|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:781 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-06-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/263 PW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Intrekking, herziening en terugvordering van bijstand. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden. Stortingen en bijschrijvingen op bankrekening. Geen dringende redenen. Overschrijding redelijke termijn. Boetematiging. Zelf voorzien. De beschikbare onderzoeksgegevens bieden geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in periode 1 op geld waardeerbare werkzaamheden bij restaurant Z heeft verricht. Appellant heeft in deze periode wel een aantal berichten op facebook geplaatst over restaurant Z, maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat ook sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Voor periode 2 ligt dat anders. In die periode heeft appellant met enige regelmaat berichten op facebook geplaatst waarin hij verwijst naar restaurant Z en daarbij termen als “wij” of “ons” gebruikt of incidenteel zegt dat hij daar werkt. Het dagelijks bestuur heeft met de facebookberichten gelet op de strekking, frequentie en onderlinge samenhang en in combinatie met de verklaring van appellant dat hij (vrijwilligers)werk heeft verricht bij restaurant Z aannemelijk gemaakt dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden in periode 2. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | inkomstenbelasting | | | levensonderhoud | | | loonbelasting | | | vrijwilligers | | | | Uitspraak | 24/263 PW, 24/264 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 december 2023, 22/3561 en 22/3562 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 9 juni 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om intrekking en herziening van bijstand, terugvordering van de kosten van bijstand en een boete. Volgens het dagelijks bestuur heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden omdat hij niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden in een restaurant heeft verricht en dat hij verschillende stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen die als inkomen moeten worden aangemerkt. Appellant voert aan dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, dat hij niet aan zijn verklaring mag worden gehouden, dat hij in de periode waarin de horeca gesloten was als gevolg van de coronamaatregelen in ieder geval niet gewerkt kan hebben en dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellant krijgt gelijk voor een deel van de periode waarover werkzaamheden zouden zijn verricht, maar niet voor het overige. Verder wordt de boete ambtshalve gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.S. Vriend, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk overgelegd. Het dagelijks bestuur heeft medegedeeld geen aanleiding te zien om nader verweer te voeren.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 april 2026. Namens appellant is zijn gemachtigde mr. R.S. Vriend verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W. Francke.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 29 juni 2015 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding op 24 maart 2021 dat appellant zou samenwonen hebben twee sociaal rechercheurs van het dagelijks bestuur een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Zij hebben in dat kader onder andere dossieronderzoek verricht, openbare bronnen op het internet geraadpleegd en bankafschriften opgevraagd over de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 januari 2022. Vervolgens is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 11 februari 2022, waar hij een verklaring heeft afgelegd ten overstaan van de twee sociaal rechercheurs. Uit het onderzoek volgt onder andere dat appellant op zijn facebookpagina openbare berichten heeft geplaatst over restaurant Z en dat hij diverse stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening heeft ontvangen. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 16 februari 2022.
1.3.
Appellant heeft het dagelijks bestuur in januari 2022 gemeld dat hij per 1 februari 2022 met zijn partner gaat samenwonen. Zij hebben zich daarop bij het dagelijks bestuur gemeld om gezamenlijk bijstand aan te vragen.
1.4.
Met een besluit van 17 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 juni 2022 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 20 augustus 2020 tot en met 26 mei 2021 en herzien over de periode van 27 mei 2021 tot en met 31 december 2021 en de teveel betaalde bijstand ter hoogte van € 19.383,17 van appellant teruggevorderd. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Over de periode van 20 augustus 2020 tot en met 26 mei 2021 heeft appellant volgens het dagelijks bestuur namelijk op geld waardeerbare werkzaamheden in restaurant Z verricht, zonder daarvan melding te doen bij het dagelijks bestuur. Omdat appellant geen controleerbare informatie heeft verstrekt over de omvang en frequentie van de werkzaamheden is het recht op bijstand niet vast te stellen over deze periode. Over de periode van 27 mei 2021 tot en met 31 december 2021 heeft appellant verschillende stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening ontvangen waar appellant eveneens geen melding van heeft gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft deze als inkomsten in mindering gebracht op de bijstand.
1.5.
Met een besluit van 23 maart 2022 heeft het dagelijks bestuur appellant een boete ter hoogte van € 7.545,- opgelegd in verband met schending van de inlichtingenverplichting. Het dagelijks bestuur heeft het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met een besluit van 9 juni 2022 (bestreden besluit 2) verlaagd tot € 5.800,-.
1.6.
De bijstand van appellant is beëindigd per 5 april 2022 in verband met het aanvaarden van werk.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft en zelf in de zaak voorzien door de hoogte van de boete vast te stellen op € 936,-. De rechtbank heeft in verband daarmee bepaald dat het dagelijks bestuur de kosten die appellant in beroep heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand en het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 1 over intrekking, herziening en terugvordering in stand heeft gelaten en bestreden besluit 2 terecht heeft vernietigd en de hoogte van de boete heeft bepaald op € 936,-, aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt voor de periode van 20 augustus 2020 tot en met 30 december 2020 en niet slaagt voor de periode van 31 december 2020 tot en met 31 december 2021. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking, herziening en terugvordering
4.2.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 20 augustus 2020, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met december 2021, de laatste maand waarover de bijstand is herzien (te beoordelen periode). De Raad ziet aanleiding om voor de beoordeling van het geschil onderscheid te maken in drie verschillende periodes. Periode 1 loopt van 20 augustus 2020 tot en met 30 december 2020, periode 2 loopt van 31 december 2020 tot en met 26 mei 2021 en periode 3 loopt van 27 mei 2021 tot en met 31 december 2021.
4.3.
Intrekking, herziening en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking, herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het dagelijks bestuur aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, appellant gedurende periode 1, 2 en 3 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan over periodes 1 en 2 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en appellant over periode 3 minder recht op bijstand heeft.
Op geld waardeerbare werkzaamheden (periode 1 en 2)
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat hij niet aan de verklaring mag worden gehouden die hij ten overstaan van de twee sociaal rechercheurs heeft afgelegd. De verklaring geeft namelijk vanwege de psychische toestand waarin hij verkeerde een onjuist beeld van wat er daadwerkelijk speelde in de te beoordelen periode. Appellant wijst ter onderbouwing daarvan op medische informatie die hij heeft overgelegd. Bovendien stelt appellant dat hij ook niet heeft gezegd wat in de verklaring is opgetekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.
4.4.1.
Tijdens het gesprek dat appellant met de twee sociaal rechercheurs heeft gehad, zijn hem tien facebookberichten getoond die hij op zijn eigen facebookpagina heeft geplaatst. De berichten gaan over restaurant Z en in sommige gevallen ook over de aanwezigheid van appellant bij dat restaurant. Appellant heeft bevestigd dat hij die berichten herkent. Daarna heeft hij onder andere het volgende verklaard: “Ik heb hier niet gewerkt in loondienst. Ik heb hier vrijwilligerswerk gedaan. Dit is al 33 jaar mijn maat, ik heb hier inderdaad 3 tot 5 uur per dag vrijwilligerswerk gedaan. Ik heb hier eens iets te eten voor gehad, maar nooit geen cent voor ontvangen. Ik heb dit niet gemeld bij Orionis. Ik heb hier de ene week 1 dag, de andere keer 3 dagen gewerkt. Ik ben er soms ook maanden achter elkaar niet geweest. Ik snap niet wat u hier mee bedoelt. Ik help een vriend. Mijn advocaat weet hier ook van. Mijn bewindvoerder wist hier wel vanaf. Ik weet niet meer hoeveel uren ik hier heb gewerkt.”
4.4.2.
Appellant heeft deze verklaring tegenover de sociale rechercheurs afgelegd en zonder voorbehoud ondertekend. In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. Appellant heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaring geen of minder betekenis heeft omdat hij door zijn psychische gesteldheid niet in staat was om een verklaring af te leggen. Ook heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat die verklaring buiten beschouwing moet blijven omdat die niet in essentie een juiste weergave bevat van wat hij heeft verklaard. De door appellant overgelegde brief van zijn behandelend psychiater en een ANIOS met datum 30 maart 2023 vermeldt dat appellant het jaar ervoor meerdere events heeft meegemaakt waardoor hij uit zijn evenwicht is geraakt en dat appellant acuut is opgenomen na psychosociale stressfactoren in de gezinssituatie. Uit de informatie van Emergis van 8 juli 2025 blijkt dat appellant in augustus 2022 is aangemeld binnen de crisisdienst. Voormelde informatie ziet niet specifiek op de periode rondom de afgelegde verklaring en hieruit volgt ook niet dat appellant door zijn psychische toestand niet in staat was om op 11 februari 2022 een juiste verklaring af te leggen. De sociaal rechercheurs hebben voorafgaand aan het gesprek aan appellant gevraagd of hij zich in staat voelde om het gesprek te voeren en daarop heeft appellant bevestigend geantwoord. Ook na afloop is aan appellant gevraagd wat hij van het gesprek vond. Daarop heeft hij gezegd dat hij heeft verteld wat hij wilde vertellen en dat hij geen reden heeft om te liegen. Vervolgens heeft hij zijn verklaring zonder voorbehoud ondertekend. In het verloop van het gesprek zoals dat blijkt uit het verslag zijn ook geen aanwijzingen dat appellant niet in staat was om een verklaring af te leggen.
4.5.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij restaurant Z. Hij is bevriend met de eigenaar. Met de facebookberichten wilde hij zijn vriend slechts aan meer klandizie helpen. Hij heeft er nooit geld voor gekregen en er zijn ook niet zoveel facebookberichten geplaatst dat daaruit geconcludeerd kan worden dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Deze beroepsgrond slaagt voor periode 1, maar niet voor periode 2. Daarvoor is het volgende van betekenis.
4.5.1.
Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan voor het recht op bijstand van belang zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet uit of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW. Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak.
4.5.2.
De beschikbare onderzoeksgegevens bieden geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in periode 1 op geld waardeerbare werkzaamheden bij restaurant Z heeft verricht. Appellant heeft in deze periode wel een aantal berichten op facebook geplaatst over restaurant Z, maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat ook sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Zo heeft appellant op 16 augustus 2020 slechts een filmpje geplaatst waarop alleen het terras van restaurant Z is te zien, op 16 oktober 2020 een bericht waarin hij onder andere zegt dat vanaf volgende week ook via thuisbezorgd.nl kan worden besteld bij restaurant Z, op 26 oktober 2020 een bericht waarin hij aangeeft dat vanaf nu ook via thuisbezorgd.nl kan worden besteld bij restaurant Z, en hij heeft op 25 december 2020 een bericht geplaatst dat hij na een dag hard werken kerstavond gaat vieren met zijn moeder en vriendin. Ook de verklaring van appellant biedt voor periode 1 onvoldoende grondslag, omdat appellant hierin geen specifieke periode benoemt en de sociaal rechercheurs niet hebben doorgevraagd naar de periode waarin appellant dan precies (vrijwilligers)werk zou hebben verricht bij restaurant Z.
4.5.3.
Voor periode 2 ligt dat anders. Vanaf 31 december 2020 heeft appellant met enige regelmaat berichten op facebook geplaatst waarin hij verwijst naar restaurant Z en daarbij termen als “wij” of “ons” gebruikt of incidenteel zegt dat hij daar werkt.
4.5.4.
Zo heeft appellant op 31 december 2020 het volgende op facebook geplaatst met een promotiefilmpje van restaurant Z: “Wij hopen iedereen weer in het nieuwe jaar lekker eten te kunnen bezorgen en tuurlijk ook wij hopen weer snel open te kunnen tot 2021”. Op 7 februari 2021 plaatst appellant een promotiefoto van restaurant Z en daarbij de tekst: “Goede middag ook vandaag bezorgen wij gewoon bij u aan de deur dus u kunt gewoon bestellen fijne dag vandaag nog”. Op 31 maart 2021 plaatst appellant een foto van een bord met eten van restaurant Z en reageert hij op een opmerking van een vriend met onder andere de tekst: “ik werk daar echt heerlijk menu kaart en mooien locatie maat”. Op 28 april 2021 plaatst appellant diverse foto’s van restaurant Z met daarbij de tekst: “Goede morgen nog even en dan mag het terras open ja ja kom gezellig op ons teras een drankje en hapje doen mooi uit zicht lekkergenieten we hebben ook lunch dus alles is mogelijk ik hoop jullie straks te mogen zien bij ons nieuwe teras vamidag en oja mocht u honger hebben eten kunt u natuurlijk ook tot 18.00”. Op 7 mei 2021 plaatst hij een foto van restaurant Z met de tekst: “Goede middag ook vandaag staan we voor u klaar heerlijk in de zon”. Op 11 mei 2021 plaatst appellant een bericht waarin hij zegt: “Goede middag gaan we weer verlopig in de lape mand ziniuwe bekneld verlopig eerste 8 dagen plat op bed met valium daarna fisio hoop weer snel te kunnen werken”. Op 26 mei 2021 plaatst appellant een foto van zichzelf en een derde in een keuken, beiden in bedrijfskleding waarop het logo van restaurant Z is vermeld. Daarbij zegt hij: “heerlijk bezig met ze twee en heerlijk eten bij [restaurant Z]”.
4.5.5.
Het dagelijks bestuur heeft met bovenstaande facebookberichten gelet op de strekking, frequentie en onderlinge samenhang en in combinatie met de verklaring van appellant dat hij (vrijwilligers)werk heeft verricht bij restaurant Z aannemelijk gemaakt dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden in periode 2. De beroepsgrond dat restaurant Z een periode was gesloten vanwege de coronamaatregelen en appellant dus geen werkzaamheden kan hebben verricht in die periode, slaagt niet. Uit de facebookberichten die appellant heeft geplaatst in verband met werkzaamheden bij restaurant Z, zoals vermeld in 4.5.2 en 4.5.4, blijkt immers dat het restaurant wel geopend was voor bezorging aan huis en gasten later ook weer welkom waren op het terras. Door zijn werkzaamheden niet te melden aan het dagelijks bestuur heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellant dit ziet als vrijwilligerswerk waarvoor hij geen vergoeding heeft gekregen maakt gelet op 4.5.1 geen verschil.
4.6.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.7.
Appellant heeft, voor zover hier van belang, aangevoerd dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Appellant heeft echter over zijn werkzaamheden en verdiensten geen verifieerbare gegevens overgelegd. Door het schenden van de inlichtingenverplichting en het nalaten een administratie bij te houden van zijn werkzaamheden heeft appellant zelf het risico genomen dat hij achteraf niet meer zou beschikken over bewijsstukken om de omvang van de werkzaamheden en/of de hoogte van de inkomsten aannemelijk te maken. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van appellant te blijven.
4.8.
Het voorgaande betekent dat de intrekking van bijstand over periode 1 geen stand kan houden, maar over periode 2 wel.
Stortingen en bijschrijvingen (periode 3)
4.9.
Tussen partijen is in geschil of het dagelijks bestuur de contante stortingen en bijschrijvingen van derden die appellant op zijn bankrekening heeft ontvangen in periode 3 terecht als inkomen in aanmerking heeft genomen.
4.10.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak.
4.11.
Appellant heeft aangevoerd dat de stortingen en bijschrijvingen geen inkomen zijn zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. De stortingen van A op de bankrekening van appellant waren bedoeld voor de partner van appellant, omdat zij de zorg droeg voor een bij haar woonachtig kind van A. Een deel van het geld is ook rechtstreeks doorbetaald aan dit kind, onder aftrek van onkosten. Het contante geld dat op de bankrekening van appellant is gestort, is afkomstig van B en betreft terugbetalingen van een lening die appellant aan B heeft verstrekt. De bijschrijvingen van C zijn betalingen voor de inboedel van appellant die hij heeft verkocht in verband met samenwoning op adres Y per 1 februari 2022. De bijschrijvingen van D waren mogelijk bedoeld voor voetbalkleding. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.
4.11.1.
Appellant heeft zijn verklaringen over de bijschrijvingen van A, C en D ook in hoger beroep niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. Dat de bijschrijvingen van C bedoeld waren voor de verkochte inboedel van appellant blijkt uit niets. Ook voor de bijschrijving van D heeft appellant enkel gesteld, maar niet onderbouwd, dat het een betaling voor voetbalkleding betreft. Hoewel bij de bijschrijvingen van A (meestal) een omschrijving staat die wijst in de richting van vergoeding van kosten en/of de naam van het bij de partner van appellant inwonende kind van A vermeld staat, heeft appellant niet kunnen verklaren waarom A het geld aan hem overmaakte, terwijl hij niet de zorg droeg over het kind en hij in die periode ook niet op hetzelfde adres als het kind ingeschreven stond en daar volgens zijn eigen verklaring ook niet woonde. Appellant heeft hiermee in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over dit geld kon beschikken.
4.11.2.
Voor de contante stortingen die afkomstig zouden zijn van B geldt het volgende. Appellant heeft zijn verklaringen over de herkomst van de gestorte bedragen ook in hoger beroep op geen enkele manier met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Daardoor is onduidelijkheid blijven bestaan over de bron daarvan. De gevolgen van de omstandigheid dat appellant niet meer beschikt over deze gegevens komen voor zijn risico. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
4.11.3.
Appellant kon dus vrijelijk beschikken over de in periode 3 ontvangen stortingen en bijschrijvingen, die bovendien een terugkerend karakter hebben. Deze bedragen moeten worden aangemerkt als inkomen. Door de ontvangst van dit inkomen niet aan het dagelijks bestuur te melden heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Het dagelijks bestuur moest daarom op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW het recht op bijstand herzien over periode 3.
Dringende redenen om van terugvordering af te zien
4.12.
Appellant heeft verder nog aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellant wijst in dat verband naar zijn psychische situatie en de in 4.4.2 genoemde brief van zijn behandelaars. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.
4.12.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.12.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.12.3.
De behandelaars hebben in hun brief van 30 maart 2023 vermeld dat appellant in het voorgaande jaar uit balans is geraakt en dat kleine veranderingen of stressoren er al voor kunnen zorgen dat hij geen andere uitweg ziet dan suïcide. Hij is opgenomen geweest van 1 september 2022 tot en met 9 februari 2023 met een korte onderbreking van een week. Uit de brief blijkt dat sprake is geweest van suïcidaliteit, een matig tot ernstige depressie en een verdenking van posttraumatische stress-stoornis. Appellant neemt medicatie en de verdere behandeling zal naar verwachting nog maanden of jaren duren afhankelijk van het effect van de behandeling.
4.12.4.
Ter zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van appellant nog verklaard dat appellant de week daarvoor een suïcidepoging heeft gedaan. De gemachtigde van appellant heeft ook ter zitting bij de Raad verklaard dat het nog niet goed met appellant gaat, dat hij nog bij een psychiater in behandeling is, dat hij nog antidepressiva slikt en suïcidale gedachten heeft.
4.12.5.
Hoewel uit de hierboven genoemde informatie zonder meer blijkt van de kwetsbare psychische situatie van appellant, wordt dat niet in verband gebracht met de terugvordering. De brief van de behandelend psychiater en ANIOS verwijst immers uitdrukkelijk naar psychosociale stressfactoren in de gezinssituatie als aanleiding voor de klinische opname. Ook in de informatie van Emergis van 8 juli 2025 worden de ernstige stemmingsklachten en suïcidaliteit van appellant gekoppeld aan meerdere negatieve life-events en psychosociale problemen in de familiesfeer. Over het onderzoek en de besluiten van het dagelijks bestuur, de terugvordering en de gevolgen die dat voor de psychische toestand van appellant heeft of heeft gehad wordt niets vermeld. De door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden zijn dus geen gevolg van de terugvordering. Daarom heeft het college bij afweging van de betrokken belangen daarin geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt in dit licht niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen.
Boete
4.13.
Het dagelijks bestuur heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden in periode 2 en 3. Appellant heeft namelijk niet bij het dagelijks bestuur gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in periode 2 en dat hij in periode 3 inkomen in de vorm van verschillende stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen. Maar over periode 1 heeft appellant de inlichtingenverplichting niet geschonden. Dit is overwogen in 4.5.2. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting over periode 2 en 3 een verwijt worden gemaakt. Het dagelijks bestuur was daarom verplicht een boete op te leggen. Dit volgt uit artikel 18a, eerste lid, van de PW.
4.14.
De boete moet evenredig zijn aan de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit over de boete aan deze eisen voldoet en dus leidt tot een evenredige sanctie. Dit is vaste rechtspraak.Bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete zijn de artikelen 18a van de PW en 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten van belang. De uitgangspunten van die evenredigheidstoets zijn in vaste rechtspraak neergelegd.
4.15.
Het dagelijks bestuur heeft de boete met bestreden besluit 2 vastgesteld op € 5.800,-, de maximale boete die op dat moment bij normale verwijtbaarheid mocht worden opgelegd. Dit zou binnen een termijn van twaalf maanden kunnen worden afbetaald, gelet op de bij het dagelijks bestuur bekende inkomens- en vermogenspositie van appellant en zijn vriendin op het moment van het nemen van het boetebesluit. Ter zitting bij de rechtbank is echter gebleken dat de aflossingscapaciteit van appellant veel lager ligt, namelijk op ongeveer € 78,- per maand. Het dagelijks bestuur heeft dat ook erkend. Daarom heeft de rechtbank de boete vastgesteld op € 936,-, zodat appellant de boete binnen twaalf maanden zou kunnen aflossen.
4.16.
Hoewel het benadelingsbedrag waarop de boete gebaseerd is lager komt te liggen door het wegvallen van de intrekking over periode 1, kan dat niet leiden tot een lagere boete dan die door de rechtbank is opgelegd, rekening houdend met de draagkracht van appellant. De mate van verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn draagkracht, geven geen aanleiding om de boete verder te matigen dan de rechtbank heeft gedaan. De boete van € 936,- is hier evenredig.
Ambtshalve matiging van de boete in verband met overschrijding van de redelijke termijn
4.17.
Ingeval een boete is opgelegd, wordt ambtshalve getoetst of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen.
4.18.
De procedure over de boete heeft vanaf het kenbaar maken aan appellant van het voornemen tot boeteoplegging op 18 februari 2022 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en iets meer dan drie maanden geduurd. Al eerder heeft de Raad overwogen dat een dergelijke overschrijding aanleiding geeft voor het verminderen van de boete en hoe de vermindering wordt bepaald. Bij overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden is een verlaging van de boete met 5% aangewezen. De boete moet daarom worden vastgesteld op afgerond € 889,20 (€ 936,- minus € 46,80,-). Een boete tot dat bedrag is passend en geboden.
Conclusie en gevolgen
4.19.
Uit 4.4 tot en met 4.8 en 4.17 tot en met 4.18 volgt dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard en voor zover de rechtbank de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 936,-. De Raad zal voor zover het de hoogte van de boete betreft zelf in de zaak voorzien door de boete vast te stellen op € 889,20. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover het de intrekking over periode 1 betreft. Omdat een besluit tot terugvordering als ondeelbaar wordt beschouwd, wordt bestreden besluit 1 ook vernietigd voor zover het om de terugvordering gaat. De Raad zal het besluit van 17 februari 2022 herroepen voor zover het de intrekking over periode 1 betreft. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd, voor zover aangevochten. De Raad zal het dagelijks bestuur opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 februari 2022 te nemen voor zover het de terugvordering betreft. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5. Appellant krijgt een vergoeding voor de kosten die hij in beroep en hoger beroep heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het (aangevulde) bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt), en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting; waarde per punt € 934,-), in totaal dus € 3.200,-. Hij krijgt ook het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard en voor zover de rechtbank de hoogte van de boete zelf heeft vastgesteld;
verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het de intrekking over de periode van 20 augustus 2020 tot en met 30 december 2020 betreft en de terugvordering in zijn geheel;
herroept het besluit van 17 februari 2022 wat betreft die intrekking over die periode;
draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 februari 2022 te nemen wat betreft de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat beroep tegen dit nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
stelt de boete vast op € 889,20;
veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.200,-;
bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en C. Karman en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 18a, eerste lid, eerste zin.
Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, tweede lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 18a, tweede lid.
In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of 36b, tweede lid, of de verplichtingen bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie wek en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.
Artikel 31, eerste lid, eerste zin.
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 32, eerste lid.
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; enb. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin.
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid.
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten 1 januari 2017
Artikel 2, eerste lid.Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
Artikel 2, vierde lid.Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.
Arts-assistent niet in opleiding tot specialist.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
Zie de uitspraak van 8 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:22.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754.
Zie de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, onder 5.1 tot en met 5.11; waarbij zoals volgt uit de uitspraak van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525, niet 90% van de toepasselijke bijstandsnorm, maar 95% van de toepasselijke bijstandsnorm in aanmerking wordt genomen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1957, onder 6.2.5.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3657. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|