|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2009 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 25/2035 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | - | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | inkomstenbelasting | | | koopovereenkomst | | | naheffingsaanslag | | | omgevingsvergunning | | | overdrachtsbelasting | | | vrijstelling | | | wet op belastingen van rechtsverkeer | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/2035
2 juli 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
tegen de uitspraak van 26 augustus 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/8166 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: D. van Laren)
en
de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft zowel aan belanghebbende als aan zijn echtgenote een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en een verzuimboete opgelegd. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende en het beroep van zijn echtgenote, waarbij belanghebbende en zijn echtgenote worden aangeduid als ‘eisers’ en de inspecteur als ‘verweerder’:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen en de beschikkingen verzuimboete;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eisers tot een bedrag
van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 102 aan eisers te vergoeden.”
1.2.
Na het instellen van (pro forma) hoger beroep door de inspecteur zijn de volgende stukken ingediend:
de gronden van het hoger beroep door de inspecteur;
een verweerschrift door belanghebbende;
een conclusie van repliek door de inspecteur, en
een brief door belanghebbende.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eisers zijn gehuwd en hebben op 25 mei 2022 ieder de onverdeelde helft van een woning gelegen aan de [straat] 12 te [Z] (hierna: de woning) gekocht voor een bedrag van in totaal € 310.000. De verkoper is de oom van eiser. Eisers verklaren in de koopovereenkomst dat ze de woning gaan gebruiken als woonhuis en voornemens zijn er te gaan wonen.
2. De woning is een bedrijfswoning behorend bij het agrarisch bedrijf van de oom van eiser. Het bedrijf is gevestigd op de [straat] 12a te [Z] . Eiser heeft samen met zijn broer het bedrijf van hun oom overgenomen.
3. Bij akte van levering van 30 mei 2022 is de woning geleverd. In de akte van levering is opgenomen dat de feitelijke levering van het woonhuis uiterlijk 1 oktober 2022 zal plaatsvinden en dat de verkoper voor de voortgezette bewoning geen vergoeding verschuldigd is anders dan de gebruikerskosten.
4. Eiser is geboren op [datum 1] , eiseres op [datum 2] . Op het moment van de levering zijn eisers beiden jonger dan 35 jaar. Eisers doen in de akte van levering een beroep op de startersvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op belastingen rechtsverkeer 1970 (hierna: WBR) en verklaren dat zij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken en dat zij de startersvrijstelling niet eerder hebben toegepast.
5. Nadat de verkoper de woning heeft verlaten, is de woning gesloopt en hebben eisers op dezelfde plek een nieuwe woning gebouwd.
Tijdlijn sloop en herbouw
6. Voor wat betreft de sloop en herbouw van de woning geldt van de volgende tijdlijn:
- Op 20 mei 2022 ontvangen eisers een offerte van aannemer [bedrijf 1] voor de herbouw van de woning.
- Op 18 september 2022 dienen eisers een principeverzoek in bij de gemeente voor de sloop en herbouw van de woning.
- Op 13 oktober 2022 heeft een andere aannemer de woning geïnspecteerd en geadviseerd dat slopen en herbouw te prefereren is boven verbouwen.
- Op 14 oktober 2022 bericht de gemeente dat ze in beginsel positief tegenover het principeverzoek staat.
- Op 24 oktober 2022 ontvangen eisers een offerte van [bedrijf 2] .
- Op 13 november 2022 tekenen eisers een intentieverklaring met aannemer [bedrijf 1] inzake de bouw van de woning.
- Op 10 januari 2023 tekenen eisers de offerte van [bedrijf 2] .
- Op 22 februari 2023 vragen eisers een omgevingsvergunning aan.
- Op 3 augustus 2023 wordt de omgevingsvergunning afgegeven.
- Na het afgeven van de vergunning starten de sloop- en bouwwerkzaamheden.
- Met ingang van 29 juni 2024 hebben eisers zich ingeschreven op het adres [straat] 12 te [Z] .”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3Geschil in hoger beroep
Ook in hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. De verzuimboete is niet langer in geschil.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“Juridisch kader
9. In artikel 14, eerste lid, van de WBR is bepaald dat ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken 8% overdrachtsbelasting wordt geheven (tarief 2022). Artikel 14, tweede lid, van de WBR bepaalt dat het tarief 2% is voor de verkrijging van een woning door een natuurlijk persoon als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken.
10. Deze eisen, met nog twee additionele eisen, zijn ook opgenomen in de startersvrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p, van de WBR (tekst 2022), waarin voor zover van belang, is bepaald:
“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
(…)
p. van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen of van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, en de gelijktijdige verkrijging van de tot die woning behorende aanhorigheden, indien:
1°. de verkrijger een meerderjarig natuurlijk persoon jonger dan vijfendertig jaar is;
2°. de verkrijger deze vrijstelling niet eerder heeft toegepast en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring; en
3°. de verkrijger de verkregen woning of rechten waaraan deze is onderworpen na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring;
4°. het totaal van de waarde van de woning of rechten waaraan deze is onderworpen en tot die woning behorende aanhorigheden niet uitkomt boven € 400.000;”
11. De huidige tekst van de artikelen 14 en 15, van de WBR dateert uit 2021 en is tot stand gekomen bij de Wet differentiatie overdrachtsbelasting (Wet van 16 december 2020, Staatsblad 2020, 545). In de vóór 2021 geldende wettekst golden voor toepassing van het tarief van 2% niet de eisen dat de woning moest zijn verkregen door een natuurlijk persoon en dat de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken (het hoofdverblijfcriterium). In de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van deze wet is opgemerkt dat deze aanpassing noodzakelijk en proportioneel werd geacht om voor koopstarters de toegankelijkheid tot de koopwoningmarkt in het algemeen en ten opzichte van beleggers te verbeteren. Ook is opgemerkt dat met het begrip “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf” wordt aangesloten bij het begrip “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan” in de eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij gaat het om een duurzaam eigen gebruik van de woning die de verkrijger overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat. Het begrip “hoofdverblijf” is synoniem met het begrip “centrale levensplaats”. (zie de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2020/21, 35.576, nr. 3, p. 21). Op pagina 21 van de Memorie van Toelichting is ook het volgende opgemerkt:
“Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de verkrijger bevindt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de verkrijger zich na de verkrijging van de woning op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de verkrijger.”
12. Ten aanzien van woningen die na de aankoop eerst worden verbouwd is het volgende opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag (zie Kamerstukken II 2020/21, 35.576, nr. 6, p. 22):
“Het voordeel van een hoofdverblijfcriterium ten opzichte van een toetsing op woningbezit is dat natuurlijke personen die tijdelijk tussen twee woningen inzitten niet onbedoeld tegen het hogere tarief aanlopen. Uit data van het Kadaster blijkt dat in minimaal 96% van de gevallen kopers binnen 12 maanden in de woning gaan wonen. Mocht het zijn dat een verbouwing langere tijd in beslag neemt, dan kan het zijn dat de inspecteur contact opneemt, omdat uit de objectieve gegevens niet blijkt dat de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. In dat geval kan een verkrijger met een nog in gang zijnde verbouwing aannemelijk maken dat de woning toch is gekocht om anders dan tijdelijk te gaan gebruiken als hoofdverblijf. Wel zal de verkrijger de woning na voltooiing van de verbouwing daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf moeten gaan gebruiken.”.
Sloop en herbouw van de woning
13. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers de woning hebben gekocht om zich op die specifieke plek “anders dan tijdelijk” te gaan vestigen en dat zij dit ook daadwerkelijk hebben gedaan. De woning is immers een bedrijfswoning gelegen naast het agrarische bedrijf dat (deels) eigendom is van eiser. Eisers hebben aannemelijk gemaakt dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen zich na de verkrijging van de woning op het adres van de verkregen woning bevindt c.q. zal gaan bevinden. Dit wordt door verweerder ook niet weersproken.
14. De rechtbank leidt uit de feiten af dat eisers op het moment van de verkrijging de intentie hadden om de woning na de aankoop te slopen en te herbouwen, maar dit voornemen was nog niet geformaliseerd. Zo was er wel een offerte voor de bouw van een nieuwe woning, maar er was nog geen vergunning aangevraagd voor de mogelijke sloop en herbouw en ook was er nog geen offerte voor de sloopwerkzaamheden. Het niet verkrijgen van een sloop- en herbouwvergunning dan wel te hoge sloop- en bouwkosten zouden de plannen nog kunnen dwarsbomen. Ook de invoering van een nieuwe omgevingswet zou nog tot uitstel of afstel kunnen leiden.
15. Verweerder stelt dat in geval van sloop sprake is van herbouw of vervangende bouw en dat dus niet wordt voldaan aan de eis dat de verkregen woning als hoofdverblijf gaat dienen nu deze door de sloop teniet gaat. Verweerder wijst op de wettekst van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, onder 3, van de WBR en op de parlementaire geschiedenis waar onder andere wordt verwezen naar deze woning, de verkregen woning en bestaande woningen. Verweerder verwijst in zijn verweerschrift ook naar hetgeen in de parlementaire geschiedenis is opgenomen over de sloop van een woning en het er niet (kunnen) wonen. De rechtbank constateert dat nergens in de door verweerder aangehaalde parlementaire geschiedenis het woord sloop wordt gebezigd of anderszins iets wordt gezegd over de sloop van een woning. Tijdens de parlementaire behandeling is niet aan de orde gekomen of ook aan het hoofdverblijfvereiste wordt voldaan als een verkrijger een woning koopt, met de bedoeling deze na de verkrijging te slopen en daar een nieuwe woning te bouwen, bestemd om als hoofdverblijf te dienen.
16. Verweerder wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:48. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval (een klooster dat gesloopt zou worden en vervangen door een appartementengebouw) om een wezenlijk andere situatie gaat dan de thans voorliggende situatie. De overdrachtsbelasting is immers een tijdstipbelasting en het toetsingsmoment voor de toepassing van de vrijstelling vindt plaats op het moment van verkrijging, te weten het tijdstip van het passeren van de notariële akte. In het onderhavige geval is sprake van de verkrijging van een bestaande en bewoonbare woning, zodat de startersvrijstelling in beginsel van toepassing is. Verweerder beoordeelt vervolgens achteraf of eisers de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf zijn gaan gebruiken.
17. Eisers stellen dat een stuk grond waar een fundering voor een nieuwe woning is aangebracht, ook als een woning wordt aangemerkt, ook al moet de daadwerkelijke woning nog op die plek worden gebouwd. Zij verwijzen daarbij naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2011/2012, 33 003, nr. 3, p. 115-116) en naar Hoge Raad 16 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1434. De aankoop van een dergelijk stuk grond valt dan onder de startersvrijstelling. Ook is de vrijstelling van toepassing als de kopers een bouwval kopen die op het moment van de koop onbewoonbaar is en nagenoeg volledig dient te worden gerenoveerd. Zelfs als de renovatie langer dan 12 maanden duurt, kan blijkens de parlementaire geschiedenis de startervrijstelling van toepassing zijn mits kopers aannemelijk maken dat zij de woning hebben gekocht om anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken en dit ook daadwerkelijk hebben gedaan. Eisers zien geen verschil tussen de hiervoor genoemde situaties en de situatie waar een bestaande oude woning wordt gekocht met de bedoeling deze geheel af te breken en op dezelfde plaats een nieuwe woning neer te zetten. Deze situaties zijn dusdanig vergelijkbaar dat het onredelijk zou zijn om in het laatstgenoemde geval de vrijstelling te ontzeggen. Eisers stellen ook dat de vrijstelling zonder twijfel van toepassing zou zijn geweest als zij eerst een half jaar in de oude woning zouden hebben gewoond alvorens deze te slopen. Het zou in strijd zijn met doel en strekking van de startersvrijstelling als deze “bewoningseis” in dit geval zou worden gesteld. Het is immers niet in geschil dat eisers de intentie hebben om op het adres van de verkregen woning anders dan tijdelijk te gaan wonen en dit ook daadwerkelijk hebben gedaan.
18. Gelet op hetgeen is opgemerkt in de parlementaire geschiedenis en op wat eisers hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het toepassen van de startersvrijstelling in het onderhavige geval in overeenstemming is met doel en de strekking van de Wet differentiatie overdrachtsbelasting. Eisers zijn immers niet te vergelijken met beleggers. Zij zijn natuurlijke personen en starters op de woningmarkt die een woning hebben gekocht met de bedoeling om zich duurzaam op het adres van de verkregen woning te gaan vestigen. Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers niet worden tegengeworpen dat ze niet binnen een bepaalde termijn in de woning zijn gaan wonen, maar deze na de verkrijging eerst hebben gesloopt om direct daarna op dezelfde plek een vergelijkbare woning te bouwen. Er is bovendien in dit geval, zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, geen sprake van oneigenlijk gebruik om een voordeel in de overdrachtsbelasting te behalen nu er geen enkele twijfel is dat eisers na voltooiing van de herbouw de woning als hoofdverblijf zullen gaan gebruiken en dit ook daadwerkelijk hebben gedaan.
(…)
Slotsom
21. Nu de rechtbank van oordeel is dat de startersvrijstelling van toepassing is, zullen de beroepen gegrond worden verklaard.
5Beoordeling van het geschil
5.1.
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in 2022 ieder de helft van een bedrijfswoning behorende bij een agrarisch (familie)bedrijf geleverd gekregen. In de koopovereenkomst hebben zij verklaard de woning als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Na de verkrijging is de woning (inclusief fundering) gesloopt. Op de plek van de oude woning, hebben de echtelieden hun nieuwe woning laten bouwen, die zij in juni 2024 hebben betrokken. In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 15, lid 1, letter p van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de startersvrijstelling). De inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend omdat, zo stelt hij, niet is voldaan aan het zogenoemde hoofdverblijfcriterium (zie 5.3). Belanghebbende schaart zich achter de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelt als volgt.
5.2.
In het Belastingplan 2012, Stb. 2011, 639, is aan artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) een tweede lid toegevoegd, waarin is geregeld dat voor de verkrijging van woningen de belasting twee percent bedraagt (hierna: het 2%-tarief). In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is vermeld dat de maatregel ook geldt voor een nieuwe woning in aanbouw, en dat daarvan sprake is als de fundering is aangebracht. Grond bestemd voor woningbouw is volgens deze toelichting niet aan te merken als woning (Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 115-116). Deze uitleg van het begrip ‘woning’ is niet alleen van belang voor de toepassing van het 2%-tarief maar ook voor de toepassing van de startersvrijstelling, thans in geding.
5.3.
Bij de Wet differentiatie overdrachtsbelasting is per 1 januari 2021 aan artikel 15, eerste lid, WBR, onderdeel p toegevoegd, waarmee de wetgever de startersvrijstelling en het zogenoemde hoofdverblijfcriterium heeft geïntroduceerd. Laatstbedoeld criterium houdt in dat voor de toepassing van de startersvrijstelling onder meer is vereist dat de verkrijger verklaart dat hij de verkregen woning, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf zal gaan gebruiken. Een dergelijke verklaring kan achteraf worden getoetst door de inspecteur. Gebruikmakend van deze bevoegdheid heeft de inspecteur de thans bestreden naheffingsaanslag opgelegd. Als belanghebbende aan het hoofdverblijfcriterium voldoet, is niet in geschil dat hij ook aan de overige voorwaarden voldoet en daarom recht heeft op de startersvrijstelling.
5.4.
De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende aan het hoofdverblijfcriterium voldoet, welk oordeel door de inspecteur in hoger beroep wordt bestreden omdat, zo stelt hij, een volledig gesloopte woning niet langer kan worden aangemerkt als een ‘woning’ zodat bijgevolg het 2%-tarief noch de startervrijstelling toepassing kan vinden. De rechtbank heeft dit miskend, zo stelt hij.
5.5.
De hogerberoepsgrond van de inspecteur slaagt. Ter toelichting van dit oordeel dient het volgende. De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting. Vaststaat, zulks is in hoger beroep niet bestreden, dat belanghebbende op het moment van verkrijging de intentie had om de verkregen woning (volledig) te laten slopen om daarop nieuwbouw te plegen. Aan die intentie is ook uitvoering gegeven. In een dergelijk geval wordt niet voldaan aan het hoofdverblijfcriterium omdat de oude woning door de sloop daarvan, inclusief de fundering, is opgehouden te bestaan en bijgevolg niet meer kan worden bewoond.
5.6.
De tekst van artikel 14, tweede lid van de WBR en artikel 15, eerste lid, onderdeel p van de WBR laat een andere uitleg niet toe; de wettekst is helder en niet voor meerdere uitleg vatbaar. In een dergelijk geval kan van een grammaticale lezing van de wettekst enkel afgeweken worden als uit de parlementaire toelichting volgt dat de wetgever die grammaticale uitleg niet heeft bedoeld. In de parlementaire stukken en de Memorie van Toelichting is de situatie van belanghebbende echter niet aan de orde geweest. Uit de parlementaire stukken en de Memorie van Toelichting kan dus niet worden afgeleid dat de wetgever een andere dan een grammaticale uitleg voor ogen stond.
5.7.
Ter zitting bij de rechtbank heeft de inspecteur verklaard: ‘U vraagt mij of het [Hof: de vraag of aan het hoofdverblijfcriterium is voldaan] anders zou zijn als er wel een fundering onder de bestaande woning lag. Dat zou anders zijn als de bestaande fundering ook gebruikt zou worden voor de nieuwe woning (…).’
5.8.
Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat op de verkrijging van:
i) een stuk grond waarop een fundering voor een nieuwe woning is aangebracht; en
ii) een ‘sloopwoning’ die met behoud van de fundering volledig wordt herbouwd, wél het 2%-tarief of de startersvrijstelling toegepast kan worden.
Belanghebbende voert aan dat zijn situatie in relevante opzichten vergelijkbaar is met de hiervoor beschreven twee situaties en dat hij bijgevolg ook in aanmerking dient te komen voor de startersvrijstelling. Het Hof oordeelt als volgt.
5.9.
Toetsing aan het gelijkheidsbeginsel is slechts aan de orde als de uitleg van de inspecteur van het begrip ‘woning’ afwijkt van de inhoud van dat begrip volgens de WBR, zodat sprake is van een begunstigend beleid. Indien wordt aangenomen dat de wetgever bij het funderingscriterium het oog heeft gehad op woningen in aanbouw en niet op sloopwoningen, wat zou kunnen worden afgeleid uit de Kamerstukken (zie 5.2), kan de hiervoor geciteerde verklaring van de inspecteur als begunstigend beleid worden aangemerkt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is dan vereist dat sprake is van gelijke gevallen, waarbij het erom gaat dat de gevallen in relevante opzichten vergelijkbaar zijn, zowel rechtens als feitelijk.
5.10.
Van vergelijkbare gevallen als hiervoor bedoeld, is echter geen sprake. Door bij situaties van sloop van een woning het behoud van de fundering doorslaggevend te achten, maakt de inspecteur een feitelijk en praktisch onderscheid bij de afbakening van hetgeen onder ‘een woning’ kan worden begrepen. Dit onderscheid is ook rechtens relevant. Het Hof leidt dit af uit het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1434. Daarin is geoordeeld over de vraag of de wetgever het discriminatieverbod heeft geschonden door zijn keuze (zie r.o. 5.2) om bouwgrond met een daarop aangebrachte fundering wel als de verkrijging van ‘een woning’ aan de merken en bouwgrond zonder fundering niet. De Hoge raad oordeelde dat het door de wetgever aldus gemaakte onderscheid, het ‘funderingscriterium’, een objectief en praktisch uitvoerbaar criterium is, waarmee de wetgever de hem toekomende ruime beoordelingsmarge niet heeft overschreden, zodat geen sprake is van strijd met verdragsrechtelijke discriminatieverboden. Toetsing van het inhoudelijk gelijkluidende besluit aan het gelijkheidsbeginsel, leidde volgens de Hoge Raad niet tot een andere uitkomst.
5.11.
Door ook bij situaties van sloop van een woning het funderingscriterium aan te houden, maakt de inspecteur naar ’s Hofs oordeel een toegestaan, niet discriminerend of willekeurig onderscheid. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake.
Slotsom
5.12.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van de inspecteur gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.
6Kosten
Voor een veroordeling in de proceskosten voor hoger beroep bestaat geen aanleiding.
7Beslissing
Het Hof:
vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de verzuimboete, de vergoeding van proceskosten, immateriële schade en het griffierecht;
verklaart het beroep gegrond voor zover deze ziet op de boetebeschikking en voor het overige ongegrond.
De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, F.J.P.M. Haas en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 2 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|