|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:715 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-06-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/782 WIA | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 55,54%. Aanpassing FML. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. | | Trefwoorden | : | bijzondere beloningen | | | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/782 WIA, 25/1076 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 maart 2025, 24/2562 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 mei 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 september 2022 heeft vastgesteld op 55,54%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. Appellante vindt ook dat er een onjuist indexeringscijfer is gehanteerd. De Raad volgt de standpunten van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 17 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar de Raad. De Raad heeft dat beroep geregistreerd onder nummer 25/1076 WIA en zal het betrekken bij het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Appellante heeft gronden ingediend tegen zowel de aangevallen uitspraak als tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak doorverwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Voor appellante is mr. Klaasen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerkster klantenservice voor 40 uur per week. Op 12 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met diverse klachten, waaronder rugpijn. Appellante heeft vervolgens een Ziektewetuitkering ontvangen en een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Uit dit onderzoek is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 32,24%. Het Uwv heeft bij besluit van 3 april 2024 vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.
1.2.
Bij besluit van 2 april 2024 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan appellante per 30 september 2022 een loongerelateerde uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,30%. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 april 2024. Het onderzoek tijdens de zitting is geschorst en afgesproken is dat het Uwv een nieuwe beoordeling maakt. Op 23 oktober 2024 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Dit besluit is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken bij het beroep.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderdeel 5.2. van de FML (zitten tijdens werk) gewijzigd naar maximaal vier uur per dag in plaats van zes uur per dag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van die gewijzigde FML andere functies geselecteerd. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd naar 55,54, maar dit heeft geen invloed op de hoogte van de uitkering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2024 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gewijd aan griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat de medische component van het besluit van 23 oktober 2024 zorgvuldig en volledig is. In hetgeen door appellante is aangevoerd is geen aanleiding gelegen om aan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.Met betrekking tot de arbeidskundige component heeft de rechtbank als volgt overwogen. De schatting is gebaseerd op de functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBCcode 111334), administratief ondersteunend medeweker (SBC-code 315100), bezorger pakketten, tijdschriften e.d. (auto) (SBC-code 111230) en een reservefunctie medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). De rechtbank heeft geoordeeld dat de geschiktheid van de functies administratief ondersteunend medewerker en bezorger pakketten, tijdschriften niet voldoende is gemotiveerd. De signalering bij onderdeel 4.12.2 van de functie bezorger pakketten, tijdschriften verwijst naar een motivering in de bijlage bij het arbeidskundig rapport. Deze bijlage is niet aanwezig. In de functie administratief ondersteunend medewerker is niet gemotiveerd waarom de functie passend is omdat in die functie vrijwel de hele dag moet worden gezeten en in de FML appellante daarvoor beperkt is tot maximaal vier uur per dag. De grond van appellante over de indexering slaagt niet. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten worden bij de vaststelling van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van de Wet WIA het inkomen, de inkomsten uit arbeid en de verdiensten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, die bij toepassing van artikel 7a in aanmerking worden genomen, vanaf het begin van het eerste in aanmerking genomen aangiftetijdvak aangepast aan de eerst gepubliceerde cijfers van de index van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, zoals die uiterlijk ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 5, door het Centraal Bureau voor de Statistiek worden gepubliceerd.In een situatie als in deze zaak, waarin de einde wachttijdbeoordeling veel later heeft plaatsgevonden, dient het CBS-indexcijfer gehanteerd te worden van de maand waarin de dag valt waarop de beoordeling betrekking heeft. Dit volgt uit de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit.
Het gewijzigde besluit
3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv op 17 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) Hierin is bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 september 2022 onveranderd 55,54% blijft. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 april 2025. In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de functies nader gemotiveerd.
Het standpunt van appellante
4. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en het gewijzigde besluit. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
5. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische noch de arbeidskundige kant van de schatting een ander standpunt in te nemen. Verzocht is om de beslissing van 17 april 2025 in stand te laten.
Het oordeel van de Raad
6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de medische component van het besluit van 23 oktober 2024 in stand heeft gelaten. Ook beoordeelt de Raad of het besluit van 17 april 2025 juist is. De Raad beoordeelt dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
6.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv volledig en voldoende zorgvuldig is geweest. De beroepsgrond dat er een onjuiste urenbeperking is vastgesteld en dat appellante meer beperkt is bij dynamische handelingen dan is weergegeven in de FML, slaagt niet. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, terecht overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet hoe hij tot de vastgestelde beperkingen is gekomen en dat er geen redenen zijn om meer beperkingen of een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van de FML.
Arbeidskundige beoordeling
6.3.
De arbeidskundige beoordeling is neergelegd in het besluit van 17 april 2025, waarin het Uwv heeft bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd 55,54% blijft. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 april 2025. Appellante heeft hiertegen aangevoerd dat in het nieuwe besluit dezelfde functies zijn gehandhaafd met cosmetische motieven. Dat doet geen recht aan de strekking van de aangevallen uitspraak. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad oordeelt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat het arbeidskundige deel van de schatting onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat de geduide functies niet gebruikt kunnen worden voor de schatting. Met het rapport van 11 april 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een toereikende motivering gegeven en heeft onderbouwd waarom de functies geschikt zijn. Een urenbeperking tot zes uur per dag is niet tegenstrijdig met de beperking op het aspect zitten van vier uur per dag. De Raad kan deze motivering volgen.
6.4.
Met betrekking tot de door appellante in hoger beroep opnieuw naar voren gebrachte grond over de indexering verwijst de Raad naar de overweging van de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak en onderschrijft deze.
Conclusie en gevolgen
6.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Het beroep tegen het besluit van 17 april 2025 slaagt ook niet. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 55,54%, in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 17 april 2025 is ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
De griffier is verhinderd te ondertekenen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|