Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2778 
 
Datum uitspraak:29-09-2026
Datum gepubliceerd:02-11-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.322.162/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Aansprakelijkheidsrecht. Gestelde schade als gevolg van bespuiting met herbiciden. Art. 6:162 BW (onrechtmatige daad), art. 6:175 BW (gevaarlijke stoffen en art. 6:178 onder f BW. Na bewijsopdracht en bewijslevering volgt afwijzing vordering. Er is geen bewijs geleverd van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat zich een bijzonder gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW heeft verwezenlijkt dan wel dat de gestelde gewasschade is ontstaan als gevolg van een fout aan de zijde van de wederpartij. Vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2024:2999.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
belastingrecht
gewassen
perceel
suikerbieten
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.322.162/01

zaaknummer / rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/324954 / HA ZA 22-112


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026


in de zaak van




1 [appellant 1] .,
gevestigd te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,

2. [appellant 2],
wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,

3. [appellant 3],
wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,

4. [appellant 4],
wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. E.H. [naam 4] te Leiden,

tegen



[geïntimeerde]
,
wonend te [plaats 3] , gemeente [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. [naam 3] te Middelharnis.


Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd. Appellanten worden hierna afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] genoemd.





1De zaak in het kort

Op 20 mei 2021 heeft [appellant 3] in de uitoefening van het bedrijf van [appellant 1] suikerbieten met herbiciden bespoten. [geïntimeerde] stelt dat deze herbicidebehandeling schade heeft veroorzaakt aan zijn gewassen die hij op het naastgelegen perceel teelt. [geïntimeerde] houdt [appellanten] aansprakelijk voor de gevolgen van de bespuiting en vordert schadevergoeding. [appellanten] betwisten dat zij aansprakelijk zijn voor de gevorderde schade.
Het hof is in een tussenarrest van 29 oktober 2024 tot het oordeel gekomen dat het bewijs dat zich een bijzonder gevaar voor personen of zaken zoals bedoeld in artikel 6:175 BW heeft verwezenlijkt, dan wel dat hinder of verontreiniging is toegebracht in een mate of op een wijze die onrechtmatig is, vooralsnog niet is geleverd. [geïntimeerde] is tot bewijslevering toegelaten, in het bijzonder van zijn stelling dat de spuitwerkzaamheden in de ochtend van 20 mei 2021 zijn voortgezet tot 9:25 uur terwijl de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt. In dit eindarrest oordeelt het hof dat het benodigde bewijs door [geïntimeerde] niet is geleverd en dat zijn vorderingen daarom alsnog moeten worden afgewezen.





2Het verdere verloop van het geding in hoger beroep


2.1.
Op 29 oktober 2024 is in deze zaak een tussenarrest gewezen. Voor het procesverloop tot aan deze datum wordt verwezen naar het tussenarrest. Bij het tussenarrest is [geïntimeerde] toegelaten tot bewijslevering.



2.2.

[geïntimeerde] heeft op 6 mei 2025 vier getuigen laten horen en vervolgens zijn op 12 augustus 2025 drie door [appellanten] opgeroepen getuigen gehoord. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt. Ter gelegenheid van het eerste getuigenverhoor zijn aan de zijde van [geïntimeerde] producties in het geding gebracht. Voorafgaand aan het laatstgenoemde getuigenverhoor is door [appellanten] een akte ten behoeve van de contra-enquête in het geding gebracht, met producties.
Na de sluiting van de getuigenverhoren hebben [appellanten] een memorie na enquêtes genomen, met producties en [geïntimeerde] een antwoordmemorie, met een productie.

Aan partijen is onder opgave van de reden daarvoor meegedeeld dat in een andere combinatie uitspraak zal worden gedaan dan die het tussenarrest heeft gewezen, namelijk dat de plaats van mr. A.L.M. Keirse is overgenomen door mr. J.F. Aalders.

Vervolgens is arrest gevraagd.

Bij rolbeslissing van 9 april 2026 is geconstateerd dat [appellanten] nog niet de gelegenheid hadden gekregen om op een aantal producties van de zijde van [geïntimeerde] te reageren. Die mogelijkheid is bij die rolbeslissing alsnog gegeven. [appellanten] hebben vervolgens een akte genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.






3Beoordeling


3.1.
Het gaat in deze zaak over de schade die [geïntimeerde] heeft geconstateerd aan zijn gewassen. Deze schade is volgens hem veroorzaakt door de op 20 mei 2021 door [appellant 3] uitgevoerde bespuitingen met herbiciden. [geïntimeerde] vordert in deze procedure onder meer schadevergoeding van [appellanten] voor een bedrag van € 40.806,87 in hoofdsom. Deze vordering ziet op de schade die in de Penstemon van [geïntimeerde] is ontstaan. De rechtbank heeft het gevorderde bedrag aan schadevergoeding toegewezen. [appellanten] zijn tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen. Zij vinden dat zij niet aansprakelijk zijn voor de ontstane schade.


Juridisch kader




3.2.
In het tussenarrest is het juridisch kader weergegeven aan de hand waarvan het hof de vordering van [geïntimeerde] beoordeelt. De vordering heeft [geïntimeerde] gebaseerd op twee grondslagen: artikel 6:175 BW dat de aansprakelijkheid regelt voor gevaarlijke stoffen en artikel 6:162 BW dat ziet op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.



3.3.
Artikel 6:175 BW bepaalt dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Deze aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen is een vorm van risicoaansprakelijkheid, maar is niet onbegrensd. Van belang is dat artikel 6:178 onder f BW bepaalt dat geen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:175 BW bestaat voor hinder, verontreiniging of andere gevolgen, ter zake waarvan aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad zou hebben ontbroken, zo zij door de aangesprokene bewust zouden zijn veroorzaakt.


3.4.
Voor de toewijsbaarheid van gevorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad is nodig dat komt vast te staan dat de schade is veroorzaakt door een aan [appellanten] toerekenbare onrechtmatige gedraging (fout).



3.5.
In het tussenarrest is ten aanzien van het toepasselijke juridische kader verder verwezen naar artikel 2a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Op grond daarvan is eenieder verplicht op zorgvuldige wijze om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen. De van [appellanten] te vergen zorgvuldigheid houdt onder meer in dat zij alle maatregelen hadden moeten nemen die redelijkerwijs van hen gevergd konden worden om te voorkomen dat gevaar ontstond voor de gewassen van [geïntimeerde] . Uit het destijds van kracht zijnde artikel 3.83 van het Activiteitenbesluit milieubeheer volgt dat bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde een verbod geldt ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.



3.6.
Uitgangspunt is dat [geïntimeerde] de bewijslast draagt van zijn stelling dat een bijzonder gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW zich heeft verwezenlijkt, dan wel dat de schade is ontstaan als gevolg van toerekenbaar onrechtmatig handelen aan de zijde van [appellanten] Het risico dat onbewezen blijft waardoor de schade aan de gewassen van [geïntimeerde] is ontstaan, rust daarmee in beginsel op [geïntimeerde] .


Feitelijk kader




3.7.
In het tussenarrest heeft het hof een aantal feitelijke uitgangspunten vastgesteld die voor de beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van belang zijn:
- de percelen van [appellant 1] en [geïntimeerde] grenzen aan elkaar. Het perceel van [appellant 1] waarop suikerbieten waren geplant (hierna ook: het bietenperceel) en dat op 20 mei 2021 is bespoten met herbiciden, ligt ten zuidwesten van het perceel van [geïntimeerde] . Het perceel van [geïntimeerde] ligt dus ten noordoosten van het perceel van [appellant 1] (rov. 3.1);
- het door [geïntimeerde] gestelde overwaaien van de herbiciden van het perceel van [appellant 1] naar zijn perceel moet zijn gebeurd tijdens of direct na het spuiten in de ochtend van 20 mei 2021 (rov. 5.7);
- de gemiddelde windsnelheid in de ochtend van 20 mei 2021 is tot 10:00 uur niet hoger geweest dan 3,1 meter per seconde en de maximale snelheid van de windstoten waren tot dat tijdstip niet hoger dan 5 meter per seconde (rov. 5.9);
- de windrichting was om 7:45, 8:00, 8:15 en 8:30 uur noordwest, om 8:45 en 9:00 uur westnoordwest en om 9:15 en 9:30 uur west (rov. 5.9).



3.8.
In het tussenarrest heeft het hof voorshands aangenomen dat:
- de spuitwerkzaamheden op 20 mei 2021 hebben plaatsgevonden van 7:45 tot 8:15 uur (rov. 5.8), toen de wind niet vanaf het perceel van [appellant 1] naar het perceel van [geïntimeerde] waaide (rov. 5.9);
- uit het enkele feit dat in de op 3 juni 2021 genomen monsters van de gewassen van [geïntimeerde] de vastgestelde concentraties herbiciden zijn aangetroffen, nog niet voortvloeit dat deze gewassen op 20 mei 2021 door de herbiciden van [appellanten] zijn getroffen in een mate die schadelijk is (rov. 5.12);
- niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de conclusies zoals neergelegd in het rapport van [naam 1] (rov. 5.13).


Bewijsopdracht




3.9.
Op grond van de informatie die ter beschikking stond na de mondelinge behandeling in hoger beroep, is het hof uitgegaan van de juistheid van het door [appellanten] genoemde tijdsbestek waarbinnen de bespuitingen hebben plaatsgevonden. Verder heeft het hof in het tussenarrest op grond van de vooralsnog vastgestelde feiten en omstandigheden geconcludeerd dat geen aansprakelijkheid van [appellanten] kan worden aangenomen.
Het standpunt dat [geïntimeerde] in de processtukken inneemt en aan zijn vorderingen ten grondslag legt, is dat het bietenperceel niet tussen 7:45 tot 8:15 uur is bespoten, zoals [appellanten] aanvoeren, maar tussen 8:15 en 9:25 uur toen de wind steeds verder naar het perceel van [geïntimeerde] was toegedraaid en in kracht was toegenomen. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] onder meer gesteld dat hij van zijn constatering dat [appellant 3] om 9:15 uur bespuitingen uitvoerde een aantekening in zijn agenda heeft gemaakt. [geïntimeerde] is in het tussenarrest toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [appellant 3] zijn spuitwerkzaamheden in de ochtend van 20 mei 2021 voortzette tot 9:25 uur terwijl de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de door [appellanten] gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt.


Tijdstip bespuitingen




3.10.

[appellant 3] heeft als getuige verklaard dat hij op 20 mei 2021 om 7:30 uur is begonnen met spuiten van het bietenperceel. Het perceel dat bespoten moest worden ligt op ongeveer twee kilometer rijden vanaf de boerderij aan [straat] . Hij deed er hooguit vijf minuten over om daar te komen. De bespuitingen zijn met een snelheid van 6 tot 8 kilometer per uur uitgevoerd en hij was om 8:15 uur daarmee klaar. Hij heeft verder als getuige verklaard:

“Nadat ik een bespuiting heb uitgevoerd voer ik in het computersysteem het tijdstip in waarop ik klaar ben met de bespuiting. Dat systeem heeft Isagri. Mijn bedrijf is gecertificeerd en door het KIWA worden regelmatig controles uitgevoerd. Ik moet van KIWA de tijd noteren wanneer ik klaar ben met een bespuiting. Het weerstation stuurt automatisch de weersgegevens naar een centrale computer. Die gegevens kan ik zelf niet aanpassen of invoeren. Aan de hand van het tijdstip dat ik heb ingevoerd kan gecontroleerd worden wanneer ik gespoten heb. Aan de hand van mijn mobiele telefoon kan ik verschillende tabbladen achtereenvolgens oproepen, maar op mijn PC kan ik grotere overzichten op het scherm krijgen. Daarin kan je zien welke middelen ik heb gebruikt, welke machine, welk perceel en per datum welk tijdstip ik heb ingevoerd waarop de werkzaamheden waren afgerond. Op de overzichten is niet een directe koppeling gemaakt met de weergegevens, maar die kan ik via het systeem opvragen, omdat elke 15 minuten de weersgegevens van mijn weerstation worden gelogd.”



3.11.
Bij de akte ten behoeve van de contra-enquête hebben [appellanten] een verklaring van 23 juni 2026 overgelegd van KIWA waarin is vermeld dat bij [appellant 1] op 14 september 2021 een (jaarlijkse) audit is uitgevoerd en dat daaruit is gebleken dat [appellant 1] voldeed aan de eisen die op grond van de certificering als teler daaraan gesteld worden. In deze verklaring staat onder meer:

“Met name tijdens de audit bij [appellant 1] op 14-09-2021 is vastgesteld dat de teler voldeed aan alle Major eisen van hoofdstuk CB 7 Gewasbescherming van de norm GLOBAL.A.P. IFA v5.2 Alle Agrarische Bedrijven-Plantaardige Productie-Groenten en Fruit. Met name werd voldaan aan eis CB 7.3.1 die betrekking heeft op de datum en eindtijd van de toepassing. De auditor heeft gecontroleerd of de eindtijd is genoteerd en heeft deze eis als conform beschouwd. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de heer [appellant 1] de eindtijd van de toepassing heeft genoteerd.”



3.12.

[appellant 4] - [naam 2] heeft als getuige verklaard dat zij [appellant 3] op 20 mei 2021 om iets na 7:00 uur bij de boerderij aan [straat] zag komen aanrijden met de spuitwagen. Hij reed om 7:30 uur weg naar het bietenperceel om te gaan spuiten. Om 8:20 uur bracht zij de kinderen naar school en heeft zij gezien dat [appellant 3] toen al terug was van deze spuitwerkzaamheden.



3.13.

[appellanten] hebben voorafgaand aan het tegenverhoor foto’s overgelegd van de spuitwagen. Verder hebben zij als productie 30 schema’s over het circulatieschema van de spuitwagen overgelegd. [appellant 3] heeft als getuige over de werking en het uiterlijk van de spuitwagen verklaard:

“De spuitwagen is voorzien van een zogenaamd ringleidingensysteem. Dat betekent dat het water met de te bespuiten middelen in het leidingensysteem wordt rondgepompt. Dit systeem heeft als voordeel dat de leidingen niet hoeven te worden doorgespoten. Normaal gesproken zou de vloeistof in de machine naar het einde van de spuitboom getransporteerd moeten worden, dat hoeft bij dit systeem niet.
(…)
U houdt mij productie 29 voor die ter gelegenheid van dit verhoor is toegestuurd. Op deze foto’s is de veldspuit te zien die ik bij de bespuitingen heb gebruikt. Het is een wagen die overwegend rood is met witte onderdelen.”



3.14.

[geïntimeerde] heeft als getuige als volgt verklaard over het tijdstip waarop de bespuitingen plaatsvonden:

“Op de ochtend van 20 mei 2021 ben ik rond kwart voor 8 begonnen met het spuiten van mijn kruipaden tussen de Penstemon. Ik heb die paden bespoten met het middel Quickdown, dat is een middel om onkruid te doden, een zogenaamd brand middel. Ik was ongeveer om kwart over 8 daarmee klaar. Vervolgens ging ik elders in mijn veld de erwten aanbinden omdat er harde wind was voorspeld voor die dag. Het veld was die ochtend kletsnat. Rond kwart voor 8 zag ik mijn buurman [appellant 3] met zijn spuitwagen het perceel naast mij oprijden. [appellant 1] spoelde eerst zijn spuitarmen door. Vervolgens heeft hij zijn perceel in de gebruikelijke volgorde bespoten. Dan komt hij als laatste langs mijn perceel om te spuiten. (…) [appellant 1] was om ongeveer kwart over negen klaar met zijn spuitwerkzaamheden. Hij passeerde mij rond kwart over negen en toen moest hij de laatste 400 meter nog doen.
(…)
Op de vragen van mr. [naam 3] antwoord ik het volgende:

U houdt mij productie 9 van de wederpartij in eerste aanleg voor. Het is een foto van een aantekening uit het systeem van [appellant 1] met de tijd 8:15. volgens mij betreft dit de aanvangstijd die ik zelf heb geconstateerd toen hij de bespuiting is begonnen. Andere gegevens of uitdraaien uit het systeem heeft hij niet verstrekt, maar volgens mij zou dat wel mogelijk moeten zijn.
(…)
Op de vragen van mr. [naam 4] antwoord ik:

U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat [appellant 1] om kwart voor 8 is begonnen met zijn spuitwerkzaamheden. Ik heb dat ten onrechte verklaard. Om kwart voor 8 was ik zelf begonnen met mijn werkzaamheden op mijn perceel. Mijn verklaring is dat [appellant 1] om 8:15 uur is begonnen met zijn spuitwerkzaamheden op het bietenperceel.
(…)
Op een aanvullende vraag op raadsheer-commissaris verklaar ik het volgende:

U houdt mij voor dat in het tussenarrest staat dat volgens mij de spuitwerkzaamheden van [appellant 1] plaatsvonden tussen 8:15 uur en 9:25 uur. Ik herhaal nu mijn eerder gegeven antwoord dat ik [appellant 1] om 9:15 uur langs mijn perceel zag rijden en dat hij daarna nog 400 meter moest spuiten. Van dat tijdstip van 9:15 uur heb ik later een notitie gemaakt.”



3.15.

[geïntimeerde] heeft over het bezoek van een collega, [naam 5] , verklaard:

“Tegen half 10 kwam een collega kweker [naam 5] bij mij op bezoek. Met hem heb ik over het terrein gelopen om de planten te bekijken. We hebben het toen ook over de bespuiting gehad op het naastgelegen perceel, dat had hij gezien.”



3.16.

[naam 5] heeft als getuige verklaard:

“Ik was ergens tussen 9:15 uur en 9:30 uur bij hem ( [geïntimeerde] , hof) aangekomen. Ik reed op de weg richting het bedrijf van de heer [geïntimeerde] . Op een perceel links van de weg zag ik een spuitwagen rijden. Dat perceel werd door deze spuitwagen bespoten. Ik wist niet precies waar het bedrijf van [geïntimeerde] zat en ben er voorbij gereden. Op het moment dat ik het bedrijf van [geïntimeerde] voorbij reed, zag ik bloemen en planten en toen realiseerde ik me dat dit het bedrijf van [geïntimeerde] moest zijn. Ik heb mijn auto vervolgens gekeerd en ben teruggereden naar het bedrijf van [geïntimeerde] . Op dat moment was de spuitwagen weg. Ik heb [geïntimeerde] toen ontmoet. Hij was geagiteerd omdat zijn buurman bespuitingen had uitgevoerd, terwijl er volgens hem teveel wind stond. Ik vond ook dat er teveel wind stond om te spuiten. Ik vond het een pittige wind waarbij naar mijn inschatting geen spuitwerkzaamheden zouden moeten worden uitgevoerd. De wind stond haaks, of vrijwel haaks, op het perceel van [geïntimeerde] . De wind waaide naar het perceel van [geïntimeerde] toe.

Toen ik bij [geïntimeerde] in de koffieruimte was heeft [geïntimeerde] een aantekening gemaakt van het tijdstip waarop deze bespuiting heeft plaatsgevonden en dat was tussen 9:15 uur en 9:30 uur op deze dag.
(…)
De spuitwagen die ik heb gezien was volgens mij wit en geel en volgens mij ook rood. Ik was niet op zoek naar een landbouwspuit, maar naar het bedrijf van [geïntimeerde] , dus ik kan niet heel nauwkeurig verklaren over het uiterlijk van de spuitwagen.”



3.17.
Het hof overweegt het volgende. Bij de vaststelling in het tussenarrest van het tijdstip waarop de spuitwerkzaamheden op 20 mei 2021 hebben plaatsgevonden, is gewicht toegekend aan de overgelegde screenshot uit het spuitregistratiesysteem afkomstig uit de telefoon van [appellant 3] . Bij memories na enquête hebben [appellanten] in aanvulling daarop een screenshot overgelegd uit het registratieprogramma. Op deze stukken staat het tijdstip van 8:15 uur dat [appellant 3] naar zijn zeggen op die dag in het systeem heeft ingevoerd als het moment waarop de spuitwerkzaamheden waren uitgevoerd. Het hof heeft in het tussenarrest overwogen vooralsnog geen reden te zien om aan te nemen dat [appellanten] als gecertificeerd bedrijf, dat moet voldoen aan bepaalde registratienormen, op dit punt onjuiste informatie zou hebben verschaft. Met de overgelegde verklaring van KIWA is thans bevestigd dat een gecertificeerd teler de eindtijd van de bespuiting moet registreren. KIWA heeft daarbij verklaard dat de auditor heeft gecontroleerd of de eindtijd is genoteerd en deze heeft geconcludeerd dat [appellant 3] de eindtijd van de toepassing heeft genoteerd.Als getuige heeft [appellant 3] bevestigd dat hij de desbetreffende ochtend om 8:15 uur klaar was met de bespuiting van het bietenperceel en dat hij dit tijdstip vervolgens in het systeem heeft ingevoerd. Het door [appellant 3] genoemde tijdstip strookt met de verklaring van getuige [appellant 1] - [naam 2] , die heeft verklaard te hebben gezien dat [appellant 3] om 8:20 uur terug was van de bespuiting van het perceel.
Op grond van de onvoldoende bestreden verklaring van [appellant 3] en de overgelegde foto’s en schema’s moet worden aangenomen dat de spuitwagen van [appellanten] overwegend rood is met witte onderdelen en dat deze een circulatiesysteem heeft en daarom niet wordt doorgespoten.



3.18.
De getuigenverklaring van [geïntimeerde] vormt op zichzelf een bevestiging van zijn stelling dat [appellant 3] zijn spuitwerkzaamheden in de ochtend van 20 mei 2021 voortzette tot 9:25 uur. Het hof constateert evenwel dat de getuigenverklaring van [geïntimeerde] ongerijmdheden bevat. [geïntimeerde] heeft aanvankelijk als getuige verklaard dat [appellant 3] om 7:45 uur was begonnen met de spuitwerkzaamheden, maar [geïntimeerde] heeft dat tijdstip naar aanleiding van de hem ter zitting gestelde vragen aangepast in 8:15 uur. Ongerijmd is verder dat [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij zag dat [appellant 1] de spuitarmen van de spuitwagen doorspoelde, terwijl de spuitwagen, zoals hiervoor is vastgesteld, een circulatiesysteem heeft en daarom niet wordt doorgespoten.
Ten aanzien van de eindtijd van de bespuitingen heeft [geïntimeerde] als getuige verklaard dat hij [appellant 3] om 9:15 uur langs zijn perceel zag rijden en dat [appellant 3] daarna nog 400 meter moest spuiten. Dit zou betekenen dat de bespuiting van het bietenperceel in totaal ruim een uur tijd heeft gekost, uitgaande van 8:15 uur als het door [geïntimeerde] laatstgenoemde aanvangstijdstip van de bespuiting. De door [geïntimeerde] gestelde tijdsduur is aanmerkelijk langer dan de tijd die volgens [appellant 3] nodig was om het perceel te kunnen bespuiten. [geïntimeerde] , op wie in dit geval de bewijslast rust, heeft in de memorie na enquête niet gemotiveerd toegelicht hoe het door hem genoemde tijdsverloop is te rijmen met de grootte van het perceel en de onbestreden gebleven snelheid (6-8 km/uur) waarmee [appellant 3] heeft verklaard de bespuiting te hebben uitgevoerd. Dit betekent dat niet van de juistheid van het door [geïntimeerde] gestelde tijdsverloop kan worden uitgegaan.



3.19.
Het hof is van oordeel dat naast de door [geïntimeerde] als getuige afgelegde verklaring geen aanvullende bewijskracht toekomt aan de door hem gemaakte notitie in zijn agenda. Anders dan bij de registratie in het spuitregistratiesysteem het geval is, kan het tijdstip van het opmaken van deze notitie niet (onafhankelijk) worden geverifieerd. Het gaat daarom om niet méér dan de verklaring van [geïntimeerde] dat hij heeft geconstateerd dat [appellant 3] om 9:15 uur bespuitingen uitvoerde en dat hij daarvan een notitie heeft gemaakt in zijn agenda. Aan dit oordeel doet de verklaring van getuige [naam 5] niet af, zoals hierna zal worden toegelicht.



3.20.
Getuige [naam 5] heeft verklaard dat hij ‘ergens tussen 9:15 uur en 9:30 uur’ bij [geïntimeerde] aankwam en dat hij op de weg naar [geïntimeerde] toe ‘links van de weg’ ‘een spuitwagen’ heeft zien rijden. Die spuitwagen was weg toen hij zijn auto had gekeerd en hij was teruggereden naar het bedrijf van [geïntimeerde] . [naam 5] heeft verklaard dat de spuitwagen wit en geel en ook rood was, terwijl de spuitwagen van [appellant 1] overwegend rood is met witte onderdelen (geen geel). De verklaring van [naam 5] is naar het oordeel van het hof ook overigens onvoldoende specifiek om op grond daarvan te kunnen concluderen dat hij de spuitwagen van [appellant 1] heeft zien rijden en ook dat hij heeft gezien dat bespuitingen werden uitgevoerd op het bietenperceel naast het perceel van [geïntimeerde] . De verklaring van [naam 5] kan daarom niet bijdragen aan het bewijs van de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant 3] zijn spuitwerkzaamheden op het bietenperceel in de ochtend van 20 mei 2021 voortzette tot 9:25 uur. De verklaring van [naam 5] dat hij heeft gezien dat [geïntimeerde] in zijn agenda een tijdstip noteerde waarop volgens [geïntimeerde] bespuitingen werden uitgevoerd, kan op zichzelf genomen niet tot de conclusie leiden dat op 20 mei 2021 tot 9:25 uur bespuitingen door [appellant 3] hebben plaatsgevonden. Er kan immers niet van de juistheid van het door [geïntimeerde] genoemde tijdstip worden uitgegaan, zoals hiervoor is toegelicht. Bovendien strookt het volgens [naam 5] door [geïntimeerde] genoteerde tijdstip (“tussen 9:15 uur en 9:30 uur”) niet met de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte agendanotitie, waarin slechts het tijdstip 9:15 uur is genoteerd. Gelet op al het voorgaande kan verder onbesproken blijven dat [appellanten] twijfels hebben geuit over [naam 5] als getuige, onder meer omdat hij door [geïntimeerde] nooit eerder was gevraagd om een verklaring.



3.21.
Op grond van het voorgaande ziet het hof ten aanzien van het tijdstip waarop de bespuiting heeft plaatsgevonden geen reden om terug te komen van hetgeen in het tussenarrest is overwogen. Het hof neemt als vaststaand aan dat de door [appellant 3] uitgevoerde bespuiting van het bietenperceel om 8:15 uur was afgerond. Tegenover de registratie van dit tijdstip in het spuitregistratiesysteem en de bevestiging van de juistheid daarvan die volgt uit de verklaring van KIWA en de genoemde getuigen, leggen de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en [naam 5] onvoldoende gewicht in de schaal. Daarbij komt dat het door [geïntimeerde] gestelde lange tijdsbestek van 8:15-9:25 uur waarbinnen de bespuiting volgens hem zou hebben plaatsgevonden onvoldoende is toegelicht in het licht van de overige beschikbare gegevens.


Windsnelheid en windrichting




3.22.
In het tussenarrest (rov. 3.4) zijn de meetgegevens weergegeven van het eigen weerstation van [appellant 1] . De windsnelheid is in de ochtend van 20 mei 2021 om 7:45 uur 1.3 meter per seconde en om 8:00 en 8:15 uur 1.8 meter per seconde. De maximum windstoten waren op deze tijdstippen 2.2, 3.1, respectievelijk 3.1 meter per seconde. Verder zijn in rov. 3.5 van het tussenarrest de meetgegevens weergegeven van het weerstation Berkhout van het KNMI. Dat weerstation is gelegen op een afstand van ongeveer 10 km vanaf het bietenperceel. Op 20 mei 2021 om 8:00 uur was volgens het KNMI op de locatie Berkhout de gemiddelde windsnelheid 1 meter per seconde en waren de maximale windstoten 2 meter per seconde. Om 9:00 uur was de windsnelheid gemiddeld 2 meter per seconde en waren de maximale windstoten 4 meter per seconde. De metingen van [appellant 1] om 9:00 uur zijn daarmee in lijn: de windsnelheid is op dat tijdstip gemeten op 2.7 meter per seconde en de maximum windstoten waren toen 4.0 meter per seconde.
Het hof gaat voorbij aan wat [geïntimeerde] en [naam 5] als getuigen over de windkracht en windrichting hebben verklaard, reeds omdat die verklaringen niet zien op het voor de beoordeling relevante tijdstip.



3.23.

[geïntimeerde] heeft zich ter onderbouwing van zijn stellingen ten aanzien van de windsnelheid onder meer gebaseerd op de rapportage van 20 juli 2021 van [naam 1] , werkzaam bij Delphy als adviseur/schadetaxateur in de teeltsector. [naam 1] is via de rechtsbijstandsverzekeraar van [geïntimeerde] ingeschakeld en is door [geïntimeerde] als getuige gehoord. In de rapportage van [naam 1] staat onder meer:

“Bevindingen
Tijdens het bedrijfsbezoek bleek er schade zijn aan de gewassen Penstemon en Sedum. De schade is ontstaan nadat op het naastgelegen perceel door een akkerbouwer een herbicide behandeling heeft plaatsgevonden. Deze bespuiting heeft plaatsgevonden op 20 mei omstreeks 9.15 uur. Op dat moment kwam de wind al behoorlijk opzetten. Door de wind zijn de herbiciden over het perceel van dhr. Konyn gewaaid.”



3.24.
Het hof is in het tussenarrest tot de conclusie gekomen dat niet kan worden uitgegaan van de bevindingen van [naam 1] . De reden daarvoor is dat [naam 1] is uitgegaan van de meetgegevens van het KNMI en deze niet heeft gecorrigeerd van Greenwich Mean Time (GMT) naar lokale tijd, waardoor [naam 1] in zijn expertiserapport is uitgegaan van de windsnelheid van twee uur later dan de lokale tijd. Verder heeft [naam 1] niet onderkend dat het KNMI de windsnelheid weergeeft in tienden van seconden. Daardoor is [naam 1] bij zijn bevinding dat de door [appellant 3] gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] zijn gewaaid, uitgegaan van een windkracht die tienmaal hoger was dan door het KNMI is gemeten. De conclusies van het hof zijn aan [naam 1] als getuige voorgehouden:

“U houdt mij voor dat het hof heeft vastgesteld dat de windsnelheid zoals ik die in mijn rapportage heb opgenomen een factor 10 te hoog is. Dat was mij bekend in ieder geval bij de zitting in eerste aanleg die ik heb bijgewoond. Ik hoor nu voor het eerst dat de tijd in de tabel met windsnelheden van het KNMI moet worden omgerekend naar de plaatselijke tijd en dat ik dat in mijn rapportage niet heb gedaan.”



3.25.
Het hof constateert dat de verklaring van [naam 1] als getuige, dat hij ter gelegenheid van het getuigenverhoor voor het eerst hoorde dat hij in zijn rapportage ten onrechte niet is uitgegaan van de plaatselijke tijd (dus dat hij de tijd niet heeft omgerekend), moeilijk te plaatsen is tegen de achtergrond van de door [geïntimeerde] als productie 7 overgelegde reactie van [naam 1] van 16 april 2025 op de stukken in hoger beroep. Deze reactie is opgesteld voorafgaand aan de getuigenverhoren en daarin staat dat [naam 1] heeft kennisgenomen van het tussenarrest van het hof van 29 oktober 2024. In het tussenarrest is zijn onjuiste lezing van de tabel van het KNMI aan de orde gekomen.
In de reactie van [naam 1] van 16 april 2025 is echter dezelfde tabel van het KNMI opgenomen als in zijn rapportage van 20 juli 2021. Bij de tabel is eveneens niet vermeld dat het gaat om de meetgegevens tussen 6 en 12 uur in GMT en er staat ten onrechte dat de windsnelheid door het KNMI is gemeten in m/s, in plaats van in 0,1 m/s.

[geïntimeerde] baseert zijn standpunt in de antwoordmemorie na enquête op de bevindingen van [naam 1] zoals die onder meer volgen uit diens reactie van 16 april 2025. [naam 1] volstaat in die reactie echter met het weergeven van een tabel van het KNMI en benoemt niet van welke concrete windsnelheid en windrichting hij nu bij zijn bevindingen is uitgegaan. De reactie van [naam 1] kan gelet op al het voorgaande niet bijdragen aan het van [geïntimeerde] verlangde bewijs. Daarvoor is nodig dat toereikend wordt toegelicht dat de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de door [appellanten] gespoten herbiciden daadwerkelijk op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt. Die uiteenzetting ontbreekt.



3.26.
In het tussenarrest, rov. 5.9, heeft het hof het volgende geconcludeerd ten aanzien van de windrichting:

“ [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat op de door hem overgelegde grafiek met windsnelheden geen windrichtingen waarneembaar zijn. Op de vraag van het hof of dan uit moet worden gegaan van de informatie over de windrichtingen afkomstig van de weerpaal van [appellanten] aan de [straat] heeft (de raadsman van) [geïntimeerde] geantwoord dat dit bij gebrek aan beter wel zal moeten. Ingevolge de meetgegevens afkomstig van de weerpaal aan de [straat] is de windrichting om 7:45. 8:00. 8:15 en 8:30 uur noordwest geweest, om 8:45 en 9:00 uur westnoordwest en om 9:15 en 9:30 uur west. Dit zou betekenen dat de wind tussen 7:45 en 8:l5 uur, de tijdspanne waarin, naar voorshands moet worden aangenomen, de spuitwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, niet vanaf het perceel van de vof naar het perceel van [geïntimeerde] heeft gewaaid.”



3.27.

[geïntimeerde] vraagt in de antwoordmemorie na enquête het hof om terug te komen van dit oordeel. Volgens hem is deze beslissing van het hof gebaseerd op een onjuiste feitelijke en juridische grondslag, zodat daarop teruggekomen dient te worden. Daartoe verwijst hij naar een overgelegd rapport van expertise van [naam 6] van 2 april 2025. [naam 6] heeft in zijn rapportage geconstateerd dat de metingen van 20 mei 2021 om 6:00 uur, 7:00 uur en 8:00 uur van alle weerstations van het KNMI in Nederland in het zuidwestkwadrant liggen van de windroos, ofwel van 180 tot 270 graden. De metingen van [appellant 1] liggen allemaal van west tot noordwest, ofwel van 260 graden tot 325 graden. Volgens [naam 6] kan niet worden uitgegaan van de metingen van [appellant 1] , omdat deze sterk afwijken van die van het KNMI. Ten aanzien van de windsnelheid constateert [naam 6] in zijn rapportage dat de wind beneden de 5.0 meter per seconde is gebleven, zodat naar het oordeel van het hof in elk geval duidelijk is dat de norm van het Activiteitenbesluit Milieubeheer door [appellanten] niet is overschreden.



3.28.
Volgens [appellanten] is er geen grond om terug te komen van de beslissing van het hof, althans heeft [geïntimeerde] niet het bewijs geleverd dat de meetgegevens van [appellanten] niet betrouwbaar zijn. Als getuige heeft [appellant 3] verklaard dat hij het softwaresysteem van zijn weerstation niet kan manipuleren en de ingevoerde gegevens niet kan veranderen. Dit wordt bevestigd door de door [appellanten] overgelegde verklaring van ingenieursbureau Wittich & Visser B.V. waaruit volgt dat het weerstation automatisch meetgegevens opslaat en doorstuurt naar een online platform waar deze worden bewaard. Handmatige aanpassing van opgeslagen gegevens is uitgesloten als het systeem goed is ingesteld en beveiligd. Verder heeft [appellant 1] als getuige verklaard dat hij de oriëntatie van de windvaan van het weerstation met een kompas heeft ingesteld en gecontroleerd.



3.29.
Uitgangspunt voor de beoordeling is dat op vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling [geïntimeerde] zich bij gebreke van andere beschikbare gegevens heeft aangesloten bij de gegevens die afkomstig zijn van de weerpaal van [appellant 1] . Het hof heeft vervolgens in het tussenarrest deze gegevens bij de te nemen beslissingen tot uitgangspunt genomen. De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid heeft een op de beperking van het debat gerichte functie. De rechter kan op een dergelijke beslissing terugkomen indien die blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak wordt gedaan. In zijn beslissing waarbij wordt teruggekomen van een eindbeslissing dient het hof nauwkeurig aan te geven op grond van welke bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar is om vast te houden aan de gebondenheid aan de eerdere eindbeslissing.



3.30.
Het hof overweegt dat [geïntimeerde] geen nieuwe of andere meetgegevens van de situatie ter plaatse in het geding heeft gebracht, maar een vergelijking maakt tussen de meetgegevens van het weerstation van [appellant 1] en die van de weerstations van het KNMI. Daarbij geldt dat het dichtstbijzijnde weerstation van het KNMI op een afstand ligt van ongeveer 10 kilometer van het bietenperceel. De enkele onderlinge afwijking van de meetgegevens is onvoldoende om reeds te kunnen aannemen dat de gegevens die afkomstig zijn van [appellant 1] onjuist zijn. Uit het rapport van Ingenieursbureau Wittich en Visser B.V. van 12 juni 2025 blijkt bovendien dat meteorologisch bekend is dat windrichting, windsnelheid en neerslag kunnen variëren over relatief korte afstanden, bijvoorbeeld enkele kilometers, zeker in gebieden waar lokale invloeden spelen, zoals bebouwing, water, beplanting of reliëf. [appellanten] hebben onweersproken gesteld dat het weerstation Berkhout dicht bij het Markermeer ligt. [geïntimeerde] heeft voorts niet gemotiveerd bestreden dat de van het weerstation van [appellant 1] afkomstige meetgegevens niet gewijzigd of gemanipuleerd kunnen worden. [geïntimeerde] stelt ook niet gemotiveerd dat de windvaan van het weerstation van [appellant 1] verkeerd zou zijn ingesteld. Ook overigens zijn er geen concrete aanwijzingen dat dit het geval is geweest. [geïntimeerde] heeft daarmee geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die het onaanvaardbaar maken om vast te houden aan de gebondenheid aan de eerdere beslissing. Het hof ziet daarom geen reden om van de gegeven beslissing terug te komen. Uitgaande van de meetgegevens van [appellanten] en het eerder in dit arrest vastgestelde tijdstip van de bespuiting, heeft de wind gedurende de bespuiting niet vanaf het bietenperceel richting het perceel van [geïntimeerde] gewaaid. Dat leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de door [appellanten] gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt.



3.31.
Als zou worden uitgegaan van de meetgegevens van het KNMI zou dat naar het oordeel van het hof overigens niet tot een andere conclusie leiden. De omstandigheden die het hof tot dat oordeel hebben gebracht, zullen hierna worden besproken.


Driftreductie



3.32.
Uitgaande van de meetgegevens van het KNMI bij de locatie Berkhout was de windsnelheid om 8:00 uur en 9:00 uur 1 meter per seconde, respectievelijk 2 meter per seconde. De maximale windstoten waren 2, respectievelijk 4 meter per seconde. De wind waaide in het gehele tijdvak niet rechtstreeks (onder een rechte hoek) van het perceel van [appellanten] naar het perceel van [geïntimeerde] . Uitgaande van een windrichting van 260 graden waaide de wind onder een schuine hoek richting het perceel van [geïntimeerde] .



3.33.

[appellanten] hebben aan de hand van overgelegde stukken en onder verwijzing naar de getuigenverklaring van [naam 8] , de teeltadviseur van [appellant 1] , toegelicht dat de gebruikte spuitwagen technieken toepast die leiden tot een driftreductie van 97,5%. Verder hebben [appellanten] onder verwijzing naar een overgelegde verklaring van [naam 7] van Alliance B.V. aangevoerd dat de spuitvloeistof gezien de gebruikte middelen en dosering niet gevoelig was voor dampdrift of verwaaiing, omdat daarbij een minerale olie wordt gebruikt om de mix plakkerig te maken voor contact met onkruiden. [geïntimeerde] heeft dit niet, althans niet voldoende bestreden, zodat ervan wordt uitgegaan dat bij de bespuiting door [appellanten] technieken zijn toegepast om het verwaaien van de spuitvloeistof verregaand tegen te gaan. [geïntimeerde] heeft niet concreet toegelicht hoe en in welke mate desondanks spuitvloeistof over de gehele lengte en breedte (van 80 meter) van zijn perceel is gewaaid uitgaande van de hiervoor genoemde windsnelheid en windrichting. Bij gebreke van die toelichting kan de door hem gestelde causaliteit tussen de bespuiting en de gewasschade niet worden aangenomen.


Aangetroffen concentraties



3.34.
In het tussenarrest (rov. 5.11) is vastgesteld dat volgens Groen Agro Control (GAC) de aangetroffen concentraties in de genomen bladmonsters erg laag zijn en dat de meetonzekerheid hoog is. [appellanten] hebben in dat verband betwist dat dergelijke erg lage concentraties herbiciden (onder de kritieke grens) tot de aangetroffen gewasschade kunnen leiden. In het tussenarrest is onder ogen gezien dat het tijdsverloop van invloed is geweest op de aangetroffen concentraties en ook op de opname van de desbetreffende stof door de bladeren in het monster. Het overwaaien van de herbiciden zou in de ochtend van 20 mei 2021 moeten zijn geschied, terwijl de monsters op 3 juni 2021 zijn genomen.



3.35.
In het tussenarrest is [geïntimeerde] voorgehouden dat hij niet heeft gesteld, noch toegelicht welke invloed het tijdsverloop van zo’n 15 dagen precies op de hoogte van de aangetroffen concentraties zou hebben gehad en dat hij niet is ingegaan op de onderbouwde stelling van [appellanten] dat onkruidbestrijdingsmiddelen overal in de natuur voorkomen, dat er ook andere bestrijdingsmiddelen in de gewassen van [geïntimeerde] zijn aangetroffen dan die door [appellanten] zijn gebruikt en dat het aan [geïntimeerde] is om toe te lichten dat de schade aan de Penstemon daadwerkelijk is veroorzaakt door de herbiciden die [appellanten] hebben gebruikt.



3.36.

[geïntimeerde] verwijst in de antwoordmemorie na enquête naar de bevindingen van [naam 1] . Deze schrijft dat de gehaltes van werkzame stoffen door verloop van tijd afnemen in het blad. De snelheid waarmee dat gebeurt, is afhankelijk van verschillende factoren en is daarom niet exact aan te geven. Volgens [naam 1] is van herbiciden bekend dat deze al in lage concentraties tot schade kunnen leiden in daarvoor gevoelige gewassen. Het feit dat de werkzame stof in het blad is aangetroffen is hiermee al voldoende voor schade. Bij hoge aangetroffen concentraties zou het gewas direct compleet zijn afgestorven, aldus [naam 1] .



3.37.
Het hof constateert dat het betoog van [naam 1] te algemeen is en dat op grond van de bevindingen van [naam 1] ten aanzien van de afbraaktijd niet kan worden vastgesteld of door de bespuiting door [appellant 3] in de ochtend van 20 mei 2021 herbiciden op het gewas van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen. Uit het betoog van [naam 1] volgt verder niet voldoende dat de aangetroffen, erg lage, concentraties herbiciden (onder de kritieke grens) tot de aangetroffen gewasschade hebben kunnen leiden, zodat het bewijs van die stelling niet is geleverd. Hetgeen [geïntimeerde] daartoe voorafgaand aan het tussenarrest had aangevoerd, volstaat daartoe ook niet, zoals hiervoor is toegelicht en uit het tussenarrest volgt.


Schadebeeld



3.38.
In het tussenarrest (rov 5.12) is aan de orde gekomen dat volgens [appellanten] het aangetroffen schadepatroon niet overeenkomt met het patroon van spuitschade door het spuiten door [appellant 1] . Het perceel van [geïntimeerde] liet een gelijkmatig verdeeld schadebeeld zien en ook op 80 meter afstand van het perceel waarop [appellant 3] de spuitwerkzaamheden verrichtte, is schade aan de Penstemon geconstateerd.



3.39.
Onder verwijzing naar de verklaring van [naam 1] heeft [geïntimeerde] gesteld dat het schadebeeld ‘wel degelijk’ niet egaal was, omdat de brandnetelschade aan de slootkant alleen aanwezig is aan de zijde waar de wind op kwam. Als getuige heeft [naam 1] verklaard dat hij geen egaal schadebeeld heeft vastgesteld, omdat de schade vanaf het perceel van [appellant 1] in intensiteit afnam.



3.40.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld tegenover de betwisting van [appellanten] Het gaat er bij het betoog van [appellanten] niet zozeer om of de schade al dan niet minder werd naarmate de planten van [geïntimeerde] verder van de suikerbieten afstonden, anders dan [geïntimeerde] mogelijk meent. [appellanten] hebben gemotiveerd aangevoerd dat bij spuitschade als gevolg van overwaaien van spuitvloeistof (driftschade) in de beplanting een onregelmatig vlekkerig of vlammend patroon te zien is, omdat verwaaide vloeistof met de wind meebeweegt. [geïntimeerde] heeft dit patroon bij driftschade onvoldoende weersproken. Dit patroon was niet aanwezig in de Penstemon, althans er is naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om aan te nemen dat dit patroon wel aanwezig was. Verder heeft [geïntimeerde] zelf als getuige verklaard dat de schade met name in de onderste etages van de planten zichtbaar was. Dat is ook wat [naam 8] als getuige heeft verklaard. Schade aan de onderzijde van de beplanting past volgens [naam 8] niet bij driftschade, omdat een middel bij driftschade alleen op de bovenste etages van de beplanting komt. [geïntimeerde] heeft ook dat niet voldoende bestreden, zodat aangenomen moet worden dat het waargenomen schadebeeld niet past bij schade als gevolg van het overwaaien van spuitvloeistof. Hetgeen [geïntimeerde] over de schade aan de brandnetels naar voren heeft gebracht, maakt het voorgaande niet anders.
Daar komt bij dat [appellanten] hebben betoogd dat de concentraties van de door [appellant 1] gebruikte herbiciden die zijn aangetroffen op beschadigde Penstemon lager waren dan op Penstemon met minimale of zelfs geen schade. Alleen het percentage Metolachloor-S (Dual Gold) was een fractie hoger. Ook dat wijst er volgens [appellanten] op dat de schade niet is veroorzaakt door hun herbiciden. [geïntimeerde] is hierop niet voldoende ingegaan, zodat van de juistheid hiervan kan worden uitgegaan.


Bespuitingen door [geïntimeerde]



3.41.
Als getuige heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij de kruipaden tussen de Penstemon heeft bespoten met het middel Quickdown. Volgens zijn verklaring vond die bespuiting plaats op 18, 19 en 20 mei 2021. Dat [geïntimeerde] in dezelfde week als waarin [appellant 3] de bespuiting heeft gedaan op zijn eigen perceel bespuitingen heeft uitgevoerd, was niet eerder in de procedure aan de orde gekomen. [appellanten] hebben onder verwijzing naar de verklaring van [naam 7] gesteld dat het aangetroffen schadebeeld verklaard kan worden door het gebruik van het middel Quickdown. [naam 7] heeft verklaard:

“Betreffende sierteler heeft met een rugspuit zonder afschermkap het middel Quickdown toegepast. Dit product werkt als een brander. Hoe meer zon, hoe feller de werking. Quickdown is gevoelig voor verwaaien en daarom gebruik je dan een afschermkap als tussen de rijen wordt toegepast.
Het schadebeeld in de Penstemon kan heel goed door Quickdown veroorzaakt worden.”



3.42.

[geïntimeerde] is hierop niet, althans niet voldoende ingegaan, zodat niet uitgesloten kan worden dat de gewasschade door het middel Quickdown is veroorzaakt.


Conclusie



3.43.
Het hof komt tot een afronding. Anders dan [geïntimeerde] mede onder verwijzing naar de bevindingen van [naam 6] betoogt, is de enkele ‘mogelijkheid’ dat door de bespuiting door [appellant 3] spuitvloeistof op zijn perceel terecht is gekomen niet voldoende om aan te kunnen nemen dat een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken als bedoeld in artikel 6:175 BW zich heeft verwezenlijkt, dan wel dat een causaal verband als bedoeld in artikel 6:162 BW bestaat tussen de uitgevoerde bespuiting en de schade op het perceel van [geïntimeerde] . Er is geen bewijs geleverd van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat zich een bijzonder gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW heeft verwezenlijkt dan wel dat de gestelde gewasschade op het perceel van [geïntimeerde] is ontstaan als gevolg van een fout aan de zijde van [appellanten] en dit kan, mede in het licht van de betwisting door [appellanten] , ook anderszins niet worden aangenomen. Reeds dit betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] niet toewijsbaar zijn.


Slotsom en proceskosten




3.44.
De slotsom is dat de grieven van [appellanten] slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. De vordering van [appellanten] tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het bestreden vonnis hebben voldaan, zal worden toegewezen.



3.45.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties, daaronder begrepen de getuigentaxe in verband met de door [appellanten] gehoorde getuige. Verder zal bepaald worden dat de vastgestelde getuigentaxen in verband met de door [geïntimeerde] gehoorde getuigen voor rekening blijven van [geïntimeerde] . Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:


proceskosten rechtbankprocedure

- griffierecht € 2.837,00
- salaris advocaat € 2.785,00 (tarief IV, 2,5 punten)
Totaal € 5.622,00


proceskosten hoger beroep

- explootkosten € 128,30
- griffierecht € 2.135,00
- salaris advocaat € 10.584,00 (tarief IV, 4,5 punten)
- getuigentaxe € 200,00
Totaal € 13.047,30






4Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2023 waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] voor een bedrag van € 18.669,30 in de proceskosten van de procedure in beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

bepaalt dat het totaalbedrag van € 950 aan getuigentaxen in verband met de door [geïntimeerde] opgeroepen en gehoorde getuigen voor rekening blijft van [geïntimeerde] ;

veroordeelt [geïntimeerde] om al hetgeen door [appellanten] ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] is voldaan terug te betalen, dat is een bedrag van € 46.295,74, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betaling aan [geïntimeerde] tot aan de dag van algehele terugbetaling;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Korsten-Krijnen, J.W. Hoekzema en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
Link naar deze uitspraak