Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:1642 
 
Datum uitspraak:18-06-2026
Datum gepubliceerd:06-07-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:25/738
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Proceskostenvergoeding. Gemachtigde is aan te merken als bijzonder geval als bedoeld in het arrest Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
Trefwoorden:bpm
ozb
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/738

18 juni 2026


uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[X]
, wonende te [Z], belanghebbende,
(gemachtigde: WOZ Consultants B.V., vertegenwoordigd door A. Oosters)

alsmede op het incidenteel hoger beroep van


de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van 17 januari 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/1637 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] 6 te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 825.000.



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde gehandhaafd.



1.3.
Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 729.000,-;
- bepaalt dat de voor de woning opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig wordt verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.813,76 aan proceskosten aan eiser.”



1.4.
Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:


een verweerschrift door de heffingsambtenaar;


een incidenteel hoger beroep door de heffingsambtenaar;


een geschrift omvattende het verweer op het incidenteel hoger beroep en een nadere toelichting door belanghebbende;


een nader stuk door belanghebbende (8 mei 2025).





1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.






2Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil de hoogte van de voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding. In incidenteel hoger beroep is in geschil of de rechtbank af had moeten zien van ongegrondverklaring van het beroep, omdat partijen het reeds voor de zitting overeenstemming hadden bereikt over de WOZ-waarde (€ 729.000) en enkel nog de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase (de toepassing van artikel 30a Wet WOZ) in geschil was.





3Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen

“4. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.

5. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 624,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. In geschil is de vraag of de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ moet worden vermenigvuldigd met 0,25.

6. Eiser voert aan dat artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet worden gelaten omdat dit artikel volgens eiser bij de Hoge Raad geen stand zal houden. Eiser wijst op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024, waarin het Hof het gelijkluidende artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) buiten toepassing heeft gelaten.

7. De rechtbank stelt vast dat per 1 januari 2024 artikel 30a van de Wet WOZ van kracht is. In het eerste en tweede lid heeft de wetgever bepaald dat de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd dienen te worden met de daar bepaalde factor. Gelet op het feit dat de uitspraak op bezwaar dateert van 1 februari 2024 is dit artikel van toepassing op de berekening van de proceskosten in beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op toekomstige onzekere gebeurtenissen waarbij dit artikel mogelijk buiten toepassing zal worden gelaten. De rechtbank heeft gezien dat Advocaat-Generaal P.J. Wattel de Hoge Raad heeft geadviseerd om artikel 30a van de Wet WOZ in stand te laten.

8. Dit betekent dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 1.813,76
(1 punt à € 624,- voor het indienen van het bezwaar, 1 punt à € 624,- voor het bijwonen van de hoorzitting, € 128,26 voor het taxatierapport, 1 punt à € 875,- x 0,25 voor het indienen van beroep en 1 punt à € 875,- x 0,25 voor het verschijnen ter zitting). Van dit bedrag heeft de heffingsambtenaar al een bedrag van € 1.646,01 aan eiser vergoed. Daarnaast dient de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.”





4Beoordeling van het principale en het incidentele hoger beroep


4.1.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank op de door haar berekende proceskostenvergoeding ten onrechte de in artikel 30a, lid 2 Wet WOZ genoemde factor 0,25 heeft toegepast, omdat zijn gemachtigde WOZ-Consultants B.V. (vertegenwoordigd door onder anderen A. Oosters, hierna: “WOZ-Consultants”) aan te merken is als “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het Hof overweegt ter zake als volgt.



4.2.
In voornoemde rechtsoverweging heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de wetgever met de beperking van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ (en de bpm) het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Of het bedrijfsmodel van een gemachtigde aan deze drie cumulatieve voorwaarden voldoet dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend (zie arrest Hoge Raad 26 september 2025, 24/03394bis, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3).



4.3.
In zijn uitspraak van 20 januari 2026, nr. 24/3390, ECLI:NL:GHAMS:2026:127, heeft het Hof geoordeeld dat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants vanaf 1 januari 2024 niet (meer) zodanig is ingericht dat sprake is van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay. In rechtsoverweging 5.10 en 5.11 van genoemde uitspraak heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat dit oordeel zich uitstrekt tot alle lopende procedures, voor zover het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend in het jaar 2024.



4.4.
Het rechtsmiddel van beroep is door belanghebbende aangewend op 13 maart 2024. Omdat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants op dat moment niet zodanig was ingericht dat sprake was van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay, mist de factor van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ toepassing, zodat de grief van belanghebbende slaagt.



4.5.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting in hoger beroep de juistheid van de onder 4.3 genoemde uitspraak van het Hof betwist. Hij heeft daarbij verwezen naar het reeds genoemde arrest Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3. Daarin is gepreciseerd dat, aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken. Hieruit volgt dat enkel een oordeel over het bedrijfsmodel van de gemachtigde kan worden geveld indien deze alle overeenkomsten, alle facturen en alle betaalbewijzen overlegt. Het Hof volgt de heffingsambtenaar hierin niet, nu niet wordt verlangd dat onomstotelijk, buiten alle twijfel, komt vast te staan dat genoemde kenmerken ontbreken, maar dat volstaat dat dit buiten redelijke twijfel komt vast te staan.



4.6.
Gelet op het vorenoverwogene is de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van (2 punten x € 875 x 1 x 0,25 =) € 437,50 te laag. Ook de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase dient opnieuw te worden vastgesteld, omdat de rechtbank – zoals belanghebbende met juistheid heeft betoogd – is uitgegaan van de puntwaarde van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2025. Het Hof stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 punten (bezwaarschrift + hoorgesprek) x € 666 x 1 = € 1.332 + € 128,26 = € 1.460,26. De vergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op 2 punten (beroepschrift + zitting) x € 934 x 1 = € 1.868. De vergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase bedraagt derhalve in totaal € 3.328,26.


Incidenteel hoger beroep



4.7.
Het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar is gebaseerd op de onjuiste vooronderstelling dat belanghebbende zijn beroep zou hebben ingetrokken. De brief van de gemachtigde aan de rechtbank van 18 november 2024 kan in redelijkheid niet worden aangemerkt als een intrekking van het beroep. De rechtbank heeft dan ook terecht uitspraak gedaan. Het incidenteel hoger beroep faalt derhalve.


Kostenvergoeding hoger beroep en incidenteel hoger beroep



4.8.
Het onderwerpelijke hoger beroep is ingesteld op 6 februari 2025. Zoals vermeld in rechtsoverweging 5.11 van de onder 4.3 genoemde uitspraak van het Hof, dient in procedures waarin WOZ-Consultants na 31 december 2024 namens een belanghebbende hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld, opnieuw te worden bewezen dat de gemachtigde aangemerkt kan worden als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Ter voldoening aan deze op hem rustende bewijslast heeft belanghebbende een groot aantal overeenkomsten en facturen overgelegd, betreffende het jaar 2025. Uit de overgelegde bewijsstukken volgt naar ’s Hofs oordeel buiten redelijke twijfel dat WOZ-Consultants ook in het jaar 2025 een bedrijfsmodel hanteerde dat niet kan worden aangemerkt als rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay.



4.9.
Belanghebbende heeft recht op een (proces)kostenvergoeding voor beroep en incidenteel hoger beroep naar het tarief volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die vergoeding bedraagt 3 punten (hogerberoepschrift, reactie op incidenteel hoger beroep, zitting Hof) x 0,5 (gewicht van de zaak) x € 934 = € 1.401. Gelet op het overwogene onder 4.6 bedraagt de vergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep in totaal € 3.328,26 + € 1.401 = € 4.729,26.



4.10.
Met betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de WOZ- Consultants, als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2025 bij de rechtbank of het Hof aanhangig gemaakte procedure over de WOZ en OZB, wordt het volgende overwogen.
Na de vaststelling in deze zaak dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, zal het Hof met het oog op praktische toepassing en uitvoerbaarheid van dat arrest bij het afdoen van elke volgende procedure waarin de gemachtigde namens een belanghebbende in het jaar 2025 beroep bij de rechtbank of hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld en die belanghebbende voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als zo een bijzonder geval, ervan uitgaan dat de gemachtigde niet werkt op basis van no cure no pay.



4.11.
In procedures waarin WOZ-Consultants na 31 december 2025 namens een belanghebbende hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld, zal de belanghebbende die voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, dit moeten bewijzen.


Slotsom



4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskostenvergoeding betreft.






5Beslissing

Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskosten betreft;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het bezwaar, beroep en het hoger beroep, vastgesteld op € € 4.729,26 (zie 4.9);
- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 143 te vergoeden.


De uitspraak is gedaan door mr. B.A. van Brummelen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 18 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.






Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Link naar deze uitspraak