Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2109 
 
Datum uitspraak:28-07-2026
Datum gepubliceerd:11-08-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.350.066/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Bouwrecht. Aannemingsovereenkomst. Schadevergoeding. Onder meer volledige sloop en herbouw van een aanbouw door een andere aannemer, omdat de fundering daarvan ondeugdelijk was en de oorspronkelijke aannemer niet tot herstel overging. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank waarin de vorderingen zijn toegewezen.
Trefwoorden:belastingrecht
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)

zaaknummer : 200.350.066/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/356078 / HA ZA 24-473


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2026


in de zaak van



[appellant]
h.o.d.n.

[bedrijf]
,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. N.A. Luijten te Bussum,

tegen




1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. A.M. Thomas te Alkmaar.


Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] . genoemd.





1De zaak in het kort


[geïntimeerden] . vorderen schadevergoeding van hun aannemer [appellant] , omdat hij gebrekkig werk heeft verricht. Zij hebben onder meer de door [appellant] gerealiseerde aanbouw aan hun woning volledig laten slopen en herbouwen door een andere aannemer, omdat de fundering daarvan ondeugdelijk was en [appellant] niet tot herstel overging. Het hof zal het vonnis van de rechtbank waarin de vorderingen zijn toegewezen bekrachtigen.





2Het geding in hoger beroep


[appellant] is bij dagvaarding van 2 januari 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 december 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] . als eisers en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Bij tussenarrest van 4 februari 2025 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij rolbeslissing van 18 maart 2025 heeft het hof besloten dat geen mondelinge behandeling na aanbrengen zal plaatsvinden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met producties;
- memorie van antwoord met producties.

Ter zitting van 19 mei 2026 hebben de advocaten de zaak toegelicht, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft producties in het geding gebracht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.





3Feiten


3.1.

[appellant] drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] , waarmee hij onder meer actief is in de bouw.



3.2.

[geïntimeerden] . zijn eigenaren van de woning aan de [A-straat] te [plaats 2] (hierna: de woning).



3.3.
Tussen partijen is in 2022 een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen, op basis waarvan [appellant] op de begane grond van de woning een aanbouw diende te realiseren, andere werkzaamheden op de begane grondverdieping diende uit te voeren en een badkamerrenovatie diende uit te voeren, voor een totaalprijs van € 68.000,00 exclusief 21% btw. De overeengekomen werkzaamheden zijn omschreven in een niet door partijen ondertekende offerte van 28 november 2022 (hierna: de offerte). Daarin staat onder meer dat die werkzaamheden het heiwerk en de fundering van de aanbouw omvatten.



3.4.
Op 13 december 2022 is [appellant] met zijn werkzaamheden begonnen. Voorafgaand daaraan zijn geen constructieberekeningen gemaakt. Een heibedrijf heeft in opdracht van [appellant] drie stalen buispalen met een diameter van 168 millimeter en lengte van 18,5 meter ingeheid voor de fundering van de aanbouw (hierna: de drie stalen buispalen). Hiervan is geen heirapport beschikbaar.



3.5.
Omstreeks begin juni 2023 was de schuifpui in de achtergevel van de aanbouw geplaatst, waren de muren daarvan opgemetseld en was het dak daarop aangebracht.



3.6.
Op 20 juni 2023 hebben [geïntimeerden] . bij [appellant] geklaagd over lekkage in de aanbouw. Naar aanleiding van deze lekkage hebben [geïntimeerden] . een bouwtechnische keuring van de woning laten uitvoeren door Vereniging Eigen Huis (hierna: VEH). In haar rapport van 18 juli 2023 constateerde VEH diverse gebreken in het werk van [appellant] .



3.7.
Bij brief van 16 augustus 2023 hebben [geïntimeerden] . [appellant] gesommeerd zijn werkzaamheden af te maken en gebreken te herstellen.



3.8.
Bij e-mail van 30 augustus 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] . toegezegd een aantal werkzaamheden in september af te maken en de daklekkage in de aanbouw te repareren. Na deze e-mail heeft [appellant] geen werkzaamheden aan de aanbouw meer verricht.



3.9.
In opdracht van [geïntimeerden] . heeft [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) op 25 oktober 2023 onderzoek gedaan naar (de deugdelijkheid van) de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden en naar eventuele herstelmaatregelen en de kosten daarvan. [bedrijf 1] heeft in zijn rapport van 13 november 2023 onder meer geconstateerd:
“1. De aanbouw is niet goed gefundeerd met voldoende palen.
(…)
16. De hotelschakeling in de hal werkt niet goed.
(…)
18. Afwerking toilet nog uitvoeren.
19. Afwerking badkamer nog uitvoeren / diverse gebreken
(…)
21. Aansluiting deurkozijn op de gevel niet waterdicht.
22. Aansluiting oud op nieuw werk garage (…) niet luchtdicht en netjes afgewerkt.
(…)
Een goed en deugdelijk herstel van de gebreken is alleen mogelijk door het geheel slopen van de aanbouw tot en met de begane grondvloer en de fundering en vervolgens een geheel nieuwe aanbouw op te richten met gebruikmaking van het bestaande daklicht en het bestaande achtergevelkozijn.”
De genoemde punten 16-22 worden hierna genoemd: de overige geconstateerde punten.



3.10.
In opdracht van [appellant] heeft Bureau voor Bouwpathologie een contra-expertise uitgevoerd naar (de deugdelijkheid van) de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden. In het rapport van 1 maart 2024 van dit Bureau staat:
“CONCLUSIES:
(…)
Ondergetekende raad aan te starten met het uitvoeren van betrouwbare controleberekeningen van de constructies, fundering-, vloer- en dakconstructie. (…)
(…)
Er zijn principieel bouwtechnisch onjuist beslissingen genomen in de basis van de aanbouw waardoor de twijfels (de constructie van de fundering en begane grond toont nog geen bezwijken of vervorming) en gebreken (vocht, lekkages, te grote doorbuiging, onjuist aanleg elektra, schimmels, tocht, onvoldoende isolatie) zijn ontstaan.


Rapportage [bedrijf 1] :

Een groot deel van de geconstateerde zaken beoordeeld ook ondergetekende als gebreken. Ondergetekende ziet echter nog mogelijkheden tot ingrijpende aanpassing wanneer mocht blijken dat de funderingsconstructie nog wel voldoet aan de constructieve veiligheidseisen, aan te tonen middels een controleberekening welke wordt gebaseerd op zoveel mogelijk verifieerbare informatie van de bouw. De conclusie voor algehele sloop en herbouw is wat betreft ondergetekende nog te voorbarig.”



3.11.
Op verzoek van [geïntimeerden] . heeft [bedrijf 1] bij rapport van 14 maart 2024 gereageerd op het rapport van Bureau voor Bouwpathologie. [bedrijf 1] heeft daarin onder meer geconstateerd:
“er [bestaat] feitelijk een vergaande overeenstemming (…) in de beoordeling van de situatie tussen VBI [hof: [bedrijf 1] ] en BvB [hof: Bureau voor Bouwpathologie]. (…)

Het enige verschilpunt is feitelijk dat BvB van mening is dat eerst door een constructeur moet worden beoordeeld met de huidig bekende informatie of de fundering en vloerconstructie mogelijk toch voldoen aan de eisen voor sterkte uit het bouwbesluit. VBI is van mening dat op grond van de foutieve principekeuzen het zeer aannemelijk is dat de funderingsconstructie en begane grondvoer niet zullen voldoen aan de eisen uit het bouwbesluit. Om dit met zekerheid vast te stellen is een oordeel van een constructeur nodig.”



3.12.
Nadien heeft [appellant] bij herhaling gezegd constructieberekeningen van de fundering van de aanbouw te zullen laten uitvoeren, dan wel in afwachting daarvan te zijn. [appellant] heeft geen constructieberekeningen met [geïntimeerden] . gedeeld.



3.13.
In opdracht van [geïntimeerden] . heeft De Ingenieursgroep een constructieve berekening van de aanbouw gemaakt. In het rapport van Statische berekening van 3 juni 2024 van De Ingenieursgroep staat onder andere een beschrijving van de fundering van de aanbouw en wordt geconcludeerd:
“Er zijn twee herstelopties:


Optie 1:


Bestaande aanbouw en fundering wordt behouden en enkel de sponning wordt aangepast, zodat de aanbouw opnieuw opgebouwd kan worden.

Er zijn meerdere gebreken en onzekerheden waardoor niet kan worden vastgesteld dat de huidige aanbouw bij deze hersteloptie zal voldoen aan de eisen van het bouwbesluit. Dat betreft de volgende gebreken en onzekerheden:
a. Koppeling bestaande en nieuwe balk niet duurzaam uitgevoerd. Risico op corrosie aan de wapening omdat niet is aangetoond dat de bestaande funderingsbalk voldoende is opgeruwd.
b. Te weinig wapening in de aansluitingen tussen de funderingsbalken van de aanbouw onderling
c. De balken hebben naar ons inziens te weinig wapening in de overgang tussen de balken onderling en zijn deze niet goed in staat om alle krachten over te brengen.
d. Geen paalspecificaties en kalendering van palen bekend waardoor geen volledige controleberekening gemaakt kan worden.
e. Paal bestaande woning wordt overbelast door de reactiekracht van de nieuwe balken.
f. Te weinig wapening in de bestaande begane grondvloer om in de toekomst optredende doorbuiging op te nemen.
g. De bestaande palen van de woning hebben onvoldoende draagvermogen om het extra gewicht van de aanbouw te kunnen dragen.

Gelet op deze gebreken en onzekerheden moet deze hersteloptie, waarbij de bestaande fundering ongewijzigd behouden blijft worden afgewezen.


Optie 2:


Bestaande betonvloer en funderingsbalken worden verwijderd. Twee extra buispalen onder de zijbalken. Nieuwe funderingsbalken met de juiste wapening. Nieuwe betonplaat met voldoende wapening. Koppeling met bestaand is hierbij praktisch, want de aanbouw is volledig zelfdragend.

Alleen bij deze hersteloptie kan worden vastgesteld dat de nieuwe aanbouw voldoet aan de eisen van het bouwbesluit.”



3.14.
Bij e-mail van 8 juni 2024 hebben [geïntimeerden] . het rapport van De Ingenieursgroep met [appellant] gedeeld en hem (opnieuw) gesommeerd om een herstelplan voor de aanbouw te sturen. [appellant] heeft hieraan geen gehoor gegeven. Tevens hebben [geïntimeerden] . [appellant] in deze e-mail gesommeerd om onder andere de overige geconstateerde punten te herstellen op uiterlijk 17 juni 2024. [appellant] heeft op 17 juni 2024 herstelwerkzaamheden verricht.



3.15.
Bij brief van 21 juni 2024 hebben [geïntimeerden] . aan [appellant] meegedeeld dat zij hun vordering tot nakoming omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW en hem gesommeerd om deze schadevergoeding te betalen.



3.16.

[geïntimeerden] . hebben in het najaar van 2024 aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) opdracht gegeven om de aanbouw volledig te slopen en opnieuw te bouwen. Bij de herbouw is de schuifpui hergebruikt. Ook is een deel van de lichtstraat in het dak opnieuw gemonteerd door [bedrijf 3]. De de- en hermontage van de keuken, die deels in de aanbouw staat, heeft Sense Keukens uitgevoerd.



3.17.
Van de sloop en herbouw is foto- en videomateriaal gemaakt. [bedrijf 1] is onder andere gevraagd te beoordelen in hoeverre hetgeen daarop zichtbaar is correspondeert met zijn eerdere rapportages. In zijn rapport van 10 juni 2025 heeft [bedrijf 1] op basis van onder andere dat materiaal geantwoord dat de aansluiting van de funderingsbalk van de aanbouw op de bestaande fundering van de woning ondeugdelijk was, doordat er te weinig stekken per balk waren ingeboord en de fundering niet was opgeruwd, en meerdere van de stalen buispalen niet geheel waren gevuld met beton. Hierdoor bestond het risico op verzakking van de aanbouw. [bedrijf 1] concludeert dat de aanvullende informatie die tijdens de sloop van de aanbouw is verzameld bevestigt dat die sloop beslist noodzakelijk is geweest.






4Procedure bij de rechtbank


4.1.
Samenvattend hebben [geïntimeerden] . gevorderd om [appellant] te veroordelen tot betaling van € 71.100,00 aan vervangende schadevergoeding, € 4.431,39 aan kosten voor deskundigenonderzoeken, € 1.540,31 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proces- en nakosten, alle bedragen te vermeerderen met rente.



4.2.

[appellant] heeft geen conclusie van antwoord ingediend en de rechtbank heeft aan hem akte niet dienen verleend.



4.3.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat het gevorderde haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en, als zijnde onweersproken, kan worden toegewezen, behoudens de buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank heeft deze kosten tot het wettelijke tarief van € 1.486,00 toegewezen.






5Procedure in hoger beroep


5.1.

[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerden] ., met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] . in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.



5.2.
Volgens [geïntimeerden] . moet het hof het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.






6Beoordeling


Inleiding



6.1.

[appellant] heeft vier grieven gericht tegen het bestreden vonnis. Vanwege zijn eerste grief dient het hof te beoordelen of [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerden] . gevorderde schade en, zo ja, wat de omvang van hun schade is. De overige grieven hangen met deze beoordeling samen, omdat daarmee opgekomen wordt tegen de door de rechtbank toegewezen buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en de kosten van de deskundigenonderzoeken.


Aansprakelijkheid van [appellant]



Werk was niet opgeleverd




6.2.
Het werk was nog niet opgeleverd als bedoeld in artikel 7:758 BW. Weliswaar heeft [appellant] gesteld dat de aanbouw op 3 juni 2023 is opgeleverd, maar hij heeft dat niet onderbouwd en [geïntimeerden] . hebben dit betwist. Op grond van artikel 6:74 lid 1 BW verplicht dan ook iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis [appellant] de schade die [geïntimeerden] . daardoor lijden te vergoeden, als zijn verzuim is ingetreden.


De fundering van de aanbouw was ongeschikt




6.3.

[appellant] is naar het oordeel van het hof tekortgeschoten in zijn verplichting om de aanbouw te voorzien van adequate fundering. Daartoe overweegt het hof als volgt.



6.4.
Uit het rapport van De Ingenieursgroep blijkt dat de fundering bestond uit de drie stalen buispalen die in lijn onder de achtergevel van de aanbouw staan, en drie funderingsbalken. De funderingsbalk onder de achtergevel was op die palen aangebracht. De twee funderingsbalken onder de twee zijgevels van de aanbouw waren niet op palen aangebracht, maar waren door middel van stekken verbonden met de bestaande fundering van de woning. In de aansluitingen tussen de funderingsbalken van de aanbouw onderling was wapening aangebracht. De Ingenieursgroep heeft geconcludeerd dat de fundering van de aanbouw in meerderlei opzicht gebrekkig was en dat alleen bij de uitvoering van de zogenoemde tweede hersteloptie kan worden vastgesteld dat de nieuwe aanbouw voldoet aan de eisen van het bouwbesluit.



6.5.

[appellant] heeft het rapport van De Ingenieursgroep en meer in het bijzonder de conclusies daaruit onvoldoende betwist. Dat De Ingenieursgroep heeft gewerkt in opdracht van en op basis van informatie van [geïntimeerden] ., zoals [appellant] onder meer heeft aangevoerd, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat het rapport en de berekeningen daarin onjuist zouden zijn. Die berekeningen zijn bovendien in het rapport toegelicht. Verder heeft [appellant] betwist dat de wapening van de funderingsbalken onderling onvoldoende zou zijn, maar, voor zover hij daarin al gelijk zou hebben, neemt dat de overige conclusies ten aanzien van de gebrekkige fundering van de aanbouw niet weg. Dat de lengte van de buispalen bekend is, zoals [appellant] heeft opgemerkt, kan niet afdoen aan de constatering in het rapport dat de diepte van de drie stalen buispalen niet bekend is, omdat uit de lengte nog niet zonder meer volgt op welke diepte de palen zijn geslagen. Tot slot meent [appellant] dat er nog wel kansen waren voor herstel met behoud van (een deel van) de fundering van de aanbouw, maar hij heeft dit niet nader onderbouwd. Ter zitting heeft hij desgevraagd door het hof ook niet toegelicht hoe hij aankijkt tegen bijvoorbeeld het door De Ingenieursgroep geconstateerde gebrek dat de bestaande palen van de woning onvoldoende draagvermogen hebben om het extra gewicht van de aanbouw te kunnen dragen, laat staan dat hij heeft toegelicht hoe dit anders zou kunnen worden verholpen dan door het uitvoeren van de tweede hersteloptie. Voor het overige is zijn betwisting van het rapport van De Ingenieursgroep niet ter zake doende, omdat die geen betrekking heeft op de fundering van de aanbouw.



6.6.
Het hof acht in dit verband tevens van belang dat [appellant] , ondanks zijn toezeggingen, geen constructieberekening heeft laten maken. [appellant] heeft in hoger beroep weliswaar nog toegelicht dat hij redenen had om een andere constructeur te willen zoeken en dat [geïntimeerden] . dit niet wilden afwachten, maar dat kan het hof niet volgen. [appellant] heeft immers niet gesteld noch is gebleken dat hij een andere constructeur heeft benaderd, laat staan opdracht heeft gegeven de berekeningen te maken.



6.7.
Vanwege het voorgaande gaat het hof voorbij aan de betwisting van [appellant] van het rapport van De Ingenieursgroep. Het hof acht de conclusies in dat rapport navolgbaar en neemt die over. Aldus stelt het hof onder meer vast dat uit de berekening van de bestaande fundering van de woning volgt dat de bestaande palen van de woning onvoldoende draagvermogen hebben om het extra gewicht van de aanbouw te kunnen dragen. Tevens stelt het hof vast dat dit gebrek niet kon worden hersteld door het ongewijzigd behouden van de fundering van de aanbouw, maar dat voor herstel onder meer nodig was dat de funderingsbalken daarvan werden verwijderd en twee extra buispalen onder de zijbalken werden aangebracht.



6.8.
Deze conclusie ten aanzien van de uit te voeren herstelwerkzaamheden wordt mede gedragen door het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie, dat in opdracht van [appellant] is opgesteld. Dit Bureau hield immers nog een slag om de arm of algehele sloop en herbouw van de aanbouw nodig waren. Met het rapport van De Ingenieursgroep zijn de daarvoor volgens dat Bureau vereiste controleberekeningen van de funderingsconstructie beschikbaar gekomen. [appellant] heeft niet betwist dat aldus inmiddels ook uit het rapport van dat Bureau volgt dat de herstelwerkzaamheden erop neerkomen dat de aanbouw volledig moest worden gesloopt en opnieuw opgebouwd. Hieraan doet niet af dat uit dit rapport zou blijken dat niet is bewezen dat de fundering niet sterk genoeg zou zijn, omdat geen tekenen van scheuren of verzakkingen in de fundering of de aanbouw zijn waargenomen, zoals door [appellant] is opgemerkt. Het gaat erom dat uit de berekening van de constructieve veiligheid van de fundering is gebleken dat de fundering van de aanbouw niet deugt. De overige betwisting van [appellant] van het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie is niet ter zake doende, omdat die geen betrekking heeft op de constructieve veiligheid van de fundering zelf, zodat het hof daaraan voorbijgaat.



6.9.

[appellant] heeft zich beroepen op artikel 7:760 lid 2 BW en aangevoerd dat een aantal gebreken het gevolg zijn van wensen en/of keuzes van [geïntimeerden] . zelf, zodat hij niet aansprakelijk is voor gebreken die het gevolg zijn van die keuzes. Dit verweer slaagt niet. De meeste van de door [appellant] gestelde keuzes van [geïntimeerden] . hebben geen betrekking op de fundering van de aanbouw en kunnen daarom onbesproken blijven. Voor zover [geïntimeerden] . de wens zouden hebben geuit om zo kostenefficiënt mogelijk te willen bouwen, zoals [appellant] heeft gesteld en [geïntimeerden] . hebben betwist, ontslaat dit [appellant] niet van zijn verplichting en verantwoordelijkheid om de aanbouw te voorzien van een adequate fundering. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerden] . geen constructieberekeningen vooraf wilden laten maken omdat zij dat te duur vonden, hetgeen zij hebben betwist, passeert het hof ook. [appellant] heeft ter zitting gezegd dat de door hem gerealiseerde fundering van de aanbouw adequaat was en dat hij niet heeft gewaarschuwd voor risico’s van het werken zonder constructieberekening. [appellant] was blijkbaar overtuigd van zijn eigen inzichten over de deugdelijkheid van het door hem verrichte werk en zag geen risico’s van het werken zonder constructieberekening. Daaruit volgt dat constructieberekeningen volgens [appellant] niet nodig waren. Het maakt dan geen verschil of [geïntimeerden] . vooraf geen constructieberekeningen wilden laten maken, zodat het hof aan die stelling van [appellant] voorbijgaat. Moet uit de stelling van [appellant] worden afgeleid dat die constructieberekeningen volgens hem wel nodig waren, maar door [geïntimeerden] . niet werden gewenst, dan had hij hen op grond van artikel 7:754 lid 1 BW moeten waarschuwen voor de risico’s van het werken zonder constructieberekening. Vaststaat dat hij dat niet heeft gedaan, zodat de gevolgen van het werken zonder die berekening niet voor rekening van [geïntimeerden] . komen, maar voor zijn rekening blijven (artikel 7:760 lid 2 BW).



6.10.
De conclusie van het voorgaande is dat sprake is van een ernstige tekortkoming van [appellant] onder de overeenkomst tussen partijen doordat hij een zodanig inadequate fundering onder de aanbouw heeft aangebracht, dat volledige sloop en herbouw van die aanbouw noodzakelijk waren. Vanwege deze conclusie behoeven de overige gestelde tekortkomingen ten aanzien van de aanbouw, zoals onvoldoende vloerisolatie, het ontbreken van een vloerrandsponning, ondeugdelijk aangebrachte dampfolie in de wanden, onvoldoende dikke wandisolatie, onvoldoende dakisolatie en ondeugdelijk aangebrachte dakbedekking, geen verdere bespreking.


Andere tekortkomingen van [appellant]




6.11.

[geïntimeerden] . hebben specifiek gesteld dat [appellant] op 17 juni 2024 een aantal gebreken heeft hersteld, maar dat hij de overige (door [bedrijf 1] ) geconstateerde punten (zie 3.9) (toen) niet heeft hersteld. [appellant] heeft dit met zijn algemene stelling dat alle gebreken en opleverpunten die niet behoren tot de aanbouw zijn hersteld in juni 2024, onvoldoende gemotiveerd betwist. [appellant] heeft evenmin betwist die gebreken te moeten verhelpen. De conclusie is daarom dat [appellant] ook vanwege de overige geconstateerde punten is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen.



[appellant] is in verzuim




6.12.
Onder meer bij e-mail van 8 juni 2024 hebben [geïntimeerden] . [appellant] in gebreke gesteld. [appellant] heeft daaraan – wat de hiervoor besproken tekortkomingen betreft – geen gehoor gegeven, zodat zijn verzuim is ingetreden.


Overige verweren van [appellant]




6.13.
Het hof passeert de overige verweren van [appellant] tegen het bestaan van een tekortkoming of het intreden van het verzuim. Voor zover [appellant] heeft bedoeld een opschortingsverweer te voeren met zijn stelling dat hij geen werkzaamheden meer heeft verricht mede omdat [geïntimeerden] . de voorwaarde bleven stellen dat hij een geldsom diende te voldoen, heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. Die voorwaarde blijkt niet uit de sommatie van [geïntimeerden] . van 16 augustus 2023 en bovendien heeft [appellant] zich in zijn reactie van 30 augustus 2023 tot nakoming bereid verklaard. De voorwaarde blijkt ook niet uit andere correspondentie, waaronder de sommatie van 8 juni 2024. Evenmin is sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerden] . doordat zij volledige sloop en herbouw van de aanbouw eisten en [appellant] niet in de gelegenheid hebben gesteld zijn eigen herstelplan te bepalen en uit te voeren, zoals hij heeft aangevoerd. [appellant] heeft steeds ontkend dat de fundering van de aanbouw zodanig inadequaat was dat volledige sloop en herbouw van de aanbouw noodzakelijk waren, zodat geen van zijn herstelplannen daarop was gericht. Daarom hoefden [geïntimeerden] . daarmee geen genoegen te nemen en hebben zij daardoor ook geen nakoming door [appellant] verhinderd als bedoeld in artikel 6:58 BW. Voor zover [appellant] herstel aanbood van gebreken die geen verband hielden met de aanbouw, hebben [geïntimeerden] . de nakoming daarvan niet verhinderd. Integendeel. In hun sommatie van 8 juni 2024 hebben zij [appellant] opnieuw in de gelegenheid gesteld die herstelwerkzaamheden uit te voeren. Ook daarna heeft [appellant] deze gebreken niet allemaal hersteld.


Omvang schadevergoeding




6.14.

[appellant] is aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerden] . hebben geleden als gevolg van zijn tekortkomingen. De vraag is wat de omvang van deze schade is, waarbij in dit geval onderscheid dient te worden gemaakt tussen vervangende en aanvullende schadevergoeding.


Vervangende schadevergoeding




6.15.
Op 21 juni 2024 hebben [geïntimeerden] . de verbintenis van [appellant] tot herstel van de tekortkomingen omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Zij hebben recht op vergoeding van de waarde van de uitgebleven herstelmaatregelen.



6.16.

[geïntimeerden] . hebben hun vordering tot vervangende schadevergoeding in verband met de aanbouw begroot op basis van de door hen betaalde herstelkosten aan [bedrijf 2] , Sense Keukens en [bedrijf 3] en de nog te factureren herstelkosten door [bedrijf 2] voor elektrawerk van naar verwachting € 1.700,00, in totaal € 69.410,75. Hun vordering tot vervangende schadevergoeding in verband met de andere tekortkomingen hebben [geïntimeerden] . begroot op een bedrag van € 1.400,00, op basis van de begroting van [bedrijf 1] van de kosten van herstel van de overige geconstateerde punten. Verder hebben [geïntimeerden] . gesteld dat de financiële belasting door onderhavig geschil groot is. Zij hebben aangevoerd onder meer een nieuwe hypotheek te hebben moeten afsluiten. [appellant] heeft de genoemde schadeposten en evenmin het gevorderde schadebedrag concreet en gemotiveerd betwist.



6.17.

[appellant] heeft aangevoerd dat de gevorderde herstelkosten disproportioneel zijn, omdat [geïntimeerden] . niet hebben onderzocht of gedeeltelijk herstel een redelijk alternatief was geweest in plaats van volledige sloop of herbouw. Ook heeft hij aangevoerd dat [geïntimeerden] . met die sloop hebben gehandeld in strijd met hun schadebeperkingsplicht. Daarmee gaat hij echter ten onrechte voorbij aan de vaststelling hiervoor dat volledige sloop en herbouw van de aanbouw noodzakelijk waren. Daarbij komt dat [appellant] ook niet heeft toegelicht hoe gedeeltelijk herstel zou hebben gekund of hoe [geïntimeerden] . anderszins hun schade hadden kunnen beperken. Verder weegt het hof mee dat [geïntimeerden] . bij de herbouw bepaalde materialen hebben hergebruikt en niet is gesteld of gebleken dat zij meer hadden kunnen hergebruiken dan zij hebben gedaan.



6.18.
De stellingen en begrotingen van [geïntimeerden] . vormen naar het oordeel van het hof een voldoende onderbouwing van de omvang van de gevorderde vervangende schadevergoeding. [appellant] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie van [geïntimeerden] . van 21 juni 2024 om de vervangende schadevergoeding te betalen. Het hof zal daarom de veroordeling van [appellant] in het bestreden vonnis tot betaling van de vervangende schadevergoeding, vermeerderd met rente vanaf 7 juli 2024, bekrachtigen.



6.19.
Uit het voorgaande volgt dat grief I faalt.


Aanvullende schadevergoeding




6.20.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW komen voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (bijv. deskundigenonderzoek) en ter verkrijging van voldoening buiten rechte (incassokosten). Grief II bestrijdt de toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten en grief IV komt op tegen de toewijzing van de kosten van de deskundigenonderzoeken. Beide grieven zijn in wezen gebaseerd op het slagen van grief I en delen daarom het lot daarvan. Voor het overige heeft [appellant] deze kosten en de rente daarover niet betwist. Het hof zal daarom de veroordeling van [appellant] in het bestreden vonnis tot betaling van die kosten en rente daarover bekrachtigen.


Slotsom




6.21.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Grief III tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg faalt dus ook. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 4.704,00 (tarief IV, 2 punten)
Totaal € 5.502,00
De gevorderde nakosten worden toewezen zoals hierna vermeld onder de beslissing.






7Beslissing

Het hof:


7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;



7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.502,00;



7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;



7.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, E.J. Bellaart en G.J. Boeve en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
Link naar deze uitspraak