Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:1696 
 
Datum uitspraak:09-06-2026
Datum gepubliceerd:26-06-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.353.905
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Bekrachtiging vonnis en opheffing beslag. Geïntimeerde heeft geld geleend aan appellant, die een beddenzaak exploiteerde. Geen rechtsgeldig pandrecht gevestigd. Geïntimeerde heeft niet onrechtmatig gehandeld en is niet ongerechtvaardigd verrijkt door zelf bedden te verkopen en opbrengst te innen. Appellant heeft daarvoor toestemming gegeven en niet is gebleken dat geïntimeerde zaken voor een te lage prijs heeft verkocht, zaken heeft ontvreemd, of meer heeft verkocht dan zij heeft gespecificeerd.
Trefwoorden:belastingrecht
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)

zaaknummer : 200.353.905/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/349261 / HA ZA 24-94


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026


in de zaak van



[appellant] ,

wonend in [plaats 1] ,
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond,

tegen



[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. P.W. Snoeker te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.





1De zaak in het kort


1.1

[geïntimeerde] heeft geld uitgeleend aan [appellant] , die een beddenzaak exploiteerde in [plaats 4] . In één van de geldleningsovereenkomsten is een pandrecht voor [geïntimeerde] geformuleerd, maar dat pandrecht is niet rechtsgeldig gevestigd. Toen [appellant] niet voldeed aan zijn verplichtingen om de leningen terug te betalen, is [geïntimeerde] overgegaan tot de verkoop van bedden vanuit de winkel in [plaats 4] . De opbrengst heeft zij in mindering gebracht op haar vordering op [appellant] . Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld door tot de verkopen over te gaan en zich de opbrengst toe te eigenen. Ook stelt [appellant] dat [geïntimeerde] meer heeft verkocht dan zij heeft gespecificeerd en dat zij zaken voor een te lage prijs heeft verkocht. [appellant] stelt dat hij door de handelwijze van [geïntimeerde] winst is misgelopen en zijn winkel in [plaats 4] heeft moeten sluiten.



1.2
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. [geïntimeerde] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] en is niet ongerechtvaardigd verrijkt. De vorderingen van [appellant] zijn dan ook niet toewijsbaar, het ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslag wordt opgeheven en [appellant] moet de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep betalen.








2Het geding in hoger beroep


[appellant] is bij dagvaarding van 27 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 27 november 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties.

Op 31 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, waarbij mr. Snoeker spreekaantekeningen heeft overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.





3Feiten


3.1.
De rechtbank heeft in het vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten dienen ook het hof tot uitgangspunt.



3.2.

[appellant] was in het verleden bestuurder van [bedrijf 1] (tevens handelende onder de naam [bedrijf 1] ). Deze vennootschap exploiteerde een beddenwinkel in Rotterdam. Op 17 november 2020 is [bedrijf 1] failliet verklaard door de rechtbank Rotterdam.



3.3.
Eveneens op 17 november 2020 heeft [appellant] [bedrijf 2] opgericht naar Spaans recht (hierna: [bedrijf 2] ). Deze vennootschap exploiteert een beddenwinkel in [plaats 3] , [plaats 4] . [appellant] is bestuurder en aandeelhouder.



3.4.

[bedrijf 2] is in het eerste jaar na oprichting in financiële problemen gekomen en had betalingsachterstanden.



3.5.

[geïntimeerde] verblijft een aantal maanden per jaar in [plaats 3] . Toen zij in 2021 een bed kocht in de winkel van [bedrijf 2] leerde zij mevrouw [naam 1] kennen, die daar werkzaam was. [naam 1] vertrouwde aan [geïntimeerde] toe dat [bedrijf 2] in financieel zwaar weer verkeerde waardoor haar salaris, en dat van een collega, met enige regelmaat te laat of helemaal niet werd uitgekeerd. Daarop besloot [geïntimeerde] te helpen en heeft zij, na introductie door [naam 1] aan [appellant] , aangeboden een financiering te verstrekken.



3.6.
Op 22 november 2021 hebben [appellant] en [geïntimeerde] een geldleningsovereenkomst gesloten. Op basis van deze overeenkomst verstrekte [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 10.000,-, dat werd overgemaakt op de rekening van [bedrijf 2] . De lening had een looptijd tot 1 februari 2022, op welke datum [appellant] uiterlijk een bedrag van € 12.000,- diende terug te betalen (te weten: de hoofdsom vermeerderd met rente en onkosten ter hoogte van € 2.000,-).



3.7.
Op 1 december 2021 hebben [appellant] en [geïntimeerde] vervolgens een tweede leningsovereenkomst gesloten. Op basis van de tweede overeenkomst verstrekte [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 10.000,-, dat werd overgemaakt op de rekening van [bedrijf 2] . De lening had een looptijd tot 1 maart 2022, op welke datum [appellant] uiterlijk een bedrag van € 12.500,- diende terug te betalen (te weten: de hoofdsom vermeerderd met rente en onkosten ter hoogte van € 2.500,-).



3.8.
Op verzoek van [appellant] is [geïntimeerde] in januari 2022 akkoord gegaan met een aanpassing van de aflosdatum van de eerste geldleningsovereenkomst: van 1 februari 2022 naar 1 maart 2022.



3.9.
In februari 2022 bleek dat [appellant] ook de aflossingsdatum van 1 maart 2022 niet zou gaan halen en spraken partijen over het aangaan van een nieuwe leningsovereenkomst. [appellant] schreef daarover in een e-mail aan [geïntimeerde] op 16 februari 2022:

“Je hebt gelijk wanneer je zegt dat ik wat eerder aan de bel had moeten trekken, maar wij gingen er vanuit dat we dit zelf op konden lossen. Uiteindelijk lukt dat niet en komen we ook nog eens in een hele verkeerde hoek terecht, met alle gevolgen van dien.

(…)


De afspraak was dat er 25k op 1 maart aan jou terugbetaald zou worden. Doordat de bestemming nog even op zich laat wachten en de verkoop van onze woning hierdoor opgeschoven wordt, redden we deze datum helaas ook niet.


Ik zat zelf te denken aan het volgende;


Wanneer we de 25k die bij jou openstaat verhogen met de bovenstaande bedragen, komen we uit op 50k. Dat is veel geld! Ik weet dus ook niet of die mogelijkheid er is. Als die er wel zou zijn, zouden we bijvoorbeeld kunnen kijken naar een maandelijkse rente over het openstaande bedrag. Ik dacht zelf aan 3% per maand (36% per jaar) dus in dit geval zou dat 1500,- rendement per maand betekenen.”



3.10.
Op 17 februari 2022 spraken [geïntimeerde] en [appellant] per WhatsApp over het aangaan en de invulling van een derde leningsovereenkomst, ditmaal voor een bedrag van € 15.000,-. Op een vraag van [geïntimeerde] welke garantie [appellant] zou kunnen geven voor de terugbetaling van het bedrag van € 40.000,- antwoordde [appellant] :

“Een borg als bv zijnde onze woning kan juridisch niet omdat wij alleen economisch eigenaar zijn tot aan de dag dat we bij de notaris zitten. Verder zou het kunnen zijn dat we de komende vracht plus de nu aanwezige inventaris verpanden aan je? Wat mij betreft kan daar ook onze auto in opgenomen worden. Ik weet niet of dat voldoende voor je is. Verder is de terugbetaling per verkocht bed ook prima, dan hebben we ook direct beweging.”



3.11.
De afspraken zijn vervolgens op 17 februari 2022 neergelegd in een derde leningsovereenkomst. [geïntimeerde] verstrekte aan [appellant] dit keer een bedrag van € 15.000,- tegen een rentepercentage van 3% per maand. Het leningsbedrag werd wederom overgemaakt op de rekening van [bedrijf 2] . De overeenkomst bepaalde dat de lening uiterlijk op 1 juli 2022 diende te worden terugbetaald (tenzij de woning van [appellant] eerder werd verkocht, in welk geval de uitstaande hoofdsom eerder moest worden terugbetaald). De derde overeenkomst bevatte daarnaast twee nieuwe bepalingen ten opzichte van de eerste en tweede overeenkomst. Zo bepaalde deze overeenkomst dat [geïntimeerde] 25% van “alle inkomende betalingen” automatisch als aflossing zou ontvangen, waardoor er op de hoofdsom kon worden afgelost. Tot slot was in de overeenkomst een pandrecht geformuleerd ten gunste van [geïntimeerde] . De betreffende bepaling luidde als volgt:

“Kredietnemer [ [appellant] ] verpandt hierbij de totale winkelinventaris, aanwezig op [club] te [plaats 3] , aan kredietverstrekker [ [geïntimeerde] ], alsmede de aankoop die gefinancierd wordt door kredietverstrekker [ [geïntimeerde] ], zoals vermeld in bijgevoegde factuur [nieuwe bedden]. Ook het prive voertuig van kredietnemer [ [appellant] ], Land Rover Discovery (..) wordt onderdeel van deze verpanding.”



3.12.
Eveneens op 17 februari 2022 hebben partijen aanvullende afspraken neergelegd in een allonge. De allonge verduidelijkte dat de totale hoofdsom van de drie geldleningsovereenkomsten inclusief rente op een bedrag van € 40.000,- uitkwam. Daarnaast bepaalde de allonge dat vanaf 1 maart 2022 over de gehele hoofdsom een rentevoet (van 3%) werd berekend.



3.13.
In het kader van zijn terugbetalingsverplichting heeft [appellant] op 18 februari 2022 een bedrag van € 365,70 en op 8 maart 2022 een bedrag van € 150,00 betaald aan [geïntimeerde] . [appellant] heeft daarmee een totaalbedrag van € 515,70 betaald aan [geïntimeerde] . Afgezien van deze betalingen heeft [geïntimeerde] geen andere rente- of aflossingsbetalingen van [appellant] ontvangen.



3.14.
In de periode 11 maart 2022 tot en met 24 maart 2022 heeft [geïntimeerde] verschillende keren per WhatsApp aan [appellant] aangegeven dat zij geen betalingen ontving. Op 26 maart 2022 heeft [appellant] in reactie op deze aanmaningen het volgende bericht aan [geïntimeerde] gezonden:

“Hoi [naam 3] , ik neem aan dat [naam 1] je ook het een en ander verteld heeft deze week over het feit dat de vracht tegen de 23k aan zat te schuren. Ik heb even alle zeilen bij moeten zetten om alles te kunnen voldoen. Daarbij ook nog eens het feit met de problemen van de [naam 2] , al met al dus een minder prettige situatie. Ik voel mij hier zelf ook niet prettig bij en heb bij [naam 1] ook aangegeven dat we echt even moeten kijken of dit nog zinvol is. Ik heb dan liever dat we dan nu alles verkopen wat onderweg is, en dat direct inlossen. Daarna kijk ik dan wel wat we doen, deze stress is nl ook niet meer te doen.”



3.15.
Op 1 april 2022 stuurde [geïntimeerde] het volgende Whatsapp-bericht aan [appellant] , gevolgd door een screenshot:

“Edwin

Bijgaand de juridische betekenis van verpanding. Je kunt weer over de winkelinventaris en de auto beschikken na betaling van 40k plus rente:”
[screenshot:]
“Wat is verpanden
Verpanden houdt in dat u geld kunt lenen in ruil voor een goed. De hoogte van het te lenen bedrag is afhankelijk van de waarde van datgeen dat u ons aanbiedt. Wij bepalen altijd de waarde aan de hand van de algemeen geldende koerslijsten. Er is overigens een groot verschil tussen verkopen en verpanden. In het laatste geval blijft u eigenaar van uw eigendom. Zodra u namelijk weer over het afgesproken geldbedrag beschikt, krijgt u uw onderpand gewoon weer mee terug. Geld lenen op deze wijze is ideaal wanneer u even krap bij kas zit en er onbetaalde rekeningen liggen of dit wilt voorkomen, of indien u een investering wilt doen en dringend geld nodig heeft.”



3.16.
Op 5 april 2022 vond de volgende berichtenwisseling via Whatsapp plaats tussen [geïntimeerde] en [appellant] :



[geïntimeerde]


“Edwin

De overeenkomst van 17/2 is en blijft van toepassing!

Per die datum is de winkelinventaris plus de Landrover aan mij verpand tbv de 40 k plus interest


Je kunt tot volledige betaling van je schuld plus rente daar niet over beschikken!


On top kom je je verplichtingen niet na!


Ik beroep me op artikel 3.248 en 3.246 van het bw


Het vertrouwen dat je me hebt gegeven wordt ernstig door je geschaad.


[naam 3]





[appellant]
:

“ [naam 3] , je bedoelt dus dat alle orders van klanten ook niet uitgereden mogen worden? Gr”



[geïntimeerde]
:
“Nee dus. Zaterdag wordt er gereden. Ik ga straks met [naam 1] praten.”



[appellant]
:
“Akkoord.

“Het lijkt mij het makkelijkst wanneer de verpanding op de factuur komt te staan zodat er bij jou ingelost mag worden. Dan heb je ook direct alle inkomsten onder je.”



3.17.
Kort na deze berichtenwisseling is [geïntimeerde] gestart met het zelf verkopen van de winkelvoorraad (bestaande uit, kort gezegd, bedden en accessoires). [geïntimeerde] heeft onder meer op 8 april 2022 een advertentie op Facebook gezet waarin bedden te koop werden aangeboden. [geïntimeerde] werkte voor de verkoop samen met [naam 1] .



3.18.
Op 9 april 2022 heeft [appellant] een e-mailbericht aan [naam 1] gezonden waarin, voor zover relevant, het volgende staat opgenomen:

“[naam 1] ,

Helaas heb ik gisteren geen antwoord gekregen op mijn vraag hoe jij jouw verdere toekomst binnen [bedrijf 2] [plaats 3] ziet.

Bijgaande order staat in bestelling in [naam 4] en volgens mijn laatste informatie van jou (circa 2 weken geleden) zou deze order half april bij de klant moeten arriveren.


Gezien het feit dat jullie ( [naam 3] en jij) mij totaal niet meer informeren en de totale cashflow naar [naam 3] laten vloeien, kan ik de inkoop van o.a. deze factuur dus niet meer voldoen uit de omzet van de winkel. Dit betekent dat nu ook de bedrijfsvoering onder druk komt te staan met alle gevolgen van dien. Ik heb jou ook al eerder aangegeven dat jij nog steeds in dienst bent van mij en dat jij als filiaalmanager o.a. de verantwoordelijkheid hebt om de goederen en geldstromen inzichtelijk te houden. Sinds een week of twee gebeurt dit niet meer. (…)


Al eerder heb ik aangegeven dat het logisch is dat ik mijn financiële verplichtingen naar [naam 3] nakom. Uiteraard dien ik wel door jou op de hoogte gesteld te worden van de gelden die binnenkomen vanuit de leveringen naar klanten en eventuele nieuwe verkopen in de winkel, zodat ik het overzicht behoud en kan zien wat er naar [naam 3] vloeit. (…).”



3.19.
Op 11 april 2022 stuurde [naam 1] aan [appellant] een e-mail over de voortgang van de bedrijfsvoering, de (betalings)problemen die er speelden en dat zij dingen heeft voorgeschoten. Zij schreef onder meer:

“Daar er beslag ligt op de zakelijke rekening en jij je verplichtingen aan [naam 3] niet hebt voldaan doet zij de uitleveringen en betalingen. Immers zij heeft een groot deel van haar pensioen aan jou geleend en ik kan mijn haren uit mijn kop trekken dat ik het ooit heb voorgesteld. (…)Zij zal je dus op de hoogte houden van de verkopen en dat in mindering brengen op de vordering die ze op jou heeft met inventaris en auto als onderpand.”



3.20.
Op 13 april 2022 hebben [appellant] en [geïntimeerde] via Whatsapp contact over onder meer de voortgang van de verkoop en heeft [geïntimeerde] [appellant] verzocht om de kosten voor het vervoer van de bedden te betalen. Dit vervoer werd verzorgd door de partner van [naam 1] (in de correspondentie [naam 5] genaamd). [appellant] heeft hierop aangegeven dat deze kosten uit de opbrengsten moeten worden voldaan:



[geïntimeerde]
:
“Wanneer kun je [naam 5] betalen

We hebben vandaag de bus gehad en geleverd


Ben bang dat ik anders geen chauffeur meer heb


Pls maak een gebaar (..)


Anders gaat het niet goed hier (..)


Heb n optie op een bed (..)




[appellant]
:

(..) Het vervelende is dat wij vanuit hier helemaal nu geen zicht hebben op geld wat binnen komt. Ik ben natuurlijk afhankelijk geweest van het uitrijden van de bedden in [plaats 4] . Uit deze opbrengsten zullen dan ook even deze kosten betaald moeten worden. Ik weet dat ik dan zelf minder snel inloop, maar het is de enige manier ben ik bang. En ik wil [naam 5] ook niet kwijtraken”



3.21.
Op 19 april 2022 zond [appellant] een e-mail aan [naam 1] over de bedrijfsvoering. Hij schreef onder meer:

“Zoals je wellicht weet gaat de gehele omzet nu naar [naam 3] toe. Ik heb haar gevraagd om de kosten voor jou en [naam 5] ook even uit deze omzet te betalen. (…) Vwb het voorschieten heb je gelijk: dat werkt op deze manier ook niet. En natuurlijk weet ik dat er een plan moet zijn, maar het is natuurlijk niet de eerste winkel die we openen. Wat er van dag 1 niet was is een gedegen buffer om zelf de inkopen voor te kunnen financieren.”



3.22.
De advocaat van [appellant] heeft [geïntimeerde] per brief van 25 april 2022 geïnformeerd dat er geen sprake was van een rechtsgeldig pandrecht. [geïntimeerde] werd ook gesommeerd de verkoop te staken en opgave te doen van de voorraden, verkopen en de kosten die [geïntimeerde] heeft gemaakt vanwege de verkoop.



3.23.
Eind april 2022 is [appellant] naar [plaats 3] afgereisd. De winkel was gesloten maar er hing een briefje op de deur waarop stond dat voor het maken van een afspraak contact kon worden opgenomen met [geïntimeerde] of [naam 1] .



3.24.
Op 30 juni 2022 heeft [geïntimeerde] per e-mail [appellant] onder meer geïnformeerd dat zij potentiële kopers had gevonden voor de Land Rover, met het verzoek aan [appellant] om binnen 24 uur te reageren indien hij de auto weer zelf wilde terugkopen. [appellant] had de Land Rover (inclusief de sleutel en papieren) in een veel eerder stadium aan [naam 1] ter beschikking gesteld met het verzoek aan [naam 1] om deze naar een keuringsstation te brengen voor inspectie.



3.25.

[appellant] heeft aangegeven niet in te stemmen met de verkoop en verzocht de Land Rover terug te geven. [geïntimeerde] heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek, waarna [appellant] aangifte heeft gedaan van diefstal van de auto in Nederland. De Spaanse autoriteiten hebben vervolgens beslag gelegd op de Land Rover, waarna deze in januari 2024 weer in bezit is gekomen van [appellant] .



3.26.

[bedrijf 2] heeft haar bedrijfsactiviteiten gestaakt.



3.27.
Op 21 november 2023 heeft het Gerechtshof te Allicante een arrest gewezen in een strafrechtelijke procedure die [appellant] had aangespannen. [appellant] had aangifte gedaan tegen [geïntimeerde] . Uit de beëdigde vertaling van het arrest blijkt, voor zover relevant, dat [geïntimeerde] zich volgens dit hof niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit:

“In de onderhavige zaak, is dit Hof het eens met het door het Gerecht in Eerste Aanleg en het Openbaar Ministerie verdedigde criterium dat de geldschieter enige goederen heeft ontvangen ter zekerheid voor de naleving van zijn verplichtingen door de lener, die, door de contractueel aangegane verplichtingen niet na te leven, de geldschieter toestemming geeft om de als onderpand gegeven goederen te verkopen om de schuld betaald te krijgen.”



3.28.
Op 28 november 2023 hebben [bedrijf 2] en [appellant] een cessieovereenkomst gesloten op basis waarvan de (schade)vordering van [bedrijf 2] op [geïntimeerde] is gecedeerd aan [appellant] .



3.29.
Op 25 januari 2024 heeft [appellant] conservatoir derdenbeslag gelegd onder ING Bank ten laste van [geïntimeerde] .






4Procedure bij de rechtbank


4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 152.809,97, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten inclusief beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente.



4.2.

[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] en in reconventie om [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 8.979,08, vermeerderd met de overeengekomen rente van 3% per maand vanaf 1 juli 2022, subsidiair vanaf 6 maart 2024, meer subsidiair vanaf de datum van het instellen van de reconventionele vordering, en veroordeling van [appellant] in de proceskosten.



4.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van € 5.379,08, vermeerderd met 3% rente vanaf 1 juli 2022, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.






5Vordering in hoger beroep


5.1.

[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 211.990,55, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief beslagkosten en nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.



5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.



5.3.
In incidenteel appel vordert [geïntimeerde] opheffing van het ten laste van haar gelegde conservatoire beslag ex artikel 3:300 BW, of anders om [appellant] te veroordelen tot opheffing binnen 48 uur na de einduitspraak in dit geding, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van [appellant] in de kosten in incidenteel appel. Tijdens de mondelinge behandeling is [appellant] de mogelijkheid gegeven om mondeling te antwoorden in het incidenteel appel, in plaats van het nemen van een memorie van antwoord. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt. [appellant] heeft verklaard belang te hebben bij het beslag, zolang zijn vordering aanhangig is en als deze wordt toegewezen. Hij heeft zich akkoord verklaard met directe opheffing van het beslag bij afwijzing van zijn vordering.






6Beoordeling


6.1.

[appellant] komt met vier grieven op tegen het bestreden vonnis. Hij stelt dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt, door tot verkoop van de bedden en accessoires over te gaan en zich de volledige opbrengst toe te eigenen. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] meer heeft verkocht of moet hebben verkocht dan zij heeft gespecificeerd en dat zij zaken voor een te laag bedrag heeft verkocht. De schadevergoedingsvordering van [appellant] is kort gezegd opgebouwd uit gederfde omzet (door misgelopen opbrengsten van verkoop) en uit gederfde winst (van [bedrijf 2] ) omdat de onderneming zijn activiteiten heeft moeten staken.



[appellant] heeft toestemming gegeven voor de verkoop door [geïntimeerde]




6.2.

[appellant] betoogt dat hij met zijn Whatsapp-bericht van 5 april 2022, waarin hij ‘akkoord’ stuurde aan [geïntimeerde] en voorstelde om de verpanding op de factuur te zetten, zodat bij [geïntimeerde] ingelost kon worden, nadrukkelijk niet heeft bedoeld dat [geïntimeerde] zich mocht verhalen op alle inkomsten voor de uit te leveren activa. [appellant] stelt te hebben bedoeld [geïntimeerde] toestemming te geven om 25% van het factuurbedrag te innen, zoals afgesproken in de leningsovereenkomst van 17 februari 2022. Ook stelt [appellant] dat het pandrecht ten behoeve van [geïntimeerde] alleen zag op de bedden die door [geïntimeerde] waren gefinancierd, en niet op showroommodellen en inventaris. Wat partijen bedoeld hebben te regelen of af te spreken dient beantwoord te worden aan de hand van de zogenoemde wilsvertrouwensleer als geregeld in de artikelen 3:33 en 3:35 BW: een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Daarnaast wordt waarde toegekend aan het bij de wederpartij opgewekte vertrouwen door de verklaring van de andere partij.



6.3.
Net als de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat [appellant] in de e-mailwisseling met [geïntimeerde] ongeclausuleerd akkoord is gegaan met de verkoop van bedden en accessoires en het innen van de totale opbrengst daarvan door [geïntimeerde] . Partijen zijn het er (achteraf) over eens dat geen rechtsgeldig pandrecht ten behoeve van [geïntimeerde] is gevestigd. Uit de communicatie van destijds volgt dat zij in april 2022 echter wel uitgingen van een geldig pandrecht ten behoeve van [geïntimeerde] . Uit de berichtenwisseling via Whatsapp op 5 april 2022 blijkt dat [geïntimeerde] een beroep doet op haar pandrecht. [appellant] geeft daarop zijn akkoord en stelt zelf voor om de verpanding op de factuur te zetten, zodat [geïntimeerde] de inkomsten direct onder zich heeft. Daarmee heeft hij bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen opgewekt dat hij [geïntimeerde] een ongeclausuleerd pandrecht verleende op de zaken in de winkel (en de Landrover). Dat [appellant] daarmee (eigenlijk) doelde op de afspraak in de leningsovereenkomst van 17 februari 2022 dat [geïntimeerde] 25% van alle inkomende betalingen automatisch als aflossing zal ontvangen, blijkt nergens uit. Zo heeft [appellant] geen voorbehoud gemaakt dat [geïntimeerde] alleen 25% van de inkomsten mocht behouden en [geïntimeerde] ook niet gevraagd om 75% of het totaal van de inkomsten aan hem af te dragen. Het innen van de opbrengsten door [geïntimeerde] in april 2022 gebeurde onmiskenbaar in het kader van het pandrecht dat partijen hebben bedoeld te vestigen en niet in het kader van de afspraak dat [geïntimeerde] rechtstreeks 25% van de inkomende betalingen zou ontvangen. Ook de stelling van [appellant] dat het pandrecht alleen ziet op de bedden die met de lening van [geïntimeerde] zijn gefinancierd, gaat niet op. Uit de tekst van het (niet gevestigde) pandrecht in de leningsovereenkomst van 17 februari 2022 blijkt duidelijk dat het pandrecht ook ziet op de totale winkelinventaris en op de auto van [appellant] .



6.4.
De rechtbank heeft overwogen dat de instemming door [appellant] met de verkoop door [geïntimeerde] ook kan worden afgeleid uit zijn bericht van 13 april 2022 aan [geïntimeerde] dat de kosten voor het vervoer van de bedden moesten worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop. [appellant] voert op dit punt aan dat hij geen andere keuze had, omdat de kosten voor het transport eerst moesten worden gemaakt voordat de resterende koopsommen konden worden geïnd. Waarom de rechtbank dit bericht ten onrechte in haar beoordeling zou hebben betrokken, heeft [appellant] niet uitgelegd. Uit het bericht blijkt in ieder geval niet dat [appellant] geen toestemming voor de verkoop heeft gegeven aan [geïntimeerde] , of alleen toestemming heeft gegeven voor het innen door [geïntimeerde] van 25% van de opbrengst.



6.5.

[appellant] heeft [geïntimeerde] op 25 april 2022 gesommeerd om opgave te doen van de verkopen en van wat [geïntimeerde] heeft geïncasseerd en om eventuele voorraad die [geïntimeerde] onder zich houdt, af te leveren bij de winkel. De rechtbank overwoog hierbij dat [appellant] , ondanks dat hij wetenschap had van de verkoop door [appellant] , tot die tijd niet heeft ingegrepen richting [geïntimeerde] . Het hof begrijpt uit het betoog van [appellant] dat hij [geïntimeerde] niet eerder heeft gesommeerd omdat hij dacht dat [geïntimeerde] alleen 25% van de opbrengst tot zich nam. De gang van zaken kan die veronderstelling door [appellant] echter niet dragen. Op 9 april 2022 schreef [appellant] immers al aan [naam 1] dat de ‘totale cashflow’ naar [geïntimeerde] gaat en op 19 april 2022 dat de gehele omzet nu naar [geïntimeerde] gaat. In geen van zijn berichten voor 25 april 2022 heeft [appellant] verzocht om afdracht, dan wel het voorbehoud gemaakt dat [geïntimeerde] zich alleen op 25% van de opbrengst mocht verhalen. Ook hieruit blijkt daarom niet dat [appellant] het niet eens was met het innen van de verkoopopbrengst door [geïntimeerde] . Overigens heeft [appellant] ook in zijn brief van 25 april 2022 [geïntimeerde] niet gesommeerd tot afdracht van de opbrengst of van 75% daarvan, maar slechts tot – samengevat – het afleggen van verantwoording.



6.6.
Al met al heeft [appellant] bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de afwikkeling van de verkoop zoals zij dat deed, op instemming kon rekenen van [appellant] en dat [geïntimeerde] alle inkomsten (en niet slechts 25% daarvan) kon gebruiken, ter aflossing van haar vordering op [appellant] .



6.7.
Over de auto van [appellant] heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] zich de auto op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend en schade aan de auto heeft toegebracht. In hoger beroep heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Niet is gebleken dat [geïntimeerde] de auto op enig moment tot haar beschikking heeft gehad dan wel schade heeft veroorzaakt aan de auto.


Niet is gebleken dat [geïntimeerde] zaken voor een te lage prijs heeft verkocht




6.8.
Met zijn tweede grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat [geïntimeerde] bedden onder de kostprijs heeft aangeboden en verkocht. [appellant] stelt dat de bedden gemiddeld voor drie tot drieënhalf keer de inkoopwaarde werden verkocht. Gelet op die marge moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] onder de reguliere verkoopprijs heeft verkocht, aldus [appellant] .



6.9.
Het hof kan op grond van de stellingen en onderbouwing door [appellant] niet vaststellen dat [geïntimeerde] zaken voor een te lage prijs heeft verkocht. [appellant] heeft namelijk niet voor specifiek door [geïntimeerde] verkochte bedden gesteld, laat staan onderbouwd, dat deze onder de kostprijs of onder de reguliere verkoopprijs zijn verkocht. [geïntimeerde] heeft duidelijk uitgelegd dat zij in april 2022 28 bedden heeft verkocht dan wel uitgeleverd, waarvan er 19 al eerder waren besteld (tegen een bepaald bedrag waar [geïntimeerde] niet bij betrokken was, zo begrijpt het hof). Zij heeft zelf negen bedden verkocht voor een totaalbedrag van € 16.188,-. Dit komt neer op een opbrengst van € 1.798,67 per bed. Dat op deze prijs niets is aan te merken, zoals [geïntimeerde] aanvoert, heeft [appellant] niet weersproken.



6.10.
Anders dan [appellant] stelt, kan uit de Facebook-berichten waarbij een
zonnebed wordt aangeboden voor € 1.750,- en uit het Facebook-bericht van [geïntimeerde] waarbij zij korting aanbiedt op bedden, niet de conclusie worden getrokken dat [geïntimeerde] zaken heeft verkocht onder de reguliere verkoopprijs. [geïntimeerde] heeft betwist dat zij het bericht over het zonnebed heeft geplaatst en voert bovendien aan dat de Facebook-advertenties niet hebben geleid tot enige verkoop. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde specificatie van de verkopen blijkt ook niet van de verkoop van een zonnebed. [appellant] heeft zijn stelling daarop niet nader onderbouwd, en ook niet gesteld dat de Facebook-berichten wél tot verkopen hebben geleid, zodat ook op grond hiervan niet komt vast te staan dat [geïntimeerde] zaken voor een te lage prijs heeft verkocht.


Er is niet gebleken dat [geïntimeerde] zaken heeft ontvreemd of meer heeft verkocht dan zij heeft gespecificeerd




6.11.

[appellant] komt met zijn derde grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet meer heeft verkocht dan zij heeft gespecificeerd. [appellant] stelt dat toen hij weer in de winkel in [plaats 3] kwam, de winkel nagenoeg leeg was. Ter onderbouwing heeft [appellant] foto’s overgelegd die gedateerd zijn op 8 mei 2022. [appellant] stelt dat veel zaken, zoals de winkelvoorraden, koffiemachine, airco units, printer en dergelijke weg waren.
Volgens [appellant] moet [geïntimeerde] deze zaken wel hebben ontvreemd of verkocht, omdat anderen geen toegang hadden tot de winkel. Dat [geïntimeerde] zich uitgaf als gerechtigde blijkt ook uit het briefje op de deur van de winkel, waarop stond dat voor verkoop contact kon worden opgenomen met [geïntimeerde] , aldus [appellant] .



6.12.
Het hof overweegt allereerst dat nergens uit blijkt dat [geïntimeerde] goederen uit de winkel zou hebben ontvreemd of meer heeft verkocht dan gespecificeerd. Daartoe heeft [appellant] volstrekt onvoldoende gesteld en onderbouwd. Op grond van de door [appellant] overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld wat er aanwezig was in de winkel toen [geïntimeerde] begin april 2022 is begonnen met de verkoop en ook niet wat er nog was toen [appellant] voor het eerst weer in [plaats 4] kwam. Bovendien kan de enkele stelling dat niemand anders toegang had tot het pand, nog los van de vraag naar de juistheid van die stelling, niet tot de conclusie leiden dat [geïntimeerde] dus verantwoordelijk is voor de ontvreemding dan wel verkoop van zaken.



6.13.
In het bijzonder voor een viertal bestellingen (van de klanten [naam 8] , [naam 7] , [naam 9] en [naam 10] ) heeft [appellant] aangevoerd dat de verantwoording van [geïntimeerde] over die bestellingen niet correct is. Het hof zal hierna bespreken wat partijen over deze bestellingen hebben aangevoerd.

( i) [naam 8]
Volgens [appellant] is de opbrengst van € 7.250,- in het geheel niet verantwoord, waarbij ook onduidelijk is waar de bestelde bedden zijn gebleven. Ter onderbouwing verwijst [appellant] naar de bestelbon van [naam 8] en een pro forma factuur waarop handgeschreven is aangetekend dat een drietal bedden voor [naam 8] bedoeld zijn.

In reactie hierop heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de heer en [naam 6] geen aanbetaling wilden doen omdat zij kennis hadden genomen van het faillissement van de door [appellant] gedreven onderneming in Rotterdam. Toen de bedden voor [naam 8] beschikbaar waren, was [naam 8] slechts bereid daar een lager bedrag voor te betalen (ad € 4.500), dat voor [geïntimeerde] niet acceptabel was, waarna de verkoop niet is doorgegaan. Ter onderbouwing heeft [geïntimeerde] een bestelbon overgelegd waarop is aangetekend dat de bestelling is geannuleerd.

( ii) [naam 7]

[appellant] stelt dat er een bed is geleverd van € 2.279,05 en dat [geïntimeerde] die verkoop niet heeft verantwoord. Ter onderbouwing verwijst [appellant] naar de (ongedateerde) bestelbon en een pro forma factuur waarop handgeschreven is aangetekend dat een bepaald bed voor [naam 7] bedoeld is.


[geïntimeerde] heeft een bestelbon van [naam 7] overgelegd waarop is geschreven dat de bestelling op 5 januari 2022 is betaald. Zij voert aan dat [appellant] dit bedrag tot zich heeft genomen.

( iii) [naam 9]

[appellant] stelt dat van de drie bedden die aan [naam 9] zijn geleverd, er maar één door [geïntimeerde] is verantwoord, waarbij is vermeld dat daarvoor geen koopsom is voldaan. Ter onderbouwing heeft [appellant] een kopie van een Whatsapp-gesprek met [naam 9] overgelegd, waaruit volgt dat [naam 9] drie bedden heeft gekocht.

Over de bedden voor [naam 9] heeft [geïntimeerde] uitgelegd en met stukken onderbouwd dat de eerste twee bedden al in januari en maart 2022 zijn betaald. [geïntimeerde] voert aan dat [appellant] die bedragen heeft ontvangen. Het derde bed heeft [naam 9] gekocht op 8 april 2022 tegen betaling van € 2.000,- en is door [geïntimeerde] verantwoord op het overzicht van de door haar verkochte bedden.



( iv) [naam 10]

[appellant] stelt dat [naam 10] andere bedden heeft ontvangen en dat onduidelijk is gebleven waar de opbrengst is van de specifiek bestelde bedden. Ook komt de bestelbon niet overeen met de werkelijke bestelling. Ter onderbouwing is de bestelbon overgelegd en een e-mail van [appellant] aan [naam 10] (van 2 juli 2025), waaruit kort gezegd volgt dat andere bedden zijn geleverd, hetgeen [naam 10] daarop per e-mail heeft bevestigd.


[geïntimeerde] heeft in reactie hierop een bestelbon overgelegd waaruit volgt dat David Buitenkant, medewerker van [bedrijf 2] , op 25 februari 2022 drie bedden heeft verkocht aan [naam 10] . Die bedden waren echter niet op voorraad en ook niet besteld, aldus [geïntimeerde] , waarna mevrouw [naam 1] heeft gebeld en een ander type bedden aan [naam 10] zijn geleverd en betaald. De restantbetaling blijkt uit zowel de door [geïntimeerde] overgelegde nieuwe bestelbon, als uit het door [geïntimeerde] overgelegde overzicht van door haar geïncasseerde betalingen voor reeds bestelde bedden.



6.14.

[geïntimeerde] heeft met bovenstaande uitleg de stelling van [appellant] dat haar verantwoording over deze vier bestellingen niet correct is, gemotiveerd betwist. [appellant] heeft de uitleg door [geïntimeerde] van de gang van zaken op de mondelinge behandeling niet weersproken en zijn eigen stellingen daarop niet nader onderbouwd. Dat het anders is gegaan dan [geïntimeerde] zegt, zoals namens [appellant] ook tijdens de mondelinge behandeling in algemene zin is betoogd, kan niet worden vastgesteld op grond van de stellingen en onderbouwing door [appellant] . Dit leidt tot de conclusie dat – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] – [appellant] onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat [geïntimeerde] meer heeft verkocht of geïnd dan zij heeft verantwoord. Omdat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal hij niet worden toegelaten tot het leveren van bewijs.



6.15.

[appellant] heeft ten slotte nog betoogd dat [geïntimeerde] met de door haar overgelegde handgeschreven notities geen deugdelijke financiële verantwoording heeft afgelegd. [geïntimeerde] heeft dit betwist en aangevoerd dat zij genoodzaakt was handgeschreven overzichten te maken, omdat zij zelf geen computer heeft en in de winkel ook geen voorzieningen aanwezig waren. Om die reden is ook alles cash gegaan; in de winkel was immers geen werkend pinapparaat aanwezig en op de bankrekening van [bedrijf 2] lag vrijwel steeds beslag, aldus [geïntimeerde] . Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] een afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij handgeschreven overzichten heeft overgelegd. De financiële verantwoording door [geïntimeerde] , die zij uitvoerig heeft onderbouwd met stukken, is toereikend.


Conclusie: geen onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking




6.16.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat [geïntimeerde] niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [appellant] en niet ongerechtvaardigd is verrijkt. Zij mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij toestemming van [appellant] had om tot de verkopen over te gaan en de opbrengst te innen ter aflossing van haar vordering op [appellant] . Ook is niet gebleken dat [geïntimeerde] meer heeft verkocht, zich zaken heeft toegeëigend of zaken voor een te laag bedrag heeft verkocht. Voor zover op [geïntimeerde] al een zorgplicht tegenover [appellant] zou rusten – [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt waar die zorgplicht uit voortvloeit – overweegt het hof dat [geïntimeerde] die niet heeft geschonden. [geïntimeerde] heeft voldaan aan haar verantwoordingsplicht ten aanzien van de verkopen. [geïntimeerde] heeft op zorgvuldige wijze steeds de inkomsten vermeld (kopieën daarvan zijn overgelegd) en in de stukken voor zover nodig een en ander nog van een toelichting voorzien. De vierde grief van [appellant] slaagt niet.


Opheffing beslag




6.17.
In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het ten laste van haar gelegde conservatoire beslag onder de ING Bank wordt opgeheven, dan wel dat [appellant] wordt bevolen om dat beslag op te heffen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] verklaard dat hij zich zal neerleggen bij de uitkomst van dit arrest en daarom akkoord is met het direct opheffen van het beslag bij afwijzing van zijn vordering. Omdat de vordering van [appellant] ook in hoger beroep niet toewijsbaar is, zal het hof het ten laste van [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag opheffen.


Slotsom en kosten




6.18.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.



6.19.

[appellant] is in hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] . Het hof stelt de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep als volgt vast::

- griffierecht € 2.129,00
- salaris advocaat (principaal appel) € 9.414,00 (tarief VI, 2 punten)
- salaris advocaat (incidenteel appel) € 4.707,00 (tarief VI, 1 punt)
Totaal € 16.250,00






7Beslissing

Het hof:


7.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;



7.2.
heft het op 25 januari 2024 ten laste van [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag op;



7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 16.250,00;



7.4.
verklaart 7.2 en 7.3 uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, R.A. Dozy en A. van Hees en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
Link naar deze uitspraak