Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2025:3686 
 
Datum uitspraak:30-10-2025
Datum gepubliceerd:29-01-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:24/3224
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 en 2015, aanslag IB/PVV 2016; beschikt de inspecteur over een nieuw feit voor het opleggen van een navorderingsaanslag?; correctie indexering schuld terecht?; beroep op Fagoed-arresten.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
inkomstenbelasting
landbouwgrond
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/3224 tot en met 24/3227

30 oktober 2025


uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. W.P. Keulers)

tegen de uitspraak van 4 april 2024 in de zaken met kenmerken HAA 22/5250 tot en met HAA 22/5253 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 21 november 2020 aan belanghebbende over het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.734. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 397.



1.2.
De inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2020 aan belanghebbende over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.153. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 738.



1.3.
De inspecteur heeft met dagtekening 21 november 2020 aan belanghebbende over het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.105. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 323.



1.4.
De inspecteur heeft met dagtekening 20 november 2020 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.219. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 888.



1.5.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn alle bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard, met uitzondering van die tegen de beschikking belastingrente en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.892. De belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd.



1.6.
Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.



1.7.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.



1.8.
Bij de conclusie van dupliek heeft de inspecteur een verzoek om beperkte kennisneming gedaan. Het Hof heeft bij tussenuitspraak van 23 januari 2025 beslist op het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur en het verzoek van de inspecteur tot beperkte kennisneming toegewezen. Het Hof heeft uitspraak gedaan op grond van de geschoonde stukken.



1.9.
Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft een nader stuk (pleitnota) ingediend.



1.10.
Beide partijen hebben daarna afgezien van behandeling van de zaken op een zitting bij het Hof. Het Hof heeft het onderzoek gesloten.






2Feiten


2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Eiser is op 1 mei 2008 toegetreden tot de vennootschap onder firma genaamd “ [naam VOF] ” (hierna: de vof). Gedurende de belastingjaren 2014 en 2015 was eiser voor 50 procent gerechtigd tot de winst van de vof. Eiser genoot gedurende het belastingjaar 2016 een winstaandeel van 40 procent.

2. Op 1 oktober 2012 hebben eiser en de overige vennoten in de vof (hierna tezamen: de vennoten), in hun hoedanigheid van vennoot, een recht van erfpacht op percelen grond, kadastraal bekend als [plaatsnaam] , sectie A nummers [nummer] , [nummer] (thans [nummer] en [nummer] ) en [nummer] , groot 36.57.20 hectare, gekocht (hierna: het recht van erfpacht) van de heer [A] (hierna: [A] ).

3. [A] was tot 11 mei 2004 eigenaar van de grond waarop het recht van erfpacht is gevestigd (hierna: de grond). Op 11 mei 2004 heeft [A] de grond, onder voorbehoud van het recht van erfpacht, verkocht aan [B] N.V. (thans: [B] N.V. (hierna: [B N.V.] )).

4. De tussen [A] en [B N.V.] gesloten erfpachtovereenkomst is volledig en onder dezelfde voorwaarden overgenomen door de vennoten. De daarin opgenomen erfpachtvoorwaarden omvatten onder meer het recht van de erfpachter om na afloop van de erfpachttermijn (11 mei 2054) en op het zesentwintigste jaar na ingangsdatum van het recht van erfpacht (11 mei 2030) de grond te kopen.

5. In de jaarrekeningen van de vof en eisers aangiften ib/pvv vanaf het belastingjaar 2013 is het recht van erfpacht niet als zodanig geactiveerd op de balans. Op de balans is daarentegen de grond waarop het recht van erfpacht rust geactiveerd en daartegenover een schuld gepassiveerd (hierna: de schuld). De aankoopsom voor het recht van erfpacht, € 1.205.452, is verhoogd met een bedrag van € 857.011 tot een totaalbedrag van € 2.062.463, en daartegenover is een schuld van € 857.011 gepassiveerd. Eiser heeft hiervoor aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 10 april 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1866; hierna: het Fagoed-arrest). De vennoten hebben de grond, voorafgaand aan en gedurende de onderhavige jaren, niet in eigendom gehad. Er heeft geen verkoop van bloot eigendom van grond door de vennoten plaatsgevonden in verband waarmee ze een geldbedrag van derden (zouden) hebben ontvangen.

6. De schuld is jaarlijks geïndexeerd. De jaarlijkse indexering is in eisers aangiften ib/pvv over de jaren 2014 tot en met 2016 telkens ten laste van het hem toekomende resultaat van de vof gebracht. Verweerder heeft deze in aftrek gebrachte bedragen voor alle onderhavige belastingjaren gecorrigeerd naar nihil.”



2.2.
Het Hof zal ook van deze feiten uitgaan en voegt hier de volgende feiten aan toe.



2.3.
Het kooprecht opgenomen in de erfpachtsvoorwaarden (zie onderdeel 4 van de rechtbankuitspraak) kent een koopprijs gelijk aan het product van de geïndexeerde erfpachtscanon en de factor 100/2,727, of, indien dit lager is, de waarde in het economisch verkeer van de grond.



2.4.
De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 zijn geautomatiseerd, conform de gedane aangiften vastgesteld. De aanslag IB/PVV 2014 is opgelegd met dagtekening 30 november 2017. De aanslag IB/PVV 2015 is opgelegd met dagtekening 22 december 2017.



2.5.
Per 1 mei 2015 is een vierde vennoot toegetreden tot de vof. In verband met de toetreding van deze vennoot zijn activa van de vof geherwaardeerd. De aangifte IB/PVV 2016 is naar aanleiding van deze herwaardering door het computersysteem van de Belastingdienst ‘uitgeworpen’ voor controle.



2.6.
Tot het dossier behoort een e-mailwisseling tussen de adviseur van belanghebbende en de inspecteur naar aanleiding van die aangifte IB/PVV 2016. In een e-mail van de inspecteur van 6 oktober 2020 verzoekt hij de adviseur van belanghebbende:
“Eind vorig jaar heb ik wel de gegevens van u mogen ontvangen maar wilt [u] het model [C] nog aanvullen met de vragen over erfpacht, verhuur etc.?”



2.7.
Op 8 oktober 2020 antwoordt de adviseur via e-mail met een bijlage:
“Zie bijlage voor het model. Er is sprake van erfpachtfinanciering met een terugkooprecht op basis van de canon.”



2.8.
De adviseur verstrekt op 20 en 21 oktober 2020 nadere informatie aan de inspecteur. Op 22 oktober 2020 bericht de inspecteur:
“Nu uw cliënten nooit het volledige eigendom hebben gehad van de percelen grond en nooit geld hebben ontvangen van [B N.V.] , ontbreken in de onderliggende casus de kenmerken van een geldlening. Het recht van erfpacht kan dan ook niet worden verwerkt als geïndexeerde geldlening.”






3Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 terecht en of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 naar juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek houdt partijen daarbij verdeeld (1) de vraag of de inspecteur de in aftrek gebrachte indexering van de schuld terecht heeft gecorrigeerd (alle jaren) en (2) of de inspecteur over een nieuw feit voor navordering beschikte (de jaren 2014 en 2015).

Bij beantwoording van deze vragen bestaat tussen partijen geen geschil over de cijfermatige uitwerking daarvan.





4Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft als volgt overwogen:


“10. In het Fagoed-arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Het Hof heeft de stelling van de Inspecteur dat de economische eigendom van de landerijen bij belanghebbende bleef berusten, verworpen op grond van de overweging dat de waardeveranderingen van het bouwland na 18 mei 1988, gelet op de wijze waarop in geval van terugkoop de prijs wordt vastgesteld, bepaald niet alleen de erfpachter aangaan. Deze overweging is op zichzelf bezien juist. Dit neemt echter niet weg dat het economische belang bij het land voor een groot deel bij belanghebbende bleef berusten. Immers, indien ervan wordt uitgegaan, gelijk het Hof heeft gedaan, dat het terugkooprecht zijn waarde zal behouden, moet worden aangenomen dat het land te gelegener tijd in het vermogen van belanghebbendes onderneming zal terugkeren, tegen betaling van het bedrag dat hij in 1988 heeft ontvangen, nadat daarop de overeengekomen indexering is toegepast. De aldus ontstane situatie komt zozeer overeen met die waarin een geïndexeerde geldlening zou zijn aangegaan, dat belanghebbende niet in strijd zou handelen met goed koopmansgebruik, indien hij bij de berekening van de jaarlijkse winst het land zonder verandering van de boekwaarde in de fiscale balans zou opnemen, het door hem ontvangen bedrag van ƒ 281.000,--, vermeerderd met de te zijnen laste gebrachte kosten ten bedrage van ƒ 9.000,--, derhalve in totaal ƒ 290.000,-- als een geldlening zou aanmerken, en jaarlijks de uit de indexering voortvloeiende wijziging van dit bedrag in aanmerking zou nemen.”

11. Naar het oordeel van de rechtbank wijkt het onderhavige feitencomplex op essentiële punten en daarmee in rechtens relevante zin af van de feiten die ten grondslag liggen aan het Fagoed-arrest. De vennoten hebben immers tegen betaling een erfpachtrecht en een kooprecht overgenomen van een derde, terwijl in het Fagoed-arrest sprake is van de verkoop van grond onder het voorbehoud van een erfpachtrecht en een terugkooprecht. Niet valt in te zien waarom in de onderhavige zaken - net als in het Fagoed-arrest - sprake zou zijn van gelijkenis met het aangaan van een geïndexeerde geldlening. De vennoten hebben geen geld - dat fiscaal zou kunnen worden verantwoord als schuld - van een derde ontvangen in het kader van verkoop van bloot eigendom, voorbehoud van het recht van erfpacht en een daarmee samenhangend kooprecht. Anders dan in het Fagoed-arrest kan in de onderhavige zaken ook niet verondersteld worden dat de grond zal ‘terugkeren’ in het vermogen van eisers onderneming. Daarvoor is immers onder meer vereist dat de betreffende grond voorafgaand aan de verkrijging van het recht van erfpacht tot het ondernemingsvermogen van de vof behoorde. Die situatie doet zich hier niet voor.

12. De stelling van eiser dat hij door de koop van het recht van erfpacht met het daarmee samenhangende kooprecht in dezelfde situatie als [A] is komen te verkeren, en hij gelet daarop de grond voor de volle eigendomswaarde mag activeren met daartegenover het passiveren van een schuld, wordt door de rechtbank verworpen. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de door eiser opgevoerde extra actief- en passiefposten slechts gebaseerd zijn op door eiser gemaakte berekeningen. Indien de vof in oktober 2012 de grond in volle eigendom gekocht zou hebben en vervolgens het bloot eigendom onder voorbehoud van een recht van erfpacht met terugkooprecht zou hebben verkocht aan [B N.V.] , is maar de vraag, aldus verweerder, voor welke bedragen deze transactie dan zou hebben plaatsgevonden, in hoeverre dit dan zou overeenkomen met de door eiser gemaakte berekeningen, en wat de fiscale gevolgen daarvan zouden zijn. De rechtbank volgt verweerder hierin.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser zich niet met succes kan beroepen op (de analoge toepassing van) het Fagoed-arrest. De enkele omstandigheid dat de vennoten de bestaande erfpachtovereenkomst met kooprecht (ongewijzigd) hebben overgenomen van [A] doet aan het voorgaande niet af.

14. Eisers stelling dat het niet zo kan zijn dat de vormgeving van de transactie van invloed is op de fiscale verwerking daarvan, vindt geen steun in het recht. Het door eiser geschetste alternatieve scenario heeft zich niet voorgedaan. Verweerder merkt daarom terecht op dat de vraag of de fiscale verwerking als geïndexeerde geldlening in de door eiser beschreven hypothetische situatie wél zou zijn toegestaan, buiten de reikwijdte van deze procedure valt.

15. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de in aftrek gebrachte indexering terecht heeft gecorrigeerd. Bij deze uitkomst is niet in geschil dat de door verweerder toegepaste correcties juist zijn.”





5Beoordeling van het geschil in hoger beroep


Fagoed-aftrek?


5.1.
Evenals in eerste aanleg doet belanghebbende in hoger beroep een beroep op (overeenkomstige) toepassing van het Fagoed-arrest (Hoge Raad 10 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1866). Hij meent dat ook in zijn geval de vergelijking met het aangaan van een geïndexeerde geldlening opgaat en dat de jaarlijkse indexering van de prijs van het kooprecht van de grond (zie onderdeel 5 van de rechtbankuitspraak) ten laste van de winst mag worden gebracht.



5.2.
Het Hof stelt het volgende voorop. In het Fagoed-arrest was sprake van de verkoop van de eigendom van landbouwgrond onder voorbehoud van een recht van erfpacht en met een recht op terugkoop van de grond, waarbij mag worden aangenomen dat het terugkooprecht zijn waarde zal behouden en de bloot-eigendom van de grond in het vermogen van de ondernemer zal terugkeren tegen betaling van het van de koper/erfpachtfinancier ontvangen bedrag nadat daarop de overeengekomen indexatie was toegepast; dan wel – indien dit is overeengekomen – tegen betaling van een bedrag gelijk aan de vrije waarde van de grond (als die op het moment van terugkoop lager is dan de geïndexeerde koopsom) of de oorspronkelijke koopsom, indien deze bij terugkoop hoger is dan de vrije waarde (vgl. HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1257, r.o. 4.2). De in dat arrest beschreven methode komt erop neer dat de belastingplichtige de volledige eigendom van de grond als actiefpost op de balans houdt en een bedrag gelijk aan de voor de bloot-eigendom ontvangen koopsom als passiefpost opneemt als ware het een schuld uit hoofde van een geldlening. Deze passiefpost dient jaarlijks aan te groeien met een bedrag ter grootte van de indexatie van de terugkoopprijs. Deze aangroei wordt als financieringslast ten laste van de winst gebracht.



5.3.
De Hoge Raad kwam in het Fagoed-arrest tot deze methode vanwege de aldaar vertoonde sterke overeenkomst met een geïndexeerde geldlening (zie r.o. 3.7 van het Fagoed-arrest, geciteerd in onderdeel 20 van de rechtbankuitspraak). Naar het oordeel van het Hof is deze sterke overeenkomst gelegen in de omstandigheid dat in de Fagoed-casus de financier een som geld overmaakt aan de belastingplichtige die deze te gelegener tijd (vermeerderd met een indexatie) weer aan de financier terugbetaalt, terwijl het economische belang bij de grond voor een groot deel bij de belastingplichtige blijft berusten. Daarbij levert de belastingplichtige bij aanvang de bloot-eigendom van de grond aan de financier, zodat dit – als ware het een zekerheidsrecht – terugbetaling van de geldsom waarborgt. Bij terugbetaling van de geldsom volgt ook teruglevering van de grond.



5.4.
De omstandigheden die de in 5.3 bedoelde parallel met de geïndexeerde lening schiepen ontbreken nu juist in de onderhavige casus. Weliswaar komt belanghebbende, gelet op de bepaling van de prijs onder het kooprecht (zie 2.3), het risico toe van grondwaardeverandering boven de vaste geïndexeerde prijs (en [B N.V.] het risico van waardeverandering daaronder). Het betreft echter geen terugkooprecht zoals in de Fagoed-casus; belanghebbende is van de grond nimmer eigenaar geweest, zodat niet gesproken kan worden van een terugkeren daarvan in zijn onderneming. Hij heeft ook geen geld van [B N.V.] ontvangen bij een verkoop van de grond; in deze zaak ontbreekt een dergelijke verkoop door belanghebbende. Er wordt derhalve geen geldsom terugbetaald door belanghebbende bij uitoefening van zijn kooprecht. Belanghebbende is, in andere woorden, niet door [B N.V.] gefinancierd.



5.5.
Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de Fagoed-methode een uitzondering betreft die beperkt moet worden uitgelegd. Gelet op de belangrijke verschillen tussen de situatie van belanghebbende en die van de Fagoed-casus, waardoor alhier nu juist geen sprake is van een sterke overeenkomst met een geldlening, volgt het Hof belanghebbende dan ook niet in zijn standpunt dat ook in zijn situatie de Fagoed-methode toegepast mag worden. Ook hetgeen de rechtbank in onderdelen 13 en 14 van haar uitspraak heeft overwogen acht het Hof juist. Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt ze tot de zijne. Het Hof voegt hieraan toe dat al hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd ook geen ruimte biedt voor de door belanghebbende voorgestane indexering ten laste van de winst.


Navordering



5.6.
In hoger beroep stelt belanghebbende voor het eerst dat over de jaren 2014 en 2015 niet nagevorderd kan worden. Hij stelt in dat verband – zonder dat nader toe te lichten – dat sprake is van “een wijziging van inzicht/ beleid”, maar niet van nieuwe feiten. De inspecteur stelt dat wel nagevorderd mag worden vanwege een nieuw feit, aangezien de inspecteur pas in het kader van de regeling van belanghebbendes aangifte IB/PVV 2016 voor het eerst vernam dat de Fagoed-indexering ten laste van de winst werd gebracht, terwijl de vennoten de grond niet in eigendom hebben gehad en geen geld hebben ontvangen van [B N.V.] (zie 2.6 tot en met 2.8).



5.7.
Om te weinig geheven belasting na te vorderen is in het algemeen een ‘nieuw feit’ vereist. Dat wil zeggen dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn geen grond voor navordering kan opleveren (artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen). Voor de navorderingsbevoegdheid is niet vereist dat de inspecteur zijn inzicht niet heeft gewijzigd. Een veranderd inzicht van de inspecteur levert alleen dan geen grond op voor navordering, indien de inspecteur, op basis van dezelfde feitelijke gegevens als waarover hij bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag beschikte, later tot een andere conclusie komt (HR 21 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AX4601). De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de daarin vermelde gegevens. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379).



5.8.
Uit in de aangiften IB/PVV 2014 en 2015 vermelde gegevens valt niet af te leiden dat sprake was van (deze vorm van) erfpachtfinanciering. De niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de wel in de aangiften opgenomen gegevens (grond en lening) juist waren. In 2017, bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015, hoefde de inspecteur in redelijkheid dus niet aan de juistheid van die aangiften te twijfelen en beschikte hij niet over de gegevens van de erfpachtfinanciering. Een en ander is pas aan het licht gekomen toen de inspecteur in oktober 2020 vragen ging stellen over de aangifte IB/PVV 2016 (zie 2.6 tot en met 2.8). Uit die e-mailwisseling is af te leiden dat de inspecteur op basis van de nieuwe informatie over de erfpachtfinanciering het standpunt innam dat de aftrek in 2016 en de voorgaande jaren niet gerechtvaardigd was, omdat de feiten op relevante punten niet met die van de Fagoed-casus overeenkwamen. Deze nieuwe informatie vormt een nieuw feit.



5.9.
De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat hij over het vereiste nieuwe feit beschikte om de navorderingsaanslagen op te leggen.


Slotsom



5.10.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.






6Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een kostenveroordeling.






7Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 30 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.






Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Link naar deze uitspraak