|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:303 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-02-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.356.482/01 NOT | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Klacht tegen notaris. Beoordeling wilsbekwaamheid. Beoordeling vrije wilsvorming. Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid. Indicatoren. Notaris heeft onzorgvuldig gehandeld. Berisping. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bijstandsuitkering | | | legitieme portie | | | testament | | | | Uitspraak | beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummers : 200.356.482/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/443160 / KL RK 24-157
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 februari 2026
inzake
mr. [appellant] ,
notaris te [plaats 1] ,
appellant,
gemachtigden: mrs. M.J.G. Boender-Lamers en C.J. Soekra, advocaten te Rotterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats 1] ,
geïntimeerden,
gemachtigde: mr. E.J. Lievense, advocaat te Rotterdam.
Partijen worden hierna de notaris en klaagsters (respectievelijk klaagster sub 1 en klaagster sub 2) genoemd.
1De zaak in het kort
De notaris heeft het (gewijzigde) testament van de moeder van klaagsters (hierna: erflaatster) gepasseerd. Klaagsters verwijten de notaris dat hij zijn zorgplicht heeft geschonden omdat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflaatster. De notaris heeft daarnaast onvoldoende gewaakt voor een vrije wilsvorming van erflaatster. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van berisping opgelegd. Het hof bevestigt deze beslissing.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
De notaris heeft op 4 juli 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissingen van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van respectievelijk 6 juni 2025 en 16 juni 2025 (herstelbeslissing) tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:35).
2.2.
Klaagsters hebben op 24 september 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 4 december 2025. De notaris, vergezeld van zijn gemachtigden, en klaagsters, vergezeld van hun gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagsters aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
3Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Op 29 december 2023 is erflaatster overleden. Erflaatster had drie dochters, onder wie klaagsters. De andere dochter van erflaatster is [naam] (hierna: [naam] ), de oudere zus van klaagsters. Zij woonde bij erflaatster in vanaf november 2022 en stond per 1 februari 2023 op hetzelfde adres als erflaatster ingeschreven.
3.2.
In de zomer van 2022 hebben klaagsters een verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend om het vermogen van erflaatster onder bewind te plaatsen.
3.3.
Bij beschikking van 2 november 2022 heeft de kantonrechter, in afwachting van de onderbewindstelling, een provisionele bewindvoerder benoemd. In deze beschikking is, onder meer, overwogen:
“De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de processtukken, sprake is van een situatie waarin onmiddellijke bescherming van de betrokkene noodzakelijk is. Op het verzoek tot onderbewindstelling kan echter nog niet terstond worden beslist.”
Bij beschikking van 23 december 2022 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan erflaatster onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijk toestand. In deze beschikking is, onder meer, overwogen:
“De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat rechthebbende niet langer in staat is om haar financiële belangen behoorlijk waar te nemen (..). Rechthebbende heeft hulp nodig bij het huishouden, zelfzorg en de financiën. Dit beeld is tijdens de zitting bevestigd. Zo heeft rechthebbende feiten ontkend die wel degelijk hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft rechthebbende betwist dat zij op bepaalde momenten voor in totaal € 10.000,- per dag heeft gepind. Uit de ingediende bankafschriften blijkt echter dat er op 25 oktober 2019 en 22 oktober 2021 5 keer is gepind voor € 2.000,- per keer. Ook heeft rechthebbende betwist kort na het instellen van het provisioneel bewind bedragen te hebben overgeschreven van de spaarrekening naar de betaalrekening. De provisioneel bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat dit wel heeft plaatsgevonden en dat het gaat om een totaalbedrag van € 34.000,-.
De kantonrechter constateert ook dat het standpunt van [hof: [naam] ] dat zij slechts een bedrag van haar moeder ontvangt gelijk aan een bijstandsuitkering, onvoldoende overeenkomt met de bankafschriften. Tegen deze achtergrond wordt aan de stellingen van rechthebbende dat zij zelf in staat is om haar financiën te beheren voorbijgegaan.”
3.4.
Tegen de beslissing van de kantonrechter van 23 december 2022 zijn erflaatster en [naam] in hoger beroep gegaan. Ook in die procedure stond de beoordeling van de geestelijke gesteldheid van erflaatster centraal. Het hof heeft – om zich hierover goed te laten informeren – in een tussenbeschikking een deskundige aangewezen om onderzoek te doen naar de geestvermogens van erflaatster. Vóórdat dit onderzoek kon plaatsvinden is erflaatster overleden.
3.5.
Op 26 januari 2023 heeft erflaatster samen met [naam] voor het eerst een bezoek gebracht aan de notaris voor het bespreken van een testament. De notaris heeft bij deze gelegenheid van [naam] de beschikking van 23 december 2022 van de kantonrechter inzake de onderbewindstelling van erflaatster ontvangen. Toen de wensen van erflaatster over de wijziging van haar testament aan de orde kwamen, heeft de notaris [naam] verzocht de spreekkamer te verlaten.
3.6.
Na de onder 3.5. genoemde bespreking heeft [naam] aan de notaris een op 8 februari 2023 gedateerde verklaring van een specialist ouderengeneeskunde gestuurd. In deze verklaring staat, voor zover relevant:
“Mw. is in staat relevante informatie te begrijpen. Het beseffen en waarderen van de betekenis van de informatie voor haar eigen situatie is mogelijk. Ze heeft hierbij het vermogen om logisch te redeneren en het betrekken van de informatie in het overwegen van haar mogelijkheden voor wat betreft immateriële en materiele zaken en wat de consequenties zijn van haar handelen. Mw. is wilsbekwaam ten aanzien van beslissingen over haar immateriële en materiele zaken.
Gezien de redelijk goede geestelijke gesteldheid is het niet te verwachten dat er op korte termijn een snelle progressieve achteruitgang zal plaatsvinden van haar cognitieve vermogens die zal leiden tot een wijziging van haar wilsbekwaamheid.”
3.7.
De notaris heeft op 16 februari 2023 het concept van het testament per post naar het huisadres van erflaatster gestuurd, waar ook [naam] staat ingeschreven.
3.8.
Op 23 februari 2023 is het gewijzigde testament van erflaatster door de notaris gepasseerd. In dit testament heeft erflaatster [naam] tot enig erfgenaam en executeur benoemd.
3.9.
Op 3 januari 2024 heeft een gemachtigde van klaagsters de notaris een brief gestuurd. In deze brief staat, voor zover relevant:
“Cliënten zouden graag vernemen of en zo ja waarom, u ervan overtuigd was dat [hof: erflaatster] geestelijk in staat was de reikwijdte van haar handelen in deze te overzien als testateur, alsook of zij volgens u en zo ja, waarom, als zodanig geheel vrij en onafhankelijk heeft kunnen optreden, anders en meer huiselijk gezegd of het hier – en waarom – daadwerkelijk een idee, voornemen en wens van testateur zelf betrof en niet van [naam] , in de zin dat [hof: erflaatster] onder dwingende invloed van [naam] het testament op heeft laten maken.”
3.10.
Op 11 januari 2024 heeft de notaris de onder 3.9. genoemde brief schriftelijk beantwoord. In deze brief staat, voor zover relevant:
“Mevrouw [hof: erflaatster] is op 26 januari 2023 met haar dochter, [hof: [naam] ], bij mij op kantoor geweest om de mogelijkheden tot het eventueel opmaken van een testament te bespreken. Na een gebruikelijk inleidend “praatje” neem ik de familiesamenstelling en de familieomstandigheden door, waarbij ook het bewind dat over haar vermogen is uitgesproken aan de orde komt. Daarna verlaat dochter op mijn verzoek de kamer. Na een inventarisatie van de situatie met [hof: erflaatster] en de door haar uitgesproken wensen omtrent een nader op te maken testament, vraag ik een kandidaat-notaris familierecht van ons kantoor bij de bespreking.
Vervolgens neem ik samen met mijn collega (en (dus) buiten de aanwezigheid van genoemde dochter) de hele situatie en haar specifieke wensen door, waaronder het uitgesproken bewind. Mevrouw geeft duidelijk en overtuigend haar wensen aan ons weer. De optie van een medische verklaring wordt ook besproken, enkel ter ondersteuning van onze overtuiging dat mevrouw wilsbekwaam is om het testament te tekenen, zoals besproken.
Er blijkt al een medische verklaring te zijn aangevraagd in verband met het in te stellen beroep tegen het uitgesproken bewind. Deze medische verklaring treft u hierbij aan.
Vervolgens wordt er op basis van de wensen van [hof: erflaatster] een concept-testament gemaakt en dit wordt op 16 februari 2023 per gewone post naar haar huisadres verzonden met een begeleidend schrijven, welk schrijven tevens een toelichting op de akte bevat.
Op 23 februari wordt het testament buiten aanwezigheid van de dochter en in aanwezigheid van genoemde collega kandidaat-notaris met [hof: erflaatster] doorgenomen en vervolgens getekend.
(…)
Conclusie
Van het feit dat de verklaring daadwerkelijk in overeenstemming is met de wil van betrokkene, dient de notaris zich te overtuigen. Tijdens de bespreking en de tekensessie was mijn waarneming dat de door [hof: erflaatster] afgelegde/geuite verklaringen, daadwerkelijk haar wil bevatten en had ik geen twijfel. In die overtuiging heb ik – na [hof: erflaatster] - het testament getekend.”
4De klacht
4.1.
Klaagsters verwijten de notaris dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van het testament van erflaatster.
De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
1) de notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid van erflaatster;
2) de notaris heeft onvoldoende gewaarborgd dat erflaatster niet onbehoorlijk werd beïnvloed door [naam] .
4.2.
Het hof zal bij de beoordeling van de klachtonderdelen eveneens betrekken het door de kamer als een zelfstandig klachtonderdeel geformuleerde verwijt van klaagsters dat de notaris zich (uitsluitend) heeft gebaseerd op een partijverklaring van een door erflaatster en [naam] ingeschakelde arts.
5Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagsters op alle onderdelen gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van berisping opgelegd. De notaris is daarnaast in de kosten veroordeeld.
Klachtonderdeel 1: onvoldoende onderzoek naar de wilsbekwaamheid.
5.2.
Klaagsters hebben ter ondersteuning van hun klacht in eerste aanleg de volgende argumenten naar voren gebracht waarom de notaris het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid (hierna: het Stappenplan) had moeten volgen:
- het vermogen van erflaatster was onder bewind gesteld;
- erflaatster was op hoge leeftijd (88 jaar);
- haar administratie was niet in eigen beheer;
- erflaatster woonde feitelijk niet meer zelfstandig, want [naam] stond per 1 februari 2023 op hetzelfde adres ingeschreven;
- de inhoud van het nieuwe testament week ingrijpend af van het eerdere testament uit 1982. In het nieuwe testament werden twee van de drie dochters onterfd, waarbij er een legaat werd opgenomen ter grootte van hun legitieme portie. Voor een leek is dit complexe materie. Daarbij komt dat erflaatster, afgezien van haar geestelijke gesteldheid, de Duitse nationaliteit had, zodat een dergelijke bepaling in het testament en de begrippen legitimaris en legataris voor haar lastig te begrijpen waren. Daarnaast is onvoldoende gebleken of en zo ja, welke controlevragen de notaris aan erflaatster heeft gesteld om haar wilsbekwaamheid te beoordelen. De notaris heeft evenmin onderbouwd kunnen toelichten op welke wijze hij, in het licht van de onder rov. 3.3. genoemde beschikking van de kantonrechter, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat erflaatster haar wilsonbekwaamheid zou kunnen maskeren. De notaris heeft zijn oordeel over de wilsbekwaamheid van erflaatster mede gebaseerd op een in opdracht van [naam] en erflaatster afgegeven (partijdige) medische verklaring; de notaris heeft de desbetreffende arts echter nooit gesproken. Deze verklaring, die in algemene bewoordingen is gesteld, zegt ook niets over de voorgenomen rechtshandeling. De notaris heeft, aldus klaagsters, onvoldoende oog gehad voor de kwetsbare positie van erflaatster en daarmee in zijn handelen geen rekening gehouden.
5.3.
De notaris brengt naar voren dat bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van een cliënt primair moet worden uitgegaan van de eigen waarneming van de notaris. Juist omdat de notaris op de hoogte was van a) de hoge leeftijd van erflaatster, b) de verstrekkende gevolgen van de voorgenomen testamentswijziging en c) de inhoud van de beschikking(en) waarbij het vermogen van erflaatster onder bewind was gesteld, heeft de notaris eerst een informeel gesprek met erflaatster gevoerd om haar wilsbekwaamheid te kunnen beoordelen. Over de gang van zaken tijdens dit gesprek heeft de notaris, conform zijn uitleg in de onder rov. 3.10. genoemde brief, ter zitting in hoger beroep uitgebreid verklaard. De notaris heeft als extra waarborg een kandidaat-notaris van zijn kantoor verzocht bij deze gesprekken aanwezig te zijn. De notaris had evenals zijn collega geen enkele reden om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster zodat, aldus de notaris, een nader onderzoek niet geboden was.
In hoger beroep voert de notaris aan dat de kamer zich ten onrechte heeft laten leiden door de inhoud van de beschikking van de kantonrechter tot onderbewindstelling. Hierbij heeft de kamer miskend dat het hof de onderbewindstelling van erflaatster niet zonder meer in stand wilde laten. Het hof had daarom een oordeel van een onafhankelijk deskundige gevraagd. Het lijkt erop, aldus de notaris, dat de notaris is afgerekend op de beschikking van de kantonrechter tot onderbewindstelling, terwijl hij juist een eigen verantwoordelijkheid draagt om hierover een gedegen oordeel te vormen. Deze eigen verantwoordelijkheid heeft de notaris ook genomen. De notaris benadrukt dat een onderbewindstelling enkel betrekking heeft op de financiële belangen van de betrokkene; daarmee is de wilsonbekwaamheid niet gegeven. De notaris voert verder aan dat de kamer ten onrechte heeft geconcludeerd dat de dossiervorming gebrekkig was. Van de bespreking op 26 januari 2023 en de passeersessie op 23 februari 2023 zijn gespreksaantekeningen en verslagen gemaakt. Vanwege zijn geheimhoudingsplicht voelt de notaris zich echter niet vrij om deze stukken aan het beroepschrift te hechten. Uit deze gespreksaantekeningen blijkt in ieder geval dat erflaatster, buiten de aanwezigheid van [naam] , tegenover de notaris en zijn collega op heldere en adequate wijze heeft kunnen toelichten wat zij in haar testament wilde opnemen en welke redenen zij hiertoe had en dat er nadrukkelijk is gesproken over het bewind. De notaris benadrukt verder dat hij aan erflaatster vanuit verschillende invalshoeken vragen heeft gesteld om te kunnen beoordelen of zij consistent was in haar antwoorden. De notaris en zijn collega hebben beiden onafhankelijk van elkaar vastgesteld dat de verklaringen van erflaatster op de dag van het passeren (23 februari 2023) nog steeds consistent waren ten opzichte van haar verhaal ruim een maand eerder (op 26 januari 2023, de dag van de bespreking). De kamer is ten slotte volgens de notaris ten onrechte en ongemotiveerd voorbij gegaan aan zijn aanbod om zijn dossier ter beschikking te stellen. De notaris herhaalt in hoger beroep nadrukkelijk dit aanbod.
5.4.
Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van dit hof moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van een betrokken cliënt primair worden uitgegaan van de eigen waarneming van de notaris, aan wie in dat kader beoordelingsruimte toekomt. Pas bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid is verder onderzoek aangewezen. De kamer stelt terecht voorop dat het in deze procedure niet gaat om de vraag of erflaatster ten tijde van het passeren van het testament van 23 februari 2023 wilsbekwaam was maar of de notaris daaraan in de gegeven omstandigheden moest twijfelen. Het hof neemt bij de beoordeling van die vraag de volgende omstandigheden in aanmerking:
- erflaatster had de hoge leeftijd van 88 jaar;
- erflaatster woonde niet meer zelfstandig;
- de notaris had ten tijde van het bespreken van het testament kennis genomen van de beschikking tot onderbewindstelling van het vermogen van erflaatster. In deze beschikking is te lezen dat zowel erflaatster als [naam] ter zitting aantoonbaar onjuiste informatie hadden verstrekt over de financiën van erflaatster waardoor het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk was dat erflaatster niet langer in staat was om in ieder geval haar financiële belangen behoorlijk waar te nemen. Ook verwees de kantonrechter in dezelfde beschikking naar twee medische verklaringen (gedateerd 14 oktober 2022 en 21 november 2022) waarin door een specialist ouderengeneeskunde en een klinisch geriater achtereenvolgens is verklaard dat “er (…) met name in het executief functioneren bij rechthebbende problemen gezien werden, waardoor het zelfstandig uitvoeren van onder andere de financiële administratie niet goed mogelijk is” en “beeld passend bij dementiesyndroom, er is onvoldoende ziektebesef en ziekte-inzicht. Rechthebbende heeft hulp nodig bij het huishouden, zelfzorg en financiën.”
- het testament van erflaatster zou ingrijpend gewijzigd worden.
5.5.
Gelet op de voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof met de kamer van oordeel dat de notaris niet in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De hiervoor opgesomde omstandigheden vergden extra oplettendheid van de notaris. De notaris heeft betoogd dat hij aan erflaatster vanuit verschillende invalshoeken vragen heeft gesteld om te kunnen beoordelen of zij consistent verklaarde en een extra waarborg had ingebouwd door ook zijn collega bij zijn gesprek met erflaatster te betrekken. Dat was in dit geval naar het oordeel van het hof niet voldoende. Gelet op de informatie over erflaatster die volgde uit de beschikking van de kantonrechter – erflaatster ontkende grote transacties die wel hadden plaatsgevonden waarbij er volgens de medische verklaringen sprake was van een beeld passend bij dementiesyndroom met onvoldoende ziektebesef en ziekte-inzicht – had de notaris niet uitsluitend op die eigen waarneming en die van zijn collega mogen vertrouwen. Het had op de weg van de notaris had gelegen om in deze kwestie een arts te raadplegen met de vraag of zijn cliënte in staat was om deze specifieke rechtshandeling te overzien. Het hof betrekt daarbij ook dat uit het dossier niet is gebleken dat er aan de kant van erflaatster medische redenen waren om het testament met spoed te passeren en er dus voldoende tijd was om het Stappenplan in zijn geheel te volgen. Dat de notaris dit niet heeft gedaan kan hem worden verweten.
5.6
Op grond van de voorgaande overwegingen passeert het hof het aanbod van de notaris om het dossier ter beschikking te stellen aan het hof. Het hof twijfelt niet aan de gang van zaken zoals door de notaris beschreven ter terechtzitting en in het dossier, maar is desondanks van oordeel dat de notaris meer onderzoek had moeten doen. De klacht is daarom gegrond.
Klachtonderdeel 2: onvoldoende onderzoek naar vrije wilsvorming/ongewenste beïnvloeding.
5.7.
Klaagsters brengen naar voren dat de notaris evenmin voldoende heeft gewaarborgd dat erflaatster haar wil op onafhankelijke wijze heeft kunnen overbrengen. Erflaatster werd bijgestaan door [naam] die in het nieuwe testament ten koste van haar twee jongere zussen tot enig erfgenaam werd benoemd. Bij aanvang van het eerste gesprek tussen de notaris en erflaatster waarbij de familieverhoudingen en de onderbewindstelling werden besproken was [naam] aanwezig. De notaris had bovendien uit de beschikking inzake de onderbewindstelling kunnen opmaken dat er zorgen waren over eventueel financieel misbruik van erflaatster door [naam] .
5.8.
Het aspect van de vrije wilsvorming is, aldus de notaris, in voldoende mate door hem gewaarborgd. [naam] was slechts kort bij de eerste bespreking aanwezig; op het moment dat de exacte wensen van erflaatster werden besproken heeft de notaris [naam] verzocht om de kamer te verlaten. Het passeren van het testament – wederom in het bijzijn van zijn kandidaat-notaris – heeft ook buiten de aanwezigheid van [naam] plaatsgevonden. Beide besprekingen hebben plaatsgevonden onder vier ogen (in feite onder zes ogen, want de kandidaat-notaris was ook aanwezig). Erflaatster heeft beide keren op heldere wijze kunnen toelichten wat haar oogmerk en de (hoofd)redenen waren voor het wijzigen van haar testament.
5.9.
Met de kamer is het hof van oordeel dat ook klachtonderdeel 2 gegrond is. De kamer heeft, kort samengevat, als volgt geoordeeld. Het behoort tot de kernverantwoordelijkheid van de notaris om te waken voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming van een testateur. Een notaris dient al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de wil van de betrokkene niet op ongewenste wijze is beïnvloed door een derde. De notaris heeft de vrijheid om te bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze verantwoordelijkheid. Gelet op de feit dat a) [naam] de afspraak bij de notaris heeft gemaakt, b) zij aan de notaris een partijverklaring ten aanzien van de wilsbekwaamheid van erflaatster heeft overgelegd, c) zij bij klaagster inwoonde en d) uit de beschikking van de kantonrechter bleek dat zij grote bedragen van erflaatster ontvangen had, is het hof, met de kamer, van oordeel dat de vrije wilsvorming van erflaatster door de notaris onvoldoende is gewaarborgd. Dit geldt temeer nu de voorgenomen testamentswijziging in eerste instantie in het bijzijn van [naam] – de begunstigde van het testament – is besproken. Dat de notaris, naar hij heeft verklaard, de overtuiging had dat erflaatster niets voor hem achterhield maakt dit niet anders. Ook klachtonderdeel 2 is gegrond.
Conclusie en maatregel
5.10.
Uit het voorgaande volgt dat beide klachtonderdelen gegrond zijn. De notaris heeft onvoldoende oog gehad voor de kwetsbare positie van erflaatster en hij heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden in zijn handelen. Door vrijwel uitsluitend af te gaan op de informatie van [naam] (de begunstigde van het testament) en erflaatster zelf heeft hij zich onvoldoende kritisch opgesteld ten opzichte van de diensten die van hem werden verlangd en zijn verantwoordelijkheid daarvoor. Dat erflaatster mogelijk goed in staat was eventuele gebreken in haar wilsbekwaamheid te maskeren ontslaat de notaris niet van zijn verplichtingen om op zorgvuldige wijze invulling te geven aan zijn eigen onafhankelijke rol. Het hof acht, evenals de kamer, de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden.
Geen kostenveroordeling in hoger beroep
5.11.
Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden. Het hof hanteert bij de toepassing van de richtlijn de ‘Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof). Nu het hoger beroep van de notaris leidt tot oplegging van dezelfde maatregel, ziet het hof – overeenkomstig de uitgangspunten – af van een kostenveroordeling in hoger beroep; de door de kamer uitgesproken proceskostenveroordeling blijft in stand.
5.12.
De slotsom luidt dat het hof tot dezelfde beslissing komt als de kamer. Het hof zal de beslissing van de kamer bevestigen.
6Beslissing
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, E. de Greeve, en T.W. van Grafhorst en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door de rolraadsheer. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|