|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2100 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.355.088 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Hoofdelijke aansprakelijkheid; 6:102 BW; 6:99 BW; eigenaar coffeeshop lijdt schade als gevolg van de sluiting door de burgemeester na drie geweldsincidenten. Appellant, die verantwoordelijk is voor het tweede geweldsincident, is hoofdelijk aansprakelijk voor de gevolgen van de sluiting na het derde geweldsincident.
Geen schending schadebeperkingsplicht door geen bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van de burgemeester. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.355.088/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/356076/ HA ZA 24-472
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. B.E.C. de Jong te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] , voorheen handelend onder de naam [geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.M.P.E. van Helmond te Breda.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of [appellant] hoofdelijk aansprakelijk is voor de grote schade die [geïntimeerde] heeft geleden doordat zijn [geïntimeerde] (hierna: [bedrijf] ) drie maanden op last van de burgemeester is gesloten. De burgemeester is tot deze sluiting van [bedrijf] overgegaan na drie geweldsincidenten. Op 31 augustus 2022 is bij [bedrijf] door een onbekend gebleven derde, vuurwerk ontstoken. In de nacht van 29 op 30 september 2022 heeft [appellant] met zwaar vuurwerk en een jerrycan benzine een explosie veroorzaakt bij het pand van [bedrijf] en enkele dagen later heeft een derde, genaamd [naam] , met een vuurwapen op [bedrijf] geschoten. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat zowel [appellant] als [naam] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [geïntimeerde] en heeft hen hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de sluiting van [bedrijf] . [appellant] komt in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoofdelijke veroordeling en stelt dat de lange sluiting niet aan zijn handelen te wijten is, maar aan het schietincident. Daarnaast richt het hoger beroep zich tegen het door de rechtbank aangenomen causaal verband tussen de door [appellant] veroorzaakte explosie en de sluiting van De Graspriet, alsmede tegen de omvang van de schade. [geïntimeerde] voert verweer. Het hof bekrachtigt het vonnis.
2Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 15 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 19 maart 2025 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met productie;
- memorie van antwoord met een productie.
Op 30 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, [appellant] aan de hand van spreekaantekeningen die zijn advocaat heeft overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De rechtbank heeft in onderdeel 2 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Het hof vat hierna de belangrijkste feiten samen en vult deze aan waar nodig.
3.1.
Op 31 augustus 2022 heeft een explosie plaatsgevonden bij het pand van [bedrijf] , waarin [bedrijf] destijds een coffeeshop exploiteerde. De dader hiervan is onbekend gebleven.
3.2.
In de nacht van 29 op 30 september 2022 heeft [appellant] met zwaar vuurwerk en een jerrycan benzine een explosie veroorzaakt bij het pand van [bedrijf] (verder: de explosie). [appellant] is in verzekering en vervolgens in voorlopige hechtenis gesteld. Op 26 januari 2023 is hij hiervoor veroordeeld door de meervoudige strafkamer in Rotterdam.
3.3
In de nacht van 3 op 4 oktober 2022 heeft [naam] met een vuurwapen geschoten op het pand van [bedrijf] (verder: de beschieting). Op 21 november 2022 is hij hiervoor veroordeeld door de jeugdstrafrechter.
3.4
De burgemeester heeft [bedrijf] gesloten. Eerst heeft bij besluit van 1 oktober 2022 een spoedsluiting van twee weken plaatsgevonden. Daarna is op 6 oktober 2022 een sluiting voor drie maanden gelast. In het besluit van 6 oktober 2022 staat:
“Aanleiding voor de sluiting is de beschieting van het pand in de nacht van 3 op 4 oktober 2022. Tevens zijn de ernstige incidenten van 1 september 2022 en 30 september 2022 meegenomen in de besluitvorming.”
3.5
[geïntimeerde] heeft zich in de strafzaak tegen [appellant] als benadeelde partij gevoegd. Zijn vordering is toegewezen tot een bedrag van € 52.190,50 vermeerderd met rente, waarvan een bedrag van € 44.766,00 aan gederfde winst over periode van twee weken waarin de spoedsluiting gold. Ten aanzien van de overige sluitingsperiode en de opstartschade is [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard.
4Procedure bij de rechtbank
4.1.
Samengevat heeft [geïntimeerde] , in eerste aanleg waar naast [appellant] ook [naam] gedaagde was, gevorderd:
I. een verklaring voor recht dat [appellant] en [naam] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld; II. de hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [naam] tot betaling van een bedrag van € 233.078,42 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2022; en
III. veroordeling in de proceskosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten.
4.2.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. Zij heeft geoordeeld dat [appellant] en [naam] allebei, afzonderlijk van elkaar, een onrechtmatige daad hebben gepleegd tegenover [geïntimeerde] . Zij hebben daarmee schade veroorzaakt en zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de vergoeding daarvan. [appellant] en [naam] zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 233.078,42 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 4 oktober 2022.
5Vordering in hoger beroep
5.1.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] zes grieven aangevoerd. [appellant] concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen hij heeft betaald ingevolge het bestreden vonnis en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en de nakosten.
5.2.
[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
6Beoordeling
6.1.
[geïntimeerde] vordert in deze procedure de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat [bedrijf] per 4 oktober 2022 op last van de burgemeester gesloten is geweest. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat [appellant] op grond van art. 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde] aangezien sprake is van samenlopende oorzaken. [geïntimeerde] voert aan dat uit het besluit tot sluiting blijkt dat de burgemeester tot sluiting is overgegaan op basis van drie geweldsincidenten, waaronder de explosie veroorzaakt door [appellant] . Het door [appellant] gepleegde geweldsincident heeft bijgedragen aan het besluit tot sluiting, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] voert subsidiair aan dat voor zover geen sprake zou zijn van samenwerkende oorzaken, [appellant] op grond van art. 6:99 BW aansprakelijk kan worden gehouden aangezien de schade kan zijn veroorzaakt ofwel door het geweldsdelict gepleegd door [appellant] ofwel door de beschieting door [naam] . Ter staving van zijn schade heeft [geïntimeerde] een door een belastingkundige opgestelde schadeberekening in het geding gebracht over de eerste acht maanden van 2022 alsmede de balansen, resultatenrekeningen en onderliggende grootboekkaarten over de jaren 2019, 2020 en 2021. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep voorts zijn aangifte inkomstenbelasting over 2022 in het geding gebracht.
6.2.
[appellant] , die in eerste aanleg geen verweer voerde, richt zijn grieven vanuit verschillende gezichtspunten op het verband tussen zijn onrechtmatige daad en de schade, die het gevolg is van de sluiting door de burgemeester. Hij stelt dat van hoofdelijke aansprakelijkheid krachtens art. 6:102 BW geen sprake kan zijn aangezien de door hem veroorzaakte explosie slechts een ondersteunend argument is geweest voor de sluiting van [bedrijf] . In het besluit tot sluiting wordt immers de beschieting expliciet als aanleiding benoemd. Hij voert aan dat het goed denkbaar is dat de burgemeester zonder de beschieting door [naam] , die heeft plaatsgevonden na de explosie, de sluiting tot twee weken had beperkt. [appellant] zat begin oktober immers in voorlopige hechtenis, zodat het gevaar geweken was. Daarop voortbouwend voert [appellant] aan dat het aan [geïntimeerde] is om aan te tonen wie voor welk deel van de schade aansprakelijk is en hoe die verdeling dient uit te vallen. Wat betreft de omvang van de schade wordt kort samengevat aangevoerd dat de bewijsstukken die [geïntimeerde] ter onderbouwing van zijn schade heeft overgelegd volgens [appellant] onvoldoende zijn als bewijs van de schade.
6.3.
Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat [appellant] samen met [naam] ex art. 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schade als gevolg van de sluiting van [bedrijf] voor de duur van drie maanden. Dat wordt als volgt toegelicht.
6.4.
Art. 6:102 BW regelt de situatie waarin dezelfde schade is veroorzaakt door twee of meer gebeurtenissen, waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn, zonder dat kan worden vastgesteld welke gebeurtenis de schade heeft veroorzaakt. Indien elk handelen een relevante schakel is voor het intreden van de schade zonder dat een van de schakels op zichzelf doorslaggevend is voor het ontstaan van de schade, zijn alle veroorzakers hoofdelijk aansprakelijk jegens de benadeelde voor de gehele schade. De veroorzakers dienen de onderlinge draagplicht voor die schade aan de hand van de in art. 6:102 lid 1 BW voorgeschreven maatstaf uit te maken (24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4004, Van Nugteren / Meskes).
6.5.
De sluiting van de coffeeshop is gebaseerd op art. 174a Gemeentewet en op het gemeentelijk beleid. Dat beleid houdt in dat zowel de beschieting als de explosie elk voor zich aanleiding konden zijn voor een sluiting van maximaal zes maanden, gelet op de eerste explosie van 31 augustus 2022 en het gevaar voor de openbare orde. De sluiting valt binnen dat beleid. Uit het besluit van de burgemeester tot sluiting van [bedrijf] volgt dat deze sluiting is gebaseerd op de drie opeenvolgende geweldsincidenten. De gevorderde schade is veroorzaakt door die sluiting van drie maanden en gelet op het voorgaande dus mede door de door [appellant] veroorzaakte explosie. Dat het geweldsincident waarbij [appellant] betrokken was heeft bijgedragen aan de ontstane schade, zonder dat dit incident op zichzelf tot die schade heeft geleid, is voldoende om hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 6:102 BW aan te nemen.
6.6.
Anders dan in de memorie van grieven wordt betoogd, behoeft [geïntimeerde] niet te bewijzen dat de schade niet zou zijn ingetreden indien [appellant] het tweede geweldsincident niet had gepleegd. Dat geldt eveneens voor de vraag welk deel van de schade [appellant] en [naam] in hun onderlinge verhouding dienen te dragen.
6.7.
In elk geval is naar het oordeel van het hof voldaan aan de vereisten van art. 6:99 BW. Artikel 6:99 BW bepaalt dat, indien schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn, en vaststaat dat ten minste één van die gebeurtenissen de schade heeft veroorzaakt, maar niet kan worden vastgesteld welke, ieder van die personen voor de gehele schade aansprakelijk is, tenzij hij bewijst dat de schade niet door zijn gebeurtenis is veroorzaakt. In het onderhavige geval staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat de sluiting van [bedrijf] tot schade heeft geleid, en die sluiting, en daarmee de schade, zowel kan zijn veroorzaakt door de explosie als door de beschieting. Zoals uit 6.5 reeds volgt heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen, dat de explosie niet tot de schade geleid heeft.
6.8.
Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat [appellant] (samen met [naam] ) hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van de sluiting van [bedrijf] voor de duur van drie maanden. Dat onverwachte maandenlange sluiting van een goed lopende coffeeshop tot winstderving leidt ligt op zichzelf voor de hand en wordt als zodanig niet betwist. Anders dan [appellant] aanvoert, meent het hof dat [geïntimeerde] de omvang van de door hem gevorderde gederfde winst voldoende heeft onderbouwd. Hij heeft de omvang van zijn schade aangetoond aan de hand van een door een belastingdeskundige opgestelde schadeberekening, alsmede door overlegging van de balansen, resultatenrekening en onderliggende grootboekposten over de jaren 2019, 2020 en 2021 en ook zijn belastingaangifte over 2022. Deze stukken zijn met elkaar in overeenstemming. De enkele blote betwisting zijdens [appellant] die erop neerkomt dat de overgelegde stukken onbetrouwbaar zijn of dat de schade onvoldoende onderbouwd is, volstaat niet. Voor de stelling dat [geïntimeerde] een verzekeringsuitkering heeft gekregen ontbreekt elke aanwijzing. De enkele omstandigheid dat verdere onderbouwing en toetsing door een deskundige mogelijk zou zijn is onvoldoende rechtvaardiging voor de tijd en de kosten die gemoeid zouden zijn met een deskundigenonderzoek. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat het om een groot bedrag gaat, dat [appellant] vanwege zijn financiële positie niet zal kunnen betalen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de door [geïntimeerde] overgelegde stukken of ter vaststelling van de hoogte van de schade.
6.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de berekening van het gevorderde bedrag van € 233.078,42 een fout is geslopen in die zin dat [geïntimeerde] daarbij ten onrechte is uitgegaan van € 277.844,42 in plaats van € 277.549,00 waarop in mindering is gebracht het reeds toegewezen bedrag van € 44.766,00. De juiste berekening (€ 277.549,00 minus € 44.766,00) leidt tot een toewijsbaar bedrag van € 232.783,00. Het vonnis zal op dit punt vernietigd worden.
6.10.
Voor zover [appellant] heeft bedoeld om, met de verwijzing naar de verweren van [naam] in eerste aanleg, een beroep te doen op het niet naleven van de schadebeperkingsplicht door [geïntimeerde] is dat onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] heeft weliswaar geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van de burgemeester, maar ter zitting in hoger beroep heeft hij toegelicht dat en waarom dat kansloos geweest zou zijn. Dit is door [appellant] niet, althans onvoldoende weersproken. Het beroep op matiging is, met een loutere verwijzing naar de slechte financiële situatie van [appellant] , onvoldoende onderbouwd. In dat verband is van belang dat het hier gaat om schade als gevolg van een, tegen betaling, in opdracht gepleegd ernstig misdrijf. Verder ontbreekt elke concrete onderbouwing van de financiële situatie van [appellant] .
6.11.
Grief 5 behoeft geen bespreking, nu [appellant] deze grief ter zitting heeft ingetrokken. Daarmee staat de verschuldigdheid van wettelijke rente vanaf 4 oktober 2022 vast. De andere grieven zijn met het voorgaande voldoende behandeld en behoeven geen nadere afzonderlijke bespreking. Van relevante bewijsaanbiedingen is geen sprake.
Slotsom
6.12.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven falen, met uitzondering van het deel van grief 4 dat betrekking heeft op de hiervoor besproken onjuiste berekening. Het vonnis zal daarom worden vernietigd voor zover daarin onder 5.2 het bedrag van € 233.078,42 is toegewezen in plaats van € 232.783,00.
Proceskosten
6.13
Nu [appellant] in hoger beroep voor het grootste deel in het ongelijk is gesteld, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten. Daarmee faalt eveneens grief 6 die is gericht tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt vast:
- griffierecht € 2.129
- salaris advocaat € 9.414, (tarief VI, 2 punten)
Totaal € 11.543
7Beslissing
Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover [appellant] in het dictum onder 5.2 is veroordeeld tot betaling van € 233.078,42 en doet in zoverre opnieuw recht:
7.2
veroordeelt [appellant] hoofdelijk om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 232.783,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 4 oktober 2022, tot de dag van volledige betaling.
7.3
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
7.4
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in het hoger beroep, tot nu aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 11.543.
7.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mr. J.F. Aalders, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. T. Riyazi en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|