Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:1537 
 
Datum uitspraak:02-06-2026
Datum gepubliceerd:03-06-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.357.729
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Bekrachtiging vonnis. Inleenovereenkomst. Boetebeding in algemene voorwaarden. Artikel 6:233, 6:234 en 6:235 BW. Geen redelijke mogelijkheid geboden om van algemene voorwaarden kennis te nemen. Beroep op vernietiging van algemene voorwaarden slaagt.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)

zaaknummer : 200.357.729/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/356497 / HA ZA 24-506


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2026


in de zaak van



[appellant]
,
handelend onder de naam [appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J.R.V. van der Vinne te Hoofddorp,

tegen



[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.J.M. Smit te Volendam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.





1De zaak in het kort


[appellant] en [geïntimeerde] hebben een inleenovereenkomst gesloten voor de inzet van drie metselaars bij [geïntimeerde] . Na opzegging van hun arbeidsrelatie met [appellant] , zijn de metselaars via een ander uitzendbedrijf voor [geïntimeerde] gaan werken. [appellant] stelt dat op de overeenkomst twee sets algemene voorwaarden van toepassing zijn en hij op grond van die voorwaarden recht heeft op een boete en aanvullende schadevergoeding, omdat [geïntimeerde] de metselaars in strijd met de algemene voorwaarden, binnen een jaar na hun dienstverband bij [appellant] , opnieuw heeft ingezet. Het hof oordeelt dat alleen de algemene verkoop- leverings- en betalingsvoorwaarden op de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] van toepassing zijn, en dat [geïntimeerde] terecht een beroep doet op vernietiging van die algemene voorwaarden, omdat [appellant] aan [geïntimeerde] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van die algemene voorwaarden kennis te nemen. Het bestreden vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd en [appellant] moet de proceskosten van [geïntimeerde] betalen.





2Het geding in hoger beroep


2.1.

[appellant] is bij dagvaarding van 21 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 23 april 2025 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven en negen producties.



2.2.

[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord ingediend.



2.3.
Op 24 oktober 2025 is van de zijde van [appellant] een akte ingediend, die niet is toegelaten vanwege strijd met artikel 1.2 onder b van het Landelijk Procesreglement.



2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling op 24 maart 2026 hebben de advocaten de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. De van de zijde van [appellant] op 24 september 2025 ingekomen aanvullende productie 10 is daarbij toegelaten tot het procesdossier.



2.5.
Ten slotte is arrest gevraagd.






3Feiten


3.1.
De rechtbank heeft in het vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten dienen ook het hof tot uitgangspunt. Aangevuld met andere relevante feiten, komen de feiten neer op het volgende.



3.2.

[appellant] exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een onderneming in de uitzendbranche, genaamd ‘ [appellant] ’, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 370.975.88. [appellant] heeft op grond van een op 15 juni 2020 met [geïntimeerde] gesloten inleenovereenkomst drie metselaars aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld. In de orderbevestiging, die door beide partijen is ondertekend, staat het volgende:

“Op al onze diensten zijn van toepassing onze algemene verkoop- leverings- en betalingsvoorwaarden, zoals deze zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Hoorn onder nummer 370.379.88.”



3.3.

[appellant] heeft onder deze naam en dit nummer geen voorwaarden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. De wel door [appellant] gedeponeerde voorwaarden zijn genaamd ‘Algemene detacheringvoorwaarden’ en geregistreerd onder nummer 370.975.88.



3.4.
In artikel 7.3 van de algemene detacheringvoorwaarden is bepaald:

“Opdrachtgever zal gedurende de looptijd van de overeenkomst alsmede één jaar na beëindiging daarvan slechts nadat goed zakelijk overleg met opdrachtneemster heeft plaatsgevonden en opdrachtneemster vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven, medewerkers van opdrachtneemster die betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de overeenkomst in dienst nemen, dan wel anderszins, direct of indirect, voor zich laten werken, dan wel met hen samenwerken. Houdt opdrachtgever zich hier niet aan, dan volgt een sanctie van € 25.000,- per geval.”



3.5.
Artikel 7.3 van de algemene verkoop- leverings- en betalingsvoorwaarden bevat dezelfde bepaling, met als voornaamste verschil dat waar hierboven “medewerkers” staat, in die voorwaarden is opgenomen: “(ex)medewerkers”.



3.6.

[appellant] heeft [geïntimeerde] vanaf 19 juni 2020 facturen gestuurd voor de inzet van de metselaars in de weken 25, 26, 27 en 28 van 2020. [geïntimeerde] heeft de facturen betaald.



3.7.
Eind juni 2020 hebben de metselaars de arbeidsrelatie met [appellant] schriftelijk beëindigd. De metselaars hebben vanaf week 33 voor [geïntimeerde] gewerkt via een ander uitzendbedrijf.



3.8.

[appellant] heeft [geïntimeerde] onder verwijzing naar zijn algemene voorwaarden op 19 juli 2023 telefonisch laten weten dat [geïntimeerde] een direct opeisbare boete van € 25.000,- per medewerker verbeurt als de metselaars niet opnieuw bij [appellant] in dienst treden.



3.9.
Bij e-mail van 4 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] betwist dat de algemene voorwaarden waar [appellant] zich op beroept van toepassing zijn. Subsidiair heeft de advocaat van [geïntimeerde] zich beroepen op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden.






4Procedure bij de rechtbank


4.1.

[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 125.157,-, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, een en ander op straffe van een dwangsom, en om [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten met nakosten en rente.



4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Samengevat heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] aan [geïntimeerde] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om kennis te nemen van de “algemene verkoop- leverings- en betalingsvoorwaarden”, die op de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] van toepassing zijn. Dit brengt mee dat het beroep van [geïntimeerde] op vernietiging van die algemene voorwaarden slaagt en [appellant] geen aanspraak kan maken op de in die algemene voorwaarden opgenomen boete, en dat ook de nevenvorderingen van [appellant] worden afgewezen. [appellant] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in eerste aanleg, vermeerderd met nakosten.






5Vordering in hoger beroep


5.1.

[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.



5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.






6Beoordeling


6.1.
Tegen het vonnis heeft [appellant] acht grieven gericht. [appellant] stelt dat de algemene voorwaarden in de ondertekende opdrachtbevestiging van toepassing zijn verklaard en daarin ook is opgenomen waar deze te raadplegen zijn. [appellant] vordert dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 125.157,-. Dit bedrag is opgebouwd uit drie keer de boete van € 25.000,- zoals opgenomen in artikel 7.3 van de algemene voorwaarden, vermeerderd met de volgens [appellant] daadwerkelijk geleden schade als gevolg van netto omzetverlies van € 50.157,-.



Alleen de algemene verkoop- leverings- en detacheringsvoorwaarden zijn van toepassing




6.2.
In eerste aanleg heeft [appellant] zich (bij antwoord in incident) op het standpunt gesteld dat per abuis de algemene detacheringvoorwaarden zijn overgelegd bij de inleidende dagvaarding en dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Volgens [appellant] zijn de als productie 24 overgelegde algemene verkoop- leverings- en detacheringsvoorwaarden de juiste voorwaarden.



6.3.
In hoger beroep heeft [appellant] betoogd dat beide sets algemene voorwaarden van toepassing zijn op de inleenovereenkomst, omdat deze zowel juridisch als inhoudelijk niet van elkaar verschillen. Tegen die achtergrond heeft [appellant] in eerste aanleg ook het standpunt ingenomen dat de algemene detacheringvoorwaarden buiten beschouwing konden worden gelaten. Volgens [appellant] zijn de verschillen die er zijn, niet relevant. Dat in artikel 7.3 in de ene set voorwaarden ‘medewerkers’ staat en in de andere set ‘(ex)medewerkers’, heeft geen gevolgen voor de uitleg, omdat een medewerker vanzelf ex-medewerker wordt als hij uit dienst gaat. De forumkeuze die in de algemene detacheringvoorwaarden staat geldt niet ten aanzien van [geïntimeerde] omdat ze daarover geen overeenstemming hebben bereikt. Ook de andere naamgeving van de algemene voorwaarden is niet relevant. Volgens [appellant] volgt uit Hoge Raad jurisprudentie dat onderling strijdige bedingen niets afdoen aan de toepasselijkheid van algemene voorwaarden als er meer aanvaarde sets algemene voorwaarden zijn.



6.4.
Het hof stelt voorop dat op de inleenovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] alleen de algemene verkoop- leverings- en detacheringsvoorwaarden van toepassing zijn verklaard met KvK-nummer 370.379.88 (hierna te noemen: algemene voorwaarden II). Met ondertekening van de opdrachtbevestiging heeft [geïntimeerde] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden II aanvaard. De algemene detacheringvoorwaarden zijn niet van toepassing verklaard op de overeenkomst en [geïntimeerde] heeft de toepasselijkheid daarvan niet aanvaard. Dat [appellant] de algemene detacheringvoorwaarden bij de Kamer van Koophandel heeft gedeponeerd (onder nummer 370.975.88), en dat dit inhoudelijk (ook) algemene verkoop- leverings- en betalingsvoorwaarden (zouden) betreffen, zoals hij stelt, brengt niet mee dat [geïntimeerde] de toepasselijkheid daarvan heeft aanvaard.



6.5.
Grief VI, waarmee [appellant] betoogt dat beide partijen in eerste aanleg hebben betwist dat er inhoudelijke verschillen zijn tussen beide sets algemene voorwaarden en dat de kleine onderlinge verschillen geen invloed hebben op beide sets algemene voorwaarden, kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De algemene detacheringvoorwaarden zijn niet van toepassing op de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] . In hoeverre de beide sets inhoudelijk verschillen is daarom niet relevant voor de beoordeling van dit geschil. De jurisprudentie waar [appellant] naar verwijst, die ziet op de vraag welke bepalingen van toepassing zijn indien twee sets algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, is om die reden ook niet op deze situatie van toepassing.



[geïntimeerde] kan een beroep doen op vernietiging van de algemene voorwaarden




6.6.

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op vernietiging van de algemene voorwaarden II, omdat [appellant] haar niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van die algemene voorwaarden kennis te nemen (artikel 6:233 aanhef en sub b BW). De rechtbank heeft geoordeeld dat dit beroep slaagt. [appellant] komt daartegen op met zijn grieven I, II en IV. Volgens [appellant] kan [geïntimeerde] geen beroep doen op vernietiging van algemene voorwaarden, gelet op het bepaalde in artikel 6:235 lid 1 sub a en b BW.



6.7.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] voldoet aan het in artikel 6:235 lid 1 sub a BW genoemde criterium “een rechtspersoon bedoeld in artikel 360 van Boek 2, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt” en daarom niet een beroep kan doen op de vernietigingsgronden bedoeld in artikelen 6:233 en 6:234 BW. Ter onderbouwing van die stelling heeft [appellant] de door [geïntimeerde] op 8 december 2018 gedeponeerde balans overgelegd. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat artikel 6:235 lid 1 sub a BW alleen betrekking heeft op ondernemingen die hun gehele jaarrekening hebben gepubliceerd, en klopt de verwijzing door de rechtbank naar de parlementaire geschiedenis niet.



6.8.
Uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1631 e.v.) volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de mogelijkheid een beroep te doen op vernietiging van algemene voorwaarden uit te sluiten voor zover algemene voorwaarden tegenover ‘grote ondernemers’ worden gebruikt. Over artikel 6:235 lid 1 sub a BW is overwogen:
“Het criterium onder a verwijst naar de artikelen 360 e.v. van boek 2, met name de artikelen 396 en 403. Als „grote" wederpartijen worden aangemerkt naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, coöperatieve verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen, die hun gehele jaarrekening moeten publiceren, dus niet kunnen volstaan met een beperkte balans als bedoeld in artikel 396 lid 7; men zie de criteria in lid 1 van dat artikel alsmede artikel 398.Ten einde bewijsproblemen te voorkomen wordt overigens niet de verplichting tot het openbaar maken van een jaarrekening, doch het daadwerkelijk publiceren ervan, als criterium voorgesteld; dit is gemakkelijk in het Handelsregister na te gaan”.



6.9.

[appellant] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een zodanige volledige jaarrekening heeft gepubliceerd. De door hem overgelegde jaarrekening over 2018 is een beperkte balans zonder winst- en verliesrekening en [geïntimeerde] kwalificeert daarom niet als ‘grote ondernemer’. Een beroep op vernietiging van algemene voorwaarden is daarom voor [geïntimeerde] niet uitgesloten op grond van artikel 6:235 lid 1 sub a BW. Het hof volgt [appellant] niet waar hij stelt dat deze parlementaire geschiedenis niet van toepassing zou zijn omdat deze ziet op de boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, en niet op het jaarrekeningenrecht. De wetgever heeft bij de behandeling van artikel 6:235 BW, in het bijzonder voor de vraag of sprake is van een grote onderneming, in de parlementaire geschiedenis expliciet aansluiting gezocht bij de bepalingen in boek 2 BW. Over de relevantie van deze parlementaire geschiedenis voor de uitleg van artikel 6:235 lid 1 sub a BW kan dan ook geen twijfel bestaan.



6.10.

[appellant] stelt verder dat uit artikel 6:235 lid 1 sub b BW expliciet volgt dat alleen ondernemingen met vijftig of meer werknemers een beroep mogen doen op de vernietigingsgronden in artikel 6:233 en 6:234 BW, en dat [geïntimeerde] als kleine ondernemer daarom geen beroep op vernietiging toekomt. Daarmee legt [appellant] dit wetsartikel verkeerd uit. Juist ondernemingen met minder dan vijftig medewerkers kunnen een beroep op vernietiging doen, waar dit voor grotere ondernemingen is uitgesloten. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] een kleine onderneming is, zodat artikel 2:235 lid 1 sub b BW niet aan een beroep op vernietiging door [geïntimeerde] in de weg staat.



6.11.

[appellant] verwijst in deze context naar de volzin in overweging 4.3. van het vonnis “Alleen een gedeponeerde balans is onvoldoende voor de conclusie dat [geïntimeerde] voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 6:235 lid 1 sub a BW”. [appellant] verbindt aan die volzin de conclusie dat [geïntimeerde] naar het oordeel van de rechtbank onbevoegd is om zich te beroepen op vernietigbaarheid van de algemene verkoop- leverings- en detacheringsvoorwaarden van [appellant] . In de door [appellant] geciteerde zin uit overweging 4.3. is echter sprake van een kennelijke verschrijving door toevoeging van het woord ‘niet’. Uit de daaraan voorafgaande overwegingen en uit de daarop volgende volzin blijkt eenduidig dat de rechtbank van oordeel is dat alleen een gedeponeerde balans onvoldoende is voor de conclusie dat [geïntimeerde] voldoet aan de voorwaarden van artikel 6:235 lid 1 sub a BW en dat [geïntimeerde] bevoegd is om zich te beroepen op vernietigbaarheid van de betrokken algemene voorwaarden. Grief I van [appellant] kan daarom niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.


Het beroep van [geïntimeerde] op vernietiging van de algemene voorwaarden II slaagt




6.12.
De vervolgvraag is of [appellant] aan [geïntimeerde] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden II kennis te nemen zoals bepaald in artikel 6:234 lid 1 BW. Daaraan kan met name worden voldaan door het voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand stellen van de algemene voorwaarden, het overeenkomstig de in artikel 6:230c voorziene wijze verstrekken, of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, door voor de totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij bekend te maken dat de voorwaarden bij hem ter inzage liggen of bij een door hem opgegeven Kamer van Koophandel of een griffie van een gerecht zijn gedeponeerd, alsmede door de mededeling dat zij op verzoek zullen worden toegezonden.



6.13.
Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] de algemene voorwaarden II voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [geïntimeerde] ter hand heeft gesteld.



6.14.
Het hof overweegt dat artikel 6:230c BW, dat wordt genoemd in artikel 6:234 lid 1 BW als mogelijkheid om kennis te nemen van algemene voorwaarden, niet van toepassing is op [appellant] , omdat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op diensten van uitzendbedrijven. Overigens is ook aan de in dat wetsartikel genoemde informatieverstrekking niet door [appellant] voldaan.



6.15.
Dat terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk was, is ook niet komen vast te staan. Het betoog van [appellant] dat de coronapandemie terhandstelling onmogelijk maakte, daarbij verwijzend naar lock-downs en 1,5 meter afstandregel, gaat namelijk niet op. Tijdige terhandstelling kon immers ook met inachtneming van die regels, bijvoorbeeld via elektronische weg, plaatsvinden.



6.16.
Uit de door [appellant] aangehaalde jurisprudentie kan – anders dan hij betoogt – niet worden afgeleid dat voor het bieden van een redelijke mogelijkheid om kennis te nemen in dit geval voldoende was dat [appellant] de algemene voorwaarden II had getoond of ter beschikking had gesteld als [geïntimeerde] zou vragen naar de voorwaarden. Ook kan uit die jurisprudentie niet worden afgeleid dat er geen verplichting was voor [appellant] om [geïntimeerde] van tevoren op algemene voorwaarden te attenderen. Zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, ligt het initiatief voor het bekend maken van algemene voorwaarden bij [appellant] als gebruiker daarvan. Ook de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] (als professionele partij) had moeten protesteren tegen toepasselijkheid van algemene voorwaarden, vindt geen grond in de wet of jurisprudentie. De parallel die [appellant] trekt met jurisprudentie waarbij de toepasselijkheid van algemene voorwaarden herhaaldelijk op facturen is opgenomen, dan wel sprake is van een bestendige relatie tussen partijen, gaat evenmin op. [appellant] en [geïntimeerde] deden niet eerder zaken met elkaar en hebben slechts één overeenkomst gesloten. Bovendien is op de facturen van [appellant] niet opgenomen dat algemene voorwaarden van toepassing zijn.



6.17.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat [appellant] [geïntimeerde] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om kennis te nemen van de algemene voorwaarden II en dat het beroep van [geïntimeerde] op vernietiging daarvan slaagt. [appellant] kan geen beroep doen op het in die algemene voorwaarden opgenomen boetebeding, noch kan hij aanspraak maken op de door hem gevorderde aanvullende schadevergoeding die daarop gebaseerd is. Ook de nevenvorderingen zijn niet toewijsbaar.



6.18.
Omdat het beroep van [geïntimeerde] op vernietiging van de algemene voorwaarden II slaagt, hoeft niet meer te worden beoordeeld of artikel 7.3 van de algemene voorwaarden in strijd is met het in artikel 9a van de Wet Waadi opgenomen belemmeringsverbod, zoals [geïntimeerde] subsidiair heeft aangevoerd. Bovendien is het bij deze uitkomst niet nodig om vast te stellen of de drie metselaars bij [geïntimeerde] in dienst zijn getreden, zoals [appellant] heeft betwist. Grief III van [appellant] , die daarop ziet, kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.


Overige grieven van [appellant]




6.19.
Met grief I stelt [appellant] verder dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering om de algemene voorwaarden van toepassing te verklaren heeft afgewezen, terwijl de rechtbank in 4.1 wel heeft overwogen dat algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Het hof constateert dat in eerste aanleg geen vordering door [appellant] is ingesteld tot het van toepassing verklaren van algemene voorwaarden, zodat de rechtbank daarover terecht niets heeft overwogen. Zoals ook de rechtbank overwoog, zijn de algemene voorwaarden II weliswaar van toepassing op de overeenkomst tussen partijen, maar slaagt het beroep van [geïntimeerde] op vernietiging omdat [appellant] haar geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van die algemene voorwaarden kennis te nemen.



6.20.
Met grief V komt [appellant] op tegen de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank Noord-Holland en tegen de volgens hem onjuiste weergave van de gang van zaken in het proces-verbaal van die mondelinge behandeling. [appellant] is het er niet mee eens dat hij daar niet zelf zijn pleitnota mocht voordragen, en dat die pleitnota is geweigerd. Het hof oordeelt dat deze grief niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden, gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep. [appellant] heeft in hoger beroep (alsnog) de mogelijkheid gekregen zijn zaak te bepleiten, van welke mogelijkheid hij en zijn advocaat tijdens de mondelinge behandeling ook gebruik hebben gemaakt.



6.21.
Met grief VII stelt [appellant] dat de inleidende dagvaarding ten onrechte niet is opgenomen bij het in het bestreden vonnis genoemde verloop van de procedure. Zoals [geïntimeerde] terecht heeft opgemerkt, staat de dagvaarding genoemd in het vonnis in incident van 18 december 2024. In het bestreden vonnis staat bij het verloop van de procedure het vonnis in incident van 18 december 2024 genoemd, en zijn de tot dat moment ingediende stukken niet opnieuw herhaald. Dat is een gebruikelijke werkwijze en kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden, zodat ook deze grief niet slaagt.


Slotsom, kosten en bewijsaanbod




6.22.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Grief VIII, gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, treft daarmee ook geen doel. Met het voorgaande zijn alle grieven van [appellant] besproken en verworpen. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.



6.23.

[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:

- griffierecht € 6.803,00
- salaris advocaat € 7.594,00 (tarief V, twee punten)
Totaal € 14.397,00






7Beslissing

Het hof:


7.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;



7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 14.397,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;



7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;



7.4.
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, M.M. Kruithof en M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
Link naar deze uitspraak