Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:830 
 
Datum uitspraak:17-06-2026
Datum gepubliceerd:07-07-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/875 WAO
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Verhoging WAO-uitkering terecht geweigerd. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de laatste beoordeling. Ook in hoger beroep is de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet met medische gegevens onderbouwd. Het incidenteel hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
Trefwoorden:uitkering
wao
 
Uitspraak
25/875 WAO, 25/1381 WAO

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2025, 23/7572 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [plaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)






Datum uitspraak: 17 juni 2026
SAMENVATTING

Het hoger beroep van appellant gaat om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om de WAO-uitkering van appellant te verhogen. Appellant meent dat zijn arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak is toegenomen binnen vijf jaar na de laatste beoordeling. Volgens het Uwv is dat niet het geval. De Raad volgt het standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd de WAOuitkering te verhogen.

Het incidenteel hoger beroep van het Uwv gaat om de vraag of de rechtbank buiten de grenzen van het bestreden besluit en buiten de omvang van het geding is getreden, omdat de rechtbank op grond van artikel 4:6 van de Awb heeft beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat het teruggekomen dient te worden van eerdere besluiten. Wegens gebrek aan belang wordt het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gelijktijdig incidenteel hoger beroep ingesteld.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses en een tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellant ontving vanaf 27 februari 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is – na bezwaar tegen een intrekkingsbeslissing – met een beslissing op bezwaar van 9 juli 2008 de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 februari 2008 vastgesteld op 15 tot 25%. De rechtbank Zutphen heeft het beroep tegen het besluit van 9 juli 2008 bij uitspraak van 16 juni 2009 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld.



1.2.
Appellant heeft zich per 19 maart 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Met een besluit van 14 oktober 2010 is de WAO-uitkering onveranderd vastgesteld op 15 tot 25%, omdat geen sprake is van toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de uitkering wordt genoten.



1.3.
Op 7 mei 2012 heeft appellant zich vanuit een werkloosheidssituatie ziekgemeld vanwege psychische klachten. Aan appellant is vervolgens per 6 augustus 2012 ziekengeld verstrekt op grond van de Ziektewet (ZW). Na een medische beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 augustus 2012 appellant per die datum weer geschikt geacht voor zijn eigen werk, te weten de per 5 februari 2008 in het kader van de WAO geduide functies, en om die reden de ZW-uitkering beëindigd. Het besluit van 23 augustus 2012 is met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2016 komen vast te staan.



1.4.
Appellant heeft zich op 15 juni 2022 gemeld met een verslechtering van zijn gezondheid per 1 juni 2021 als gevolg van hartproblemen. Bij besluit van 30 juni 2022 heeft het Uwv de WAO-uitkering niet gewijzigd, omdat het moment van aanvang van de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet is gelegen binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de uitkering.


Onderhavige procedure




1.5.
Appellant heeft zich op 21 maart 2023 opnieuw bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van april 2022. Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het Uwv geweigerd om de WAO-uitkering van appellant te wijzigen, omdat de toename van de arbeidsongeschiktheid niet is gelegen binnen vijf jaar na datum van toekenning of herziening van de uitkering. Bij beslissing op bezwaar van 24 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 oktober 2023 ten grondslag, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de claim van appellant, dat hij toegenomen arbeidsongeschikt is binnen vijf jaar na de laatste toekenning per 5 februari 2008, niet met medische feiten is onderbouwd.



Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant zich primair op het standpunt heeft gesteld dat de besluitvorming uit 2008 en 2012 moet worden herzien. De rechtbank heeft op grond het toetsingskader van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de eerdere besluitvorming en dat niet gebleken is dat sprake is van evidente onredelijkheid.



2.1.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 5 februari 2008. Appellant heeft geen informatie ingebracht waarmee hij zijn standpunt heeft onderbouwd. Uit de omstandigheid dat de ziekmelding van appellant in eerste instantie is geaccepteerd door het Uwv volgt dat evenmin. Appellant heeft inderdaad ziekengeld ontvangen per 7 mei 2012, maar er had toen nog geen medische beoordeling plaatsgevonden. In de medische beoordeling die daarna is verricht en die uiteindelijk is bevestigd in de uitspraak van de Raad van 28 juni 2016, is vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat hij geschikt is voor de maatgevende arbeid.


Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat het Uwv aanleiding had moeten zien om terug te komen van de besluiten van 5 februari 2008 en 23 augustus 2012. Daarnaast is sprake van evidente onjuistheid van deze eerdere besluiten. Verder is volgens appellant sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid, voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak, binnen vijf jaar na het besluit van 5 februari 2008.


Het incidenteel hoger beroep en het standpunt van het Uwv


4. Het Uwv heeft aangevoerd dat de rechtbank buiten de grenzen van het bestreden besluit en buiten de grenzen van het geding is getreden door een beoordeling op grond van artikel 4:6 van de Awb te maken. Het Uwv meent echter dat voor een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank om deze reden geen grond is.



4.1.
Ten aanzien van het hoger beroep van appellant heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


Het hoger beroep van appellant


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de WAOuitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


5.1.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd om de WAO-uitkering van appellant op grond van artikel 39a van de WAO te herzien. Appellant heeft in hoger beroep in essentie de gronden van beroep herhaald. Het oordeel hierover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.



5.2.
Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Op grond van artikel 39a van de WAO vindt ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 oktober 2023, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, uitvoerig uiteengezet waarom geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid na de laatste toekenning van een gedeeltelijke WAOuitkering. In dat kader heeft de verzekeringsarts acht geslagen op de eerdere besluitvorming van het Uwv omtrent aanspraken van appellant in het kader van de WAO en ZW en op de medische stukken, die zich in het dossier bevinden. Deze stukken hebben geen reden gevormd om de belastbaarheid van appellant te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de claim van appellant dat zijn arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 5 februari 2008 is toegenomen niet met medische feiten is onderbouwd. De Raad kan dit standpunt volgen. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn standpunt niet nader onderbouwd.


Het incidenteel hoger beroep van het Uwv




5.3.
Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. Uit de overweging 5.2 volgt dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant zijn claim, dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, niet heeft onderbouwd met medische gegevens. Gelet daarop zou een beoordeling op grond van artikel 4.6 van de Awb niet tot een andere uitkomst hebben geleid en zou het Uwv niet in een gunstigere positie komen te verkeren. Daarom zal het incidenteel hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.





Conclusie en gevolgen


5.4.
Het hoger beroep slaagt niet en het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het Uwv heeft terecht besloten om de WAO-uitkering van appellant niet te herzien.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep




bevestigt de aangevallen uitspraak;


verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.




(getekend) M.E. Fortuin



(getekend) M.G.J. van Eck





CRvB 23 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2443.


Zie vorige noot.
Link naar deze uitspraak