Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:1784 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:10-07-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:25/846
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Voortzetting 30%-bewijsregel terecht afgewezen?
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
loonbelasting
wet op de loonbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/846

21 april 2026


uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[X]
, wonende te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M.J. Meijer)

tegen de uitspraak van 28 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/682 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende en zijn werkgever om voortzetting van de bewijsregel als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB), gelezen in verbinding met artikel 10ea van het UBLB (hierna: de 30%-bewijsregel) afgewezen.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. De inspecteur heeft zijn beslissing om het verzoek af te wijzen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:


een verweerschrift door de inspecteur, en


een nader stuk door belanghebbende.





1.4.
Beide partijen hebben kenbaar gemaakt geen zitting te wensen. Het Hof heeft partijen vervolgens op 13 april 2026 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.






2Feiten


2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Met dagtekening 27 januari 2022 is aan eiser een beschikking 30%-regeling afgegeven voor zijn tewerkstelling bij zijn voormalig werkgever met een looptijd van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2026.

2. Met ingang van 1 november 2022 is eiser uit dienst getreden bij de voormalig werkgever.

3. Op 3 november 2022 heeft belanghebbende gesolliciteerd naar een functie bij [bedrijf] (hierna: de werkgever).

4. In de periode vanaf 3 november 2022 en 16 februari 2023 heeft de werkgever meerdere sollicitatiegesprekken gehouden met eiser en met andere kandidaten. Er is meermaals gecorrespondeerd tussen eiser en de werkgever over de sollicitatieprocedure. Hieruit volgt dat de procedure wegens diverse omstandigheden buiten de invloedssfeer van eiser een aantal keren is uitgesteld, waardoor de procedure in totaal 26 dagen extra in beslag heeft genomen. Na een aantal sollicitatieronden bleef eiser met één andere kandidaat over. Op 28 december 2023 heeft eiser de volgende e-mail van de werkgever ontvangen:
“Dear [X] ,
Due to illness the interview with the other candidate had to be rescheduled to January 3, end of the day.
This means I can inform you about the outcome of the process on January 4, my apologies for that.

I must say it is rather awkward that especially the procedure around this vacancy is the one that takes the most time of all vacancies I’ve been working on this year. Yesterday I reported the recruitment figures 2022, and the average TTH is 32 days, and for this vacancy it will be twice that amount!”

En op 9 januari 2023:
“Dear [X] ,
As described last week we find it very difficult to come to a decision about the Talent Acquisition position. The idea to have a final interview, 45 minutes via Teams, with two business managers, has come up, and therefore I’d like to ask you about your availability next Friday, January 13, at 9:30, 10:15 or 16:00.

Again my apologies about the process which takes far too much time, but cab please let me know what your availability is.”

5. Op 16 februari 2023 is aan eiser door de huidige werkgever een arbeidsovereenkomst aangeboden en op 1 maart 2023 is het dienstverband van eiser bij de huidige werkgever aangevangen.”



2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hieraan toe dat belanghebbende de door [bedrijf] op 16 februari 2023 aangeboden arbeidsovereenkomst diezelfde dag heeft aanvaard.






3Geschil in hoger beroep

In geschil is of de inspecteur het verzoek om voortzetting van de 30%-bewijsregel terecht heeft afgewezen.





4Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen (waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“Wettelijk kader
9. In de artikelen 10e en verder van het UBLB wordt uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers.

10. Artikel 10ed van het UBLB (tekst 2023) luidt als volgt:
“1. Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt, blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing, mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden.

2. Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer.”

11. Artikel 10ed van het UBLB was eerder opgenomen in artikel 9c ,eerste lid, van het UBLB. De Nota van toelichting bij artikel 9c, eerste lid, van het UBLB (Stb. 2000, 640, blz. 23) vermeldt onder meer het volgende:
“Artikel 9c, eerste lid, bepaalt dat indien de ingekomen werknemer binnen tien jaar na zijn eerste tewerkstelling door de inhoudingsplichtige van werkgever verandert, hij samen met zijn nieuwe inhoudingsplichtige voor de resterende looptijd opnieuw een verzoek kan doen voor toepassing van de bewijsregel. Hierdoor kan deze werknemer alsnog maximaal gedurende tien jaar van de regel gebruik maken. Volgens het tweede lid is dat alleen mogelijk indien de werknemer nog steeds schaarse specifieke deskundigheid bezit. Dit betekent dus een extra toetsingsmoment met betrekking tot de schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer. Daarbij kan de werknemer vanzelfsprekend nog steeds worden beschouwd als uit een ander land te zijn aangeworven of gezonden.

In de slotzinsnede van het eerste lid is bepaald dat een verzoek om voortzetting van de bewijsregel niet kan worden gedaan indien een werknemer er langer dan drie maanden over heeft gedaan een nieuwe dienstbetrekking te vinden. De reden hiervoor is dat de deskundigheid van de ingekomen werknemer dan kennelijk minder schaars is, zodat hij niet meer voor toepassing van de bewijsregel kwalificeert, terwijl in dat geval ten aanzien van de nieuwe werkgever de werknemer niet meer wezenlijk als ingekomen kan worden beschouwd.”


Beoordeling

12. Vaststaat dat tussen het einde van de tewerkstelling van eiser bij zijn vorige inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige (de werkgever) meer dan drie maanden is verstreken. Er is dus niet voldaan aan de vereisten van artikel 10ed, eerste lid, UBLB, hetgeen tussen partijen (terecht) ook niet in geschil is.

13. Dat de sollicitatieprocedure van eiser bij de werkgever door omstandigheden die niet aan eiser te wijten zijn veel langer heeft geduurd en dat daardoor de driemaandstermijn is overschreden is ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dat evenwel geen reden om de driemaandstermijn buiten toepassing te laten of om daaraan een andere invulling te geven. Blijkens de toelichting zoals opgenomen onder 11 heeft de besluitgever met het slot van lid 1 tot uitdrukking gebracht dat de werknemer niet meer voor toepassing van de bewijsregel in aanmerking komt, indien hij er langer dan drie maanden over heeft gedaan een nieuwe dienstbetrekking te vinden, omdat in zo’n geval aangenomen moet worden dat zijn deskundigheid minder schaars is. De driemaandstermijn strekt ertoe buiten discussie te stellen dat aan het vereiste van schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer niet meer kan worden voldaan bij overschrijding van een termijn van drie maanden tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige (HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4057, HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:634 en HR 29 januari 2026, ECLI:NL:HR:2016:116). De overschrijding van de driemaandstermijn betekent in dit geval dan ook dat ervan wordt uitgegaan dat eiser niet meer voldoet aan het vereiste van schaarse specifieke deskundigheid. Dat eiser niets te verwijten valt ten aanzien van de lengte van de sollicitatieprocedure bij de werkgever doet daaraan niets af. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de correspondentie tussen eiser en de werkgever volgt dat de werkgever er op verschillende momenten voor heeft gekozen de sollicitatieprocedure uit te stellen en te verlengen, onder andere omdat er ook een andere geschikte kandidaat was. Daaruit volgt in het licht van artikel 10ed, eerste lid, UBLB juist ook dat in het geval van eiser geen sprake (meer) is van schaarse specifieke deskundigheid.

14. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op het evenredigheidsbeginsel, in die zin dat de toepassing van artikel 10ed UBLB in zijn geval tot een onevenredige uitkomst leidt, kan dat niet slagen gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die maken dat de toepassing van artikel 10ed UBLB in het geval van eiser tot een onevenredige uitkomst leidt. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van verweerder in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is voor eiser en dat het besluit in die zin evenwichtig is.

15. Dit alles leidt tot de slotsom dat verweerder het verzoek van eiser om voortgezette toepassing van de 30%-regeling terecht heeft afgewezen. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.


Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”





5Beoordeling van het geschil in hoger beroep


5.1.
Bij de beoordeling van het geschil stelt het Hof het volgende voorop. De driemaandstermijn van artikel 10ed van het UBLB strekt ertoe buiten discussie te stellen dat de vereiste schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer in ieder geval niet meer aanwezig is bij overschrijding daarvan (vlg. HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4057). De aan deze regel ten grondslag liggende aanname (zie ook de toelichting geciteerd in overweging 11 van de rechtbankuitspraak) acht het Hof niet onredelijk vanuit de gedachte dat een nieuwe dienstbetrekking zich vlotter zal aandienen aan een werknemer die beschikt over een schaars aanwezige specifieke deskundigheid dan aan een werknemer die daarover niet beschikt (en dus niet (langer) als inkomende werknemer een beroep op de 30%-bewijsregel toekomt). Door het stellen van deze vaste termijn als toetssteen voor de aanwezigheid van de vereiste deskundigheid heeft de besluitgever aan de ene kant rechtszekerheid geschapen. Aan de andere kant kan de ruwheid, die tot op zekere hoogte inherent is aan een dergelijk fatale termijn, worden verzacht door gebruikmaking van de ook buiten toepassing van de 30%-bewijsregel bestaande mogelijkheid tot een vermindering van de verschuldigde loonbelasting in verband met vergoeding van extraterritoriale kosten (zie artikel 31a, lid 2 aanhef en onderdeel e, van de Wet LB).
Mede gelet op het voorgaande is de besluitgever met het stellen van de driemaandstermijn naar het oordeel van het Hof binnen de hem (krachtens artikel 31a, lid 8, van de Wet LB) gegeven bevoegdheid gebleven zonder daarbij in strijd te komen met het evenredigheidsbeginsel.



5.2.
Belanghebbende heeft (tezamen met zijn nieuwe werkgever, [bedrijf] ) uit hoofde van artikel 10ed van het UBLB om voortzegging van de 30%-bewijsregel verzocht. Vast staat dat de tewerkstelling van belanghebbende voor de voormalige inhoudingsplichtige eindigde op 31 oktober 2022 en de arbeidsovereenkomst met [bedrijf] op 16 februari 2023 tot stand is gekomen. De in artikel 10ed van het UBLB gestelde termijn van drie maanden is derhalve overschreden en de inspecteur heeft het voortzettingsverzoek afgewezen.



5.3.
Belanghebbende betoogt dat het verzoek had moeten worden toegewezen aangezien de vertraging die is opgelopen in de wervingsprocedure van [bedrijf] niet aan hem is te wijten en – zo begrijpt het Hof belanghebbende – hem dus geen verwijt van de termijnoverschrijding treft. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. Voor de toepassing van artikel 10ed, lid 1, van het UBLB is niet van belang of termijnoverschrijding al dan niet verwijtbaar is, zodat een voortzettingsverzoek, ook bij afwezigheid van enig verwijt daartoe, bij een termijnoverschrijding dient te worden afgewezen.
Voorts betoogt belanghebbende dat zijn deskundigheid wel als schaars zou zijn aangemerkt, indien de sollicitatieprocedure sneller zou doorlopen. Ook dat betoog geeft het Hof geen aanleiding tot een ander oordeel. Het Hof dient immers te oordelen over het voorliggende geval – en vast staat dat daarin de driemaandstermijn overschreden is – en niet over de zich niet voordoende casus waarbij de termijn niet zou zijn overschreden. Daar komt bij dat het tweede lid van artikel 10ed van het UBLB uitdrukkelijk bepaalt dat bij een wel tijdige verlenging de kwalificatie van de werknemer als ingekomen werknemer (de schaarsheid van zijn deskundigheid daaronder begrepen) opnieuw aannemelijk dient te worden gemaakt. Dat heeft belanghebbende in het onderhavige geval niet gedaan, zodat het verzoek van belanghebbende zich ook in dat opzicht onderscheidt van een voortzettingsverzoek dat wel voor honorering in aanmerking zou zijn gekomen. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een andere uitkomst.
Het Hof is van oordeel dat de inspecteur het voorzettingsverzoek terecht heeft afgewezen.


Slotsom



5.4.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.






6Kosten

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.





7Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.





Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.



Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Link naar deze uitspraak