|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2024:3621 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-11-2024 | | Datum gepubliceerd | : | 22-04-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 23/853 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ Woning; schending art. 40 Wet WOZ; (matigen) proceskostenvergoeding | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | bpm | | | perceel | | | taxatie | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 23/853
19 november 2024
uitspraak van de dertiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: G. Gieben (Previcus B.V.)
tegen de uitspraak van 15 augustus 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/2230 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de [gemeente], de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet Waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 24 te [Z] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2020 voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 312.000.
1.2.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 augustus 2023 het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.”
1.4.
Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 september 2023. Bij brief van 25 oktober 2023 is het hoger beroep gemotiveerd.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2024. De zaak is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de WOZ-waarde 2022 van de woning, kenmerk 23/852. De stukken van deze zaak zullen – voor zover nodig – worden geacht op beide zaken betrekking te hebben. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“Feiten
1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een vrijstaande woning uit het jaar 1600 en is voorzien van een berging, een dakkapel en een tuinhuis. De woning heeft een inhoud van 482 m3 en de door verweerder toegekende oppervlakte van het perceel bedraagt 252 m².”
2.2.
Nu deze feiten niet in geschil zijn, gaat het Hof ook uit van deze feiten.
3Geschil in hoger beroep
Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Ook is in geschil of de heffingsambtenaar artikel 40 van de Wet WOZ heeft geschonden.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“Beoordeling van het geschil
Waarde van de woning
6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde waardematrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, geslaagd in zijn bewijslast. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Het door verweerder in de waardematrix opgenomen vergelijkingsobject [B-straat] 6 laat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of de waarde niet te hoog is vastgesteld buiten beschouwing. De transactiedatum van dat vergelijkingsobject (4 september 2018) is naar het oordeel van de rechtbank te ver verwijderd van de waardepeildatum. De overige in de waardematrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn kort vóór of na de waardepeildatum verkocht en wat betreft type, ligging en inhoud voldoende vergelijkbaar met de woning. De verkoopprijzen van deze vergelijkingsobjecten kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning.
8. De vergelijkingsobjecten vertonen verschillen met de woning, maar verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen voldoende rekening is gehouden. In de waardematrix zijn de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten en de vastgestelde waarde van de woning herleid naar prijzen per kubieke meter woninginhoud en vierkante meter kaveloppervlakte en is een afzonderlijke waarde toegekend aan een dakkapel, berging of tuinhuis (indien aanwezig). In de waardematrix is tevens een post “vrijgestelde grond” opgenomen. Met de overgelegde waardematrix heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten wat betreft de grootte van de opstal en het perceel, de ligging, de kwaliteit en de staat van het onderhoud alsmede met de aan- of afwezigheid van een dakkapel, berging, tuinhuis of vrijgestelde grond. Voor de woning is in de waardematrix een zeer lage waarde per kubieke meter gehanteerd (€ 415) ten opzichte van de voor de vergelijkingsobjecten gehanteerde kubiekemeterprijzen (€ 719, € 595, € 637 en € 983). De rechtbank ziet, mede gelet op deze relatief lage waarde per kubieke meter, geen aanleiding te oordelen dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de – volgens eiser – gedateerde en onafgewerkte voorzieningen van de woning. De door eiser overgelegde foto’s geven, mede in het licht van het door verweerder aangevoerde, geen steun aan het standpunt van eiser dat een kwalificatie “2” ofwel “matig” voor voorzieningen onjuist zou zijn. Dit nog los van het feit dat het de rechtbank niet duidelijk geworden is wanneer de door eiser (veelal onscherpe) overgelegde foto’s gemaakt zijn, waardoor de rechtbank niet kan nagaan of de foto’s relevant zijn voor de beoordeling van de situatie op de toestandspeildatum. Eiser heeft zowel voor het onderhavige belastingjaar als het belastingjaar 2022 (de ter zitting gelijktijdig behandelde zaak) exact hetzelfde fotoblad overgelegd. Eisers stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de slechte isolatie en de aanwezigheid van enkel glas is onvoldoende onderbouwd. Reeds hierom slaagt deze beroepsgrond niet.
9. Ook eisers stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de onderhoudstoestand van de woning volgt de rechtbank niet. Er is volgens eiser sprake van scheurvorming en achterstallig schilderwerk. Ook de kozijnen verkeren in een slechte staat, aldus eiser. De verwijzing van eiser in dit kader naar de zeer gedateerde notitie van de Waarderingskamer uit 2009, opgesteld tijdens een geheel andere situatie op de woningmarkt dan op de waardepeildatum, mist naar het oordeel van de rechtbank relevantie voor het voorliggende geschil. De rechtbank acht de onderhoudstoestand van de woning, gelet op de relatief zeer laag vastgestelde waarde per kubieke meter (zie overweging 8), reeds voldoende verdisconteerd in de door verweerder vastgestelde waarde van de woning. Gelet op de door eiser overgelegde foto’s, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank bovendien geen aanleiding te oordelen dat verweerder het kwaliteits- en onderhoudsniveau van de woning ten onrechte als matig in plaats van slecht gekwalificeerd heeft.
10. Eiser voert voorts aan dat de woning over belemmerende elementen beschikt waardoor niet de volledige inhoud bruikbaar is. Volgens eiser heeft de gehele bovenverdieping een te lage hoogte waardoor sprake is van een ondoelmatige en niet bruikbare inhoud. Verweerder heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden, aldus eiser. Hiertegenover heeft verweerder – onweersproken – gesteld dat de vergelijkingsobjecten ook over belemmerende elementen beschikken en de ondoelmatige ruimte dan ook voldoende verdisconteerd is in de vastgestelde waarde van de woning. Gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd en de foto’s in het dossier acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder reeds voldoende rekening heeft gehouden met de ondoelmatigheid van (een deel van) de woning. De beroepsgrond slaagt niet.
11. De ligging van de woning en de vergelijkingsobjecten is in de waardematrix gekwalificeerd als voldoende. De woning ligt volgens eiser zeer kort aan de weg, waardoor sprake zou zijn van geluids- en trillingsoverlast. Ook wordt overlast ervaren door de ligging nabij een kerkgebouw, aldus eiser. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Uit de door verweerder overgelegde plattegrond blijkt dat de woning op een behoorlijke afstand van de kerk gelegen is, waardoor de rechtbank niet aannemelijk acht dat hier overlast van ervaren wordt. Verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat de vergelijkingsobjecten ook kort aan de weg gelegen zijn waardoor de ligging van de woning aan de weg verdisconteerd is in de vastgestelde waarde van de woning en de gerealiseerde verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. De rechtbank ziet, mede gelet op de door verweerder overgelegde plattegrond, geen reden aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Volgens eiser kan de ligging maximaal met een “2” beoordeeld worden. De rechtbank acht gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd aannemelijk dat verweerder de ligging van de woning terecht als “voldoende” gekwalificeerd heeft.
12. De eerst ter zitting aangevoerde stelling van eiser dat de oppervlakte van het vrijgestelde deel van het perceel door ver
weerder onjuist is vastgesteld, verklaart de rechtbank tardief. Door de beroepsgrond eerst ter zitting aan te voeren, is verweerder de mogelijkheid ontnomen daarop een onderbouwde inhoudelijke reactie te geven. De rechtbank laat de beroepsgrond dan ook buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
13. Naar het oordeel van de rechtbank staat de aan de woning toegekende waarde niet in een onjuiste verhouding tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft gelet op het voorgaande aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Inzichtelijkheid correcties KOUDV+L-factoren
14. Eiser stelt dat verweerder inzicht heeft gegeven in zijn KOUDV+L-beoordeling van de vergelijkingsobjecten en de woning, maar niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de onderlinge verschillen gecorrigeerd zijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem overgelegde stukken, zowel in de bezwaar- als de beroepsfase, voldoende inzicht geboden in de wijze waarop de waarde van de woning bepaald is en met welke factoren rekening gehouden is. Indien eiser desondanks meent dat hij in de bezwaarfase – na ontvangst van de op zijn verzoek door verweerder toegezonden stukken – nog noodzakelijke informatie miste, dan had het op zijn weg gelegen verweerder daar in de bezwaarfase (bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting) actief op te wijzen en om nadere informatie te verzoeken. Eiser werd reeds in de bezwaarfase bijgestaan door zijn gemachtigde en het voorgaande mag van een professionele gemachtigde verlangd worden.
Inzichtelijkheid indexeringspercentages
15. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder de gehanteerde indexeringspercentages en de onderbouwing daarvan niet inzichtelijk heeft gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. In overweging 13 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat verweerder, zowel in de bezwaar- als de beroepsfase, voldoende inzicht heeft verschaft in de (wijze van de) waardebepaling van de woning. Verweerder merkt volgens de rechtbank terecht op dat de toegepaste indexeringspercentages kunnen worden afgeleid uit de waardematrix en tevens eenvoudig gecontroleerd kunnen worden met algemeen beschikbare online-informatie van Vastgoedpro. Verweerder heeft bij zijn verweerschrift voor de vergelijkingsobjecten [C-straat] 15, [D-straat] 9, [B-straat] 19, [B-straat] 6 en [D-straat] 2 uitdraaien met indexeringspercentages uit het systeem van Vastgoedpro overgelegd. De door verweerder gehanteerde indexeringspercentages berusten – en mogen ook berusten – op een inschatting die de taxateur maakt op grond van zijn ervaring en kennis, waarbij hij mede gebruik maakt van de “woning index calculator” van Vastgoedpro om te bezien of de gehanteerde percentages aanpassing behoeven. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat een waardematrix een hulp- en controlemiddel is bij de waardevaststelling. De afzonderlijke elementen van de taxatieopbouw worden niet apart op hun juistheid beoordeeld, want uiteindelijk ligt enkel de eindwaarde ter toetsing voor (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7059 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2713). Gelet op het voorgaande slaagt ook deze beroepsgrond van eiser niet.
16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
17. Eiser heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie (zie r.o. 3.9.1. van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).
18. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Wat betreft de bepaling van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding sluit de rechtbank eveneens aan bij voormeld arrest. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan die termijn van twee jaar worden verlengd of verkort. De termijn vangt in de regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.
19. De redelijke termijn is in de onderhavige zaak op 31 maart 2021 aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 15 augustus 2023. Van een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt is geen sprake. Dit betekent dat de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn afgerond 29 maanden bedraagt. De redelijke termijn van 24 maanden (twee jaar) is daarom overschreden met afgerond vijf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500. De overschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 500 aan immateriële schade aan eiser te vergoeden.
Proceskosten en griffierecht
20. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, en een wegingsfactor 0,25 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiser geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn). Omdat eiser slechts een vergoeding voor zijn proceskosten krijgt omdat aan hem een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,25 (zeer licht).
21. Aangezien het beroep ongegrond is, hoeft verweerder het door eiser betaalde griffierecht niet te vergoeden. Eiser heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade gedurende het beroep gedaan overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe was eiser geen griffierecht verschuldigd, hetgeen volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.”
5Beoordeling van het geschil
5.1.
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in haar uitspraak op goede gronden heeft beslist dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het Hof neemt deze overwegingen en beslissing derhalve over en maakt deze tot de zijne. Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe.
Schending artikel 40 van de Wet WOZ
5.2
De gemachtigde heeft in hoger beroep (zo begrijpt het Hof, nogmaals) grieven aangevoerd tegen de gestelde schending van artikel 40 van de Wet WOZ, inhoudende dat de heffingsambtenaar heeft verzuimd de indexeringspercentages van de KOUDV-factoren te verstrekken, en evenmin de onderbouwing heeft verstrekt van de indexering van de verkoopprijzen van de vergelijkingspanden. De gemachtigde neemt hierover ter zitting wisselende standpunten in, maar uiteindelijk beperkt hij zich tot de stelling dat ten onrechte de indexeringspercentages van de KOUDV-factoren niet zijn verstrekt. Het Hof verwijst naar de uitspraak van dit Hof van 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2346 (overwegingen 5.1 t/m 5.3.5) en ziet geen aanleiding in deze zaak hier anders over te oordelen.
5.3.1.
De stelling dat de heffingsambtenaar (te laat) is gekomen met nieuwe vergelijkingspanden, waardoor belanghebbende heeft ‘moeten’ procederen om tot een goede onderbouwing van de vastgestelde waarde te komen, faalt eveneens.
Allereerst stelt het Hof vast dat, anders dan gemachtigde stelt (hoger beroepschrift, randnummer 14), de heffingsambtenaar in beroep niet met ‘een totaal nieuwe onderbouwing komt’. In beroep heeft de heffingsambtenaar dezelfde drie objecten als vergelijkingsobjecten zoals in de bezwaarfase gehanteerd, aangevuld met twee vergelijkingsobjecten. Nog daargelaten dat het de heffingsambtenaar vrij staat om in beroep en hoger beroep andere vergelijkingsobjecten naar voren te brengen, ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde.
5.3.2.
Van een ondeugdelijke motivering is derhalve geen sprake. De WOZ-waarde van de woning is door de overgelegde stukken in bezwaar reeds aannemelijk gemaakt. Anders dan gemachtigde stelt, kan niet worden geconcludeerd dat de waarde van de woning pas aannemelijk is gemaakt met stukken die eerst in de (hoger)beroepsfase zijn overgelegd.
De stelling van belanghebbende dat hij onnodig kosten heeft gemaakt voor het instellen van beroep, treft dan ook geen doel. Daar komt bij dat belanghebbende in (hoger) beroep tal van andere grieven heeft aangevoerd die geheel los staan van de gestelde gebrekkige informatieverstrekking.
WOZ-waarde
5.4.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op de heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is.
5.5.
Het Hof stelt daarbij voorop dat:
- de in geschil zijnde (WOZ-)waarde van de woning in haar geheel betreft. Daarbij vormen de aan de samenstellende onderdelen van de woning toegekende waarden een hulpmiddel om de waarde van de woning als geheel inzichtelijk te maken; en
- het bij de vaststelling van de waarde – bij gebreke van een verkoopprijs van de woning op of rond de waardepeildatum – gaat om een taxatie van de waarde op de peildatum (een inschatting van de waarde aan de hand van verkoopgegevens van andere woningen). Deze taxatie is niet een mathematische exercitie waarbij aan de hand van één of meer parameters de gezochte waarde kan worden berekend. De gezochte waarde kan in het licht hiervan evenmin per definitie worden gesteld op het gemiddelde van - al dan niet van wegingsfactoren voorziene - verkoopprijzen van andere objecten; en
- doel en strekking van de Wet WOZ meebrengen dat de waarde van de woning ieder jaar opnieuw wordt getaxeerd aan de hand van feiten en omstandigheden die zich per waardepeildatum voordoen, waarbij aan de vastgestelde waarde van de woning voor een eerder of later jaar geen zelfstandige betekenis toekomt.
5.6.1.
De heffingsambtenaar heeft aan zijn bewijslast onder andere invulling gegeven door inbreng van een matrix in beroep waarin opgenomen vergelijkingsobjecten (aan de [C-straat] 15, [D-straat] 2 en 9, en de [B-straat] 19, alle te [Z] ) die op of rond waardepeildatum zijn verkocht. Wat betreft woningtype (vrijstaande woning) en ligging zijn deze objecten in voldoende mate vergelijkbaar met de woning om als onderbouwing van de waarde daarvan te dienen. Het Hof sluit (zoals hiervoor al overwogen, in algemene zin) aan bij overweging 7 van de rechtbank.
Met in achtneming van de onderlinge verschillen, bieden de voor de vergelijkingsobjecten gerealiseerde verkoopprijzen steun aan de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde.
5.6.2.
Zoals belanghebbende terecht opmerkt wijkt het bouwjaar van de woning sterk af van die van de vergelijkingspanden. Echter, deze omstandigheid is op zichzelf genomen onvoldoende om reeds daarom de vergelijkingspanden buiten beschouwing te laten. Het gaat niet zozeer om het oorspronkelijke bouwjaar, als wel om de huidige staat van de woning. Daarbij acht het Hof van belang dat, zoals de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld, de woning in 1963 nog geheel is verbouwd.
5.6.3.
Ten aanzien van de gestelde staat van onderhoud stelt het Hof vast dat de heffingsambtenaar in de matrix is uitgegaan van ‘matig’ voor kwaliteit en onderhoud en een lagere prijs per m3 hanteert dan de vergelijkingspanden (prijs per m3 voor de woning is € 415, voor de vergelijkingspanden is de prijs € 719, € 595, € 637 en € 983). Aldus heeft de heffingsambtenaar, naar het oordeel van het Hof (net als de rechtbank) hier in voldoende mate rekening mee gehouden.
Het Hof verwijst verder naar overweging 8 van de rechtbank. In hoger beroep zijn daartegen geen nieuwe, of zwaarwegend argumenten naar voren gebracht. Evenmin is een nadere toelichting gegeven op de in beroep overgelegde foto’s (datering van deze foto’s en waarom en in hoeverre ze relevant zijn ter onderbouwing van het gestelde achterstallige onderhoud).
5.6.4.
De stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met (geluids)overlast vanwege de aanwezigheid van horeca en een jachthaven, alsmede de ligging onder een aanvliegroute naar Schiphol, treft evenmin doel. Net als de rechtbank is het Hof van oordeel dat daar met de kwalificatie ‘matig’ voor ligging, in voldoende mate rekening mee is gehouden. Zeker nu moet worden aangenomen dat de vergelijkingspanden (die in dezelfde gemeente zijn gelegen) in gelijke mate overlast ondervinden van de aanvliegroute. Zo groot is [Z] nu ook weer niet. In hoger beroep is ook voor deze stelling geen nadere onderbouwing gekomen.
Het Hof voegt daar aan toe dat de heffingsambtenaar, daarin niet weersproken, naar voren heeft gebracht dat andere vergelijkingspanden (ook) een minder goede ligging hebben, zoals [D-straat] 2 dat recht tegenover een garage met tankstation ligt. De ligging bij [D-straat] 2 is ook aangemerkt als ‘voldoende’.
5.6.5.
De verwijzing naar het materiaal waaruit de woning is opgetrokken (hout) laat het Hof verder onbesproken, omdat dit argument reeds in beroep is aangevoerd maar ter zitting van de rechtbank door de gemachtigde is ingetrokken. Een belanghebbende die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verklaart een standpunt prijs te geven kan dit zelfde standpunt in beginsel niet in een hogere instantie weer innemen (HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1110, r.o. 2.4). In het hoger beroepschrift is geen reden gegeven voor het in hoger beroep wederom innemen van dit reeds ingetrokken standpunt, zodat het Hof geen aanleiding ziet om van dit uitgangspunt af te wijken.
5.6.6.
De stelling dat aan de woning een lagere waarde moet worden toegekend, vanwege de beperkingen in het gebruik omdat er een recreatieve bestemming op rust, treft geen doel. Immers, de heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat op grond van het bestemmingsplan weliswaar de grond een recreatieve bestemming heeft maar voor het pand (sinds de verbouwing in 1963) het gebruik als woning is toegestaan.
5.6.7.
De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van een onjuiste kaveloppervlakte (na vermindering van de totale kavel met de oppervlakte van de vrijgestelde waterverdedigingswerken) door uit te gaan van 252 m² terwijl dat 233 m² moet zijn, treft geen doel. De heffingsambtenaar heeft in verweer luchtfoto’s overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de heffingsambtenaar van de juiste kaveloppervlakte is uitgegaan.
De tekening waar gemachtigde naar verwijst is nimmer overgelegd (in hoger beroepschrift noch ter zitting). Dat klemt te meer nu gemachtigde ter zitting van de rechtbank zegt dat het beroep ‘staat en valt met toekenning van de vrijgestelde grond’ en dat dat een reden was om (bij afwijzing) in hoger beroep te gaan.
Het Hof voegt hier nog aan toe dat de heffingsambtenaar ter zitting nog heeft opgemerkt dat in de matrix terecht is uitgaan van 252 m² aan kaveloppervlakte, maar vervolgens per abuis een bedrag van € 37.228 in aftrek is gebracht voor de ‘Vrijgestelde grond’. Aldus, zo stelt de heffingsambtenaar, is met de vrijgestelde waterverdedigingswerken twee maal (en dus te veel) rekening gehouden: eenmaal met de kaveloppervlakte van 252 m2 en voor een tweede keer door het in aftrek brengen met genoemd bedrag.
Het Hof kan de heffingsambtenaar, in deze uiteenzetting ter zitting niet weersproken, volgen. Ten onrechte is twee maal rekening gehouden met het vrijgestelde deel. Alsdan is de vastgestelde waarde eerder te laag, dan te hoog.
5.7.
Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof de heffingsambtenaar, ook gewogen tegen hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd, geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat hij de WOZ-waarde op waardepeildatum 1 januari 2020 niet te hoog heeft vastgesteld. Gelet op het voorgaande (het twee maal meenemen van het vrijgestelde deel van de kaveloppervlakte) is deze waarde eerder te laag dan te hoog.
5.8.
Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De verwijzing naar de waardering voor een ander jaar, miskent dat ieder jaar voor de waardering voor de Wet WOZ op zichzelf staat.
Proceskostenvergoeding beroepsfase
5.9.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard maar een proceskostenvergoeding toegekend wegens de vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft de rechtbank de factor 0,25 gehanteerd, belanghebbende is van opvatting dat de factor 0,5 had moeten worden toegepast.
Het Hof kan belanghebbende niet volgen in deze stelling. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand die enkel wordt toegekend vanwege een geslaagd verzoek om schadevergoeding past wegingsfactor 0,25 (zeer licht) (vgl. r.o. 5.2 het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1526). De rechtbank heeft de vergoeding dus op het juiste bedrag vastgesteld.
Griffierecht beroepsfase
5.10.
Belanghebbende betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het griffierecht niet aan haar moet worden vergoed. Het Hof verwijst naar Hoge Raad 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567). Aangezien het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van beroep voldoet aan de voorwaarden genoemd in dit arrest (r.o. 7.1.2), zal de heffingsambtenaar worden opgedragen aan belanghebbende voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Slotsom
5.11.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is zover dat ziet op de beslissing van de rechtbank over het griffierecht, en voor het overige ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient dan ook te worden bevestigd, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht.
6Kosten
6.1.
Het Hof vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Het Hof stelt daarbij voorop dat de kostenveroordeling niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten. Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico's van het maatschappelijk verkeer (zie bijvoorbeeld: Stb. 1993, 763, p. 7).
6.2.
In beginsel wordt het beloop van de vergoeding van proceskosten als de onderhavige bepaald met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en de daarbij behorende Bijlage (het puntensysteem). Het toekennen van een vergoeding volgens het voor deze zaak geldende puntensysteem (de in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM voorziene matigingsfactor geldt voor deze zaak nog niet) zou de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten overtreffen. De daartoe benodigde werkbelasting was voor de gemachtigde allereerst al beperkt door de eenvoud van de naar voren te brengen grief (ten onrechte is geen vergoeding van griffierecht uitgesproken) en nog verder omdat deze gemachtigde in meerdere zaken (waarmee het Hof ambtshalve bekend is) met een identieke grief hetzelfde punt aan de orde heeft gesteld. Het gaat voorts wat betreft het griffierecht voor het beroep om een puur financieel procesbelang van slechts € 50.
6.3.
Belanghebbende heeft weliswaar gelijk gekregen op het punt van de terugbetaling van het griffierecht, maar dat is enkel vanwege het door de Hoge Raad gecreëerde overgangsrecht. De Hoge Raad is immers thans ook van oordeel dat de enkele overschrijding van de redelijke termijn geen reden is om het griffierecht terug te betalen. Voor al het overige heeft belanghebbende in deze hogerberoepsprocedure ongelijk gekregen.
6.4.
Het Hof ziet daarom aanleiding om op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit (bijzondere omstandigheden die tot een afwijking van het puntensysteem nopen) en artikel 2, lid 2, van het Besluit (vermindering van de kostenvergoeding omdat belanghebbende slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld), al dan niet in samenhang bezien, de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep te matigen tot een bedrag van € 60.
7Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover die betrekking heeft op de vergoeding van proceskosten (griffierecht);
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 60 voor hoger beroep; en
- draagt de heffingsambtenaar op aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186 (€ 50 voor beroep en € 136 voor hoger beroep) te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mr. A.M. van Amsterdam, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 19 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|