|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:920 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-07-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/2744 WLZ | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant heeft geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. Het geschil gaat over de beoordeling van een reeds verstreken periode. | | Trefwoorden | : | bex | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2744 WLZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 oktober 2024, 24/3709 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 15 juli 2026
SAMENVATTING
In deze zaak oordeelt de Raad dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.M. Koolen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Voor appellant zijn mr. Koolen en mr. L. Bex verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 2011, is op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geïndiceerd voor zorgprofiel Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging. Met een besluit van 24 januari 2022 heeft het zorgkantoor een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor het jaar 2022. De zorg werd verleend door de tante van appellant.
1.2.
Met een besluit van 15 november 2022 heeft het zorgkantoor de verleningsbeschikking van 24 januari 2022 gewijzigd, in die zin dat het pgb wordt verleend tot 1 december 2022.
1.3.
Met een besluit van 15 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 november 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of appellant nog belang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. De Raad oordeelt dat dit niet het geval is.
4.1.
Het geschil gaat over de beoordeling van een reeds verstreken periode. Appellant heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat het belang in hoger beroep uitsluitend nog is gelegen in de omstandigheid dat appellant schade heeft geleden. Deze bestaat volgens appellant uit de kosten die zijn gemaakt omdat zijn tante in de periode van 1 december tot en met 31 december 2022 zorg is blijven verlenen.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Procesbelang kan aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding. Hiervoor is wel vereist dat het niet op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.3.
Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellant kosten heeft gemaakt dan wel dat een betalingsverplichting voor hem is ontstaan vanwege aan hem verleende zorg in de voorliggende verstreken periode. Namens appellant is meegedeeld dat er geen facturen zijn ten aanzien van dergelijke uren. Ook is niet gebleken dat er een concrete vordering is op dit punt. Het betoog van appellant dat de zorgovereenkomst volstaat, omdat sprake was van periodieke maandbetalingen uit het pgb en er daarbij voor appellant geen administratieverplichting is, slaagt niet. Het gaat hier om kosten die appellant stelt te hebben gemaakt in een periode dat het pgb is beëindigd. In deze situatie is het van belang dat enige onderbouwing van deze kosten wordt geleverd. Dat is dus in dit geval niet gebeurd.
4.4.
Gelet op het voorgaande acht de Raad het op voorhand onaannemelijk dat schade is geleden. Dit betekent dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Conclusie en gevolgen
4.5.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
5. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
(getekend) B. Serno
(getekend) F.M. Gerritsen
Zie onder meer de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:308. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|