|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:588 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-05-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/519 WAJONG | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Weigering om terug te komen van het besluit tot weigering een Wajong-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak in de periode van het achttiende tot het 23e jaar. | | Trefwoorden | : | ingezetene | | | minimumloon | | | uitkering | | | wao | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
13 februari 2025, 24/4876 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist om niet terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante is van mening dat zij aan de voorwaarden voor een uitkering voldoet. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Voor appellante is
mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.M. Breevoort.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1978, heeft met een door het Uwv op 19 november 2014 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Met een besluit van 13 januari 2015 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat zij na haar achttiende verjaardag meer dan een jaar heeft gewerkt en daarmee ten minste het minimumloon heeft verdiend. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Met een door het Uwv op 10 juni 2022 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij heeft zij vermeld dat een psychiater haar in december 2008 heeft gediagnosticeerd met een depressie, een angststoornis, ADHD en PTSS. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van Yulius. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat dit niets zegt over de voor de Wajong-relevante periode. Appellante heeft in de voor de Wajong-relevante periode aantoonbaar over arbeidsvermogen beschikt. Met een besluit van 29 augustus 2022 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het eerdere besluit van 13 januari 2015.
1.3.
Bij besluit van 15 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In dit besluit heeft het Uwv de belastbaarheid van appellante op haar zeventiende en achttiende verjaardag beoordeeld op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en haar aanspraken op grond van de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid beoordeeld op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Volgens de verzekeringsarts bezwaar er beroep is er onvoldoende medische informatie beschikbaar om de belastbaarheid van appellante op haar zeventiende ( [geboortedatum] 1995) en achttiende verjaardag ( [geboortedatum] 1996) vast te stellen. De omstandigheid dat die gegevens ontbreken komt volgens vaste rechtspraak voor rekening en risico van appellante. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering op grond van de AAW gehandhaafd blijft. Verder is volgens het Uwv binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag van appellante geen sprake van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 28 maart 2024 voldoende gemotiveerd dat er geen gegevens beschikbaar zijn die voldoende en betrouwbare informatie bevatten over de aard en ernst van de beperkingen van appellante op haar zeventiende verjaardag en gedurende de 52 weken daarna. Daardoor kan niet worden vastgesteld wat de belastbaarheid in die periode was. De eerst beschikbare informatie over de medische situatie van appellante blijkt uit de WAObeoordeling van 30 juli 1998, nadat appellante per 27 juni 1997, toen zij dus bijna negentien was, was uitgevallen voor haar toenmalige werk. Hoewel toen is vastgesteld dat zij geen benutbare mogelijkheden had, volgt uit de omstandigheid dat appellante voordien arbeid verrichtte, dat die conclusie niet kan worden getrokken over de belastbaarheid op haar zeventiende verjaardag en gedurende de 52 weken daarna. Ook latere diagnoses geven daarover geen informatie. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat het toen een andere tijd was en dat de huisarts, die meende dat het spanning was, appellante toen niet heeft doorgestuurd naar bijvoorbeeld het Riagg en dat zij daarom niet beschikt over medische informatie uit die tijd. Verder heeft appellante toegelicht dat zij onder sociale druk altijd haar best heeft gedaan om toch maar opleidingen te volgen en te werken – de langste periode was een jaar aaneen – maar daarbij is zij regelmatig uitgevallen en zijn dienstverbanden niet verlengd. De rechtbank heeft zich gerealiseerd dat het ongelukkig is dat appellante hierdoor geen, althans onvoldoende, bewijs kan leveren over haar medische situatie in de bedoelde periode. De rechtbank heeft overwogen dat dit echter bij een laattijdige aanvraag als die van appellante, volgens vaste rechtspraak van de Raad voor risico van de aanvrager komt. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering op grond van artikel 6 van de AAW.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich bij de beoordeling of recht bestaat op een Wajong-uitkering op basis van toegenomen duurzame beperkingen binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet binnen deze periode haar arbeidsvermogen duurzaam is verloren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit verband toegelicht dat appellante tot januari 2000 een WAOuitkering heeft gehad, omdat zij in die tijd geen benutbare mogelijkheden had. Hiermee is weliswaar aannemelijk dat appellante destijds niet een uur aaneengesloten kon werken en/of ten minste vier uur per dag belastbaar was, maar volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep was in die periode geen sprake van het duurzaam ontbreken hiervan. Appellante heeft namelijk na de WAO-uitkering diverse dienstverbanden gehad in reguliere arbeid, waarbij zij tot 36 uur per week werkte. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellante dus geen geslaagd beroep kan doen op de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Appellante is geboren voor 1 januari 1980 en heeft haar aanvraag om een Wajonguitkering vóór 18 december 2020 ingediend. Voor de vraag of appellante jonggehandicapte is en in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, heeft het Uwv daarom terecht beoordeeld of appellante op haar zeventiende en achttiende jaar voldeed aan de criteria uit de artikelen 5 en 6 van de toenmalige AAW.
5.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, valt artikel 32a van de AAW, waarin de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid destijds was opgenomen, niet onder het overgangsrecht van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Omdat appellante haar aanvraag voor een Wajonguitkering na 1 januari 2015 heeft ingediend, betekent dit dat haar aanspraken op grond van de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid dienen te worden beoordeeld op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Voor een geslaagd beroep op de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong moet sprake zijn van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak in de periode van het achttiende tot het 23e jaar.
Medische beoordeling op zeventiende en achttiende jaar
5.3.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht dan zij bij de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank als beschreven in 2.1 en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad voegt daar aan toe dat appellante ook in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd waarmee zij twijfels oproept over de aangenomen belastbaarheid op haar zeventiende en achttiende jaar.
5.4.
Volgens appellante heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeerde in haar jeugd. Geen rekening is gehouden met het feit dat personen zoals zij die kampen met psychische klachten zich niet realiseren welke behandeling zij nodig hebben en/of deze klachten niet accepteren en dat zij vanwege haar psychische klachten sinds haar vroege jeugd geen realiteitsbesef heeft, waardoor zij zich in eerste instantie actief heeft onttrokken aan zorg. De Raad begrijpt de moeilijke bewijsrechtelijke positie waarin appellante verkeert. Voor zover appellante zich hiermee beroept op bewijsnood, slaagt dit echter niet. Voor zover bewijsnood zou worden aangenomen, wordt deze veroorzaakt door het feit dat appellante haar aanvraag ruim na haar achttiende verjaardag heeft ingediend. Zoals de rechtbank heeft overwogen komt dit naar vaste rechtspraak voor rekening en risico van degene die de laattijdige aanvraag doet, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om hiervan af te wijken is niet gebleken. Niet is gebleken dat appellante niet eerder, al dan niet met hulp van derden, in staat was een Wajong-aanvraag in te dienen, zoals zij ook een WAO-aanvraag heeft ingediend.
Regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid
5.5.
Voor een geslaagd beroep op de regeling van toegenomen geschiktheid van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong moet sprake zijn van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak in de periode van het achttiende tot het 23e jaar. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv, dat appellante wel een periode, tot januari 2000, geen benutbare mogelijkheden heeft gehad, maar in de periode tot [geboortedatum] 2001 geen sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Appellante heeft na de beëindiging van haar WAOuitkering namelijk diverse dienstverbanden gehad in reguliere arbeid, waarbij zij tot 36 uur per week werkte. Appellante heeft haar andersluidende standpunt ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) S.P.A. Elzer
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Op grond van artikel 5 van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij zeventien jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong is de ingezetene die op de dag waarop hij achttien wordt, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag van zijn achttiende verjaardag.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1162. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|