|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2770 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-10-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.350.388/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Afwijzing verzoek tot openstellen tussentijds cassatieberoep. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.388/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/345485 / HA ZA 23-606
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon naar buitenlands recht
SKATTEFORVALTNINGEN,
de douane- en belastingdienst van het Koninkrijk Denemarken,
appellante,
advocaat: mr. G.A. Smit te Amsterdam,
tegen
1
[geïntimeerde],
wonend in de gemeente [plaats],
2. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR [geïntimeerde],
gevestigd in Amsterdam,
3. MF Finance Holding B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
4. All-In Group Holding B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
5. All-In Structured Finance B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
6. Waterline Capital B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
7. All-In Finance Holding B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
8. GSFS Asset Management B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
9. MOA Trading (Dubai) Ltd.,
gevestigd in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
geïntimeerden,
advocaat: mr. J. Hagers te Amsterdam.
Partijen worden hierna SKAT en [geïntimeerde] c.s. genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
Bij arrest van 14 juli 2026 heeft het hof vooropgesteld dat de rechter bij een verzoek om aanhouding waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure (artikel 20 lid 1 Rv en artikel 6 lid 1 EVRM). Het Hof heeft de belangen van SKAT en [geïntimeerde] c.s. tegen elkaar afgewogen en – kort gezegd – geoordeeld dat op dat moment onvoldoende aanleiding bestond voor aanhouding van de incidenten en de hoofdzaak en het hof heeft daarom de incidentele vordering van [geïntimeerde] c.s. tot aanhouding alsnog afgewezen. Bij brief van 13 augustus 2026 hebben [geïntimeerde] c.s. het hof verzocht te bepalen dat tegen het arrest van 14 juli 2026 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld. Bij brief van 28 augustus 2026 heeft SKAT verzocht het verzoek van [geïntimeerde] c.s. af te wijzen.
2De beoordeling
Het hof wijst het verzoek van [geïntimeerde] c.s. af. Het uitgangspunt is dat van tussenuitspraken waarbij geen voorlopige voorziening wordt getroffen, geen tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders bepaalt (artikel 401a Rv). Het hof ziet in de door [geïntimeerde] c.s. aangevoerde omstandigheden onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het openstellen van tussentijds beroep in cassatie leidt in dit geval, mede gelet op de aard en inhoud van de incidentele vordering, eens te meer tot onredelijke vertraging van de procedure. Het argument dat de gevolgen van toewijzing van de incidentele vordering tot inzage zeer verstrekkend en onomkeerbaar kunnen zijn, rechtvaardigt geen uitzondering op het hiervoor genoemde uitgangspunt. Daarbij is van belang dat artikel 843a Rv (oud) de mogelijkheid biedt dat [geïntimeerde] c.s. de verstrekkende en onomkeerbare gevolgen aanvoeren zowel als verweer strekkende tot afwijzing van de vordering als met het oog op de voorwaarden die zijn te stellen aan toewijzing van de vordering.
3De beslissing
Het hof:
bepaalt dat tegen het in deze zaak gewezen arrest van 14 juli 2026 geen tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, Y. Steeg-Tijms en M. Ferrier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|