL:CRVB:2022:2794.


Vergelijk de uitspraken van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192 tot en met 2195.
Link naar deze uitspraak