|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:570 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-03-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.345.108 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Hoger beroep; verbintenissenrecht; primair vordering tot vernietiging wegens dwaling en/of bedrog; subsidiair vordering tot schadevergoeding; aansprakelijkheid commissarissen, vorderingen afgewezen. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.345.108/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/739165/ HA ZA 23-821
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] , Verenigd Koninkrijk,
appellante,
advocaat: mr. E.H. Boucher te Utrecht,
tegen
1 [geïntimeerde 1]
gevestigd in [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 3] ,
3. [geïntimeerde 3]
wonend te [plaats 4] ,
4. [geïntimeerde 4]
wonend te [plaats 5] ,
5. [geïntimeerde 5]
wonend te [plaats 6] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.C. van Rijswijk te Amsterdam.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd en geïntimeerden worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd. Geïntimeerden worden afzonderlijk respectievelijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden ook wel gezamenlijk ‘de kopers’ genoemd.
1De zaak in het kort
[appellant] had een vordering uit een achtergestelde winstdelende geldlening die zij bij wijze van investering had verstrekt aan [bedrijf 1] . Na onenigheid tussen de bestuurder van [appellant] en [bedrijf 1] heeft [appellant] aangeboden een cessieovereenkomst te sluiten ten aanzien van haar vordering. Zij berekende de koopsom op basis van het jaarlijkse interne rendement per ultimo 2018, dat door [geïntimeerde 3] , een van de commissarissen was berekend. Tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds is in 2020 een cessieovereenkomst tot stand gekomen. Nadien is een Exel-document bekend geworden van de hand van [geïntimeerde 3] , met berekeningen van een hoger rendement in de situatie waarin de belastinglatentie zou vrijvallen. [appellant] maakt daaruit op dat zij destijds heeft gedwaald over de waarde van haar investering. Zij vordert vernietiging van de cessieovereenkomst op grond van dwaling of bedrog, en subsidiair schadevergoeding te betalen door de commissarissen van [bedrijf 1] .
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep komt het hof eveneens tot de conclusie dat van dwaling of bedrog geen sprake is geweest en dat er geen grond is voor aansprakelijkheid van de commissarissen.
2Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 8 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 29 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam , onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden, (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met producties;
- memorie van antwoord met producties.
Op 29 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
[appellant] is een onderneming waarvan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) statutair bestuurder is. [naam 1] is ook statutair bestuurder van de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).
3.3.
[geïntimeerde 1] is één van de aandeelhouders van de onderneming [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 1] ).
3.4.
[naam 1] heeft in 2013 een investeringsstructuur bedacht voor [bedrijf 1] , die een financiering nodig had. Die financiering verkreeg [bedrijf 1] in november 2013 door een kapitaalstorting van haar aandeelhouders en een achtergestelde winstdelende geldlening van derden (hierna: de lening). Eén van de geldverstrekkers van de lening was [bedrijf 2] met een bedrag van € 250.000.
3.5.
Voor de lening is afgesproken dat het geleende bedrag vermeerderd met rente wordt terugbetaald op 31 december 2022. De rente is gebaseerd op de daadwerkelijk behaalde jaarlijkse winst van [bedrijf 1] en kan ook negatief zijn.
3.6.
Voor [bedrijf 1] is een raad van commissarissen aangesteld, bestaande uit: [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] (hierna: de raad van commissarissen).
3.7.
In 2017 heeft [bedrijf 2] met een akte van cessie haar vordering uit hoofde van de lening overgedragen aan [appellant] .
3.8.
Op 12 mei 2018 heeft [geïntimeerde 3] aan de aandeelhouders en de geldverstrekkers (hierna gezamenlijk: de crediteuren) gemaild hoeveel volgens hem het interne rendement op de investeringen was per:
einde boekjaar 2015: 6,42%;
einde boekjaar 2016: 8,67%;
einde boekjaar 2017: 8,61%.
3.9.
Op 7 juni 2019 heeft [geïntimeerde 3] de crediteuren bericht dat het interne rendement per einde boekjaar 2018 9,68% bedroeg.
3.10.
Op 12 juni 2020 heeft [naam 1] per e-mail zijn ongenoegen geuit over een aantal beslissingen van de raad van commissarissen. Deze e-mail was gericht aan [geïntimeerde 3] , met de crediteuren en de andere leden van de raad van commissarissen in de cc.
3.11.
Op dezelfde dag heeft één van de aandeelhouders van [bedrijf 1] , de heer [naam 2] , per e-mail aan [naam 1] geantwoord:
“(….) Je moet niet 7 jaar niks van je laten horen en dan ineens doen alsof je met 9,8% rendement benadeeld wordt. Wil je eruit (…)? Ik neem je deel graag over tegen huidige marktwaarde (…)”
3.12.
Wederom op 12 juni 2020 heeft [naam 1] aan alleen [geïntimeerde 3] gemaild:
“(…) Reken svp even mee vertrouwelijk – als ik 250 investeerde, sinds 2013 met rendement van 9,8% reinvested, dan kom ik uit op nu 250.000 * (1.098) tot de macht van 7 = 481,013 Eur want mijn huidige uitkoopprijs zou zijn, right ? Als dat klopt ga ik even nadenken over een uitkoop (…)”
3.13.
Op 14 juni 2020 heeft [naam 1] aan [naam 2] (in cc aan onder meer [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en kopers) gemaild:
“(…) koop mij maar uit, ook al moet ik dan omdat het twee jaar te vroeg is belasting betalen; 9,8% rendement elk jaar geherinvesteerd op 250k deelname (…).”
3.14.
Op 16 juni 2020 heeft [geïntimeerde 4] aan de crediteuren van [bedrijf 1] gemaild:
“Op 14 juni heeft [naam 1] [het hof begrijpt: [naam 1] ] zijn deelneming in de [bedrijf 1] aangeboden. [naam 2] [het hof begrijpt: [naam 2] ] heeft als beherend vennoot toegezegd het voorstel in overweging te nemen en met de commissarissen op zijn merites te beoordelen. Over de voortgang van de overweging worden de vennoten geïnformeerd. (…)”.
3.15.
Op 25 juni 2020 heeft [geïntimeerde 3] aan [naam 1] gemaild dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben besloten om ieder voor gelijke delen de lening van [appellant] over te kopen voor in totaal € 465.763, “(…) dat komt neer op 9,8% IRR (…) vanaf closing (8 november 2013) tot 1 juli 2020 (…)”.
3.16.
Op 1 augustus 2020 [naam 1] aan [geïntimeerde 3] gemaild:
“(…) Ik heb er nu pas wat rustiger over na kunnen denken. Uit solidariteit en met geloof in mijn eigen product wil ik eigenlijk blijven zitten, maar de nare dingen echoen voortdurend door en ik wil geen negatieve energie. Ik heb ook mijn mededelingen geuit maar die worden negatief gezien enz enz. Dus laat ik maar gewoon alles beëindigen.(…)”.
3.17.
Op 20 oktober 2020 heeft [appellant] een cessieovereenkomst (hierna: de cessieovereenkomst) gesloten met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , waarin staat dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gezamenlijk per 1 juli 2020 een koopsom betalen van in totaal € 465.763.
3.18.
Op 21 juli 2021 heeft [geïntimeerde 3] aan een andere geldverstrekker van [bedrijf 1] een e-mail met bijlage gestuurd. Die bijlage betreft een Excel-document (hierna: het Excel-document), waarin onder andere de waarde van de lening van [appellant] aan [bedrijf 1] op verschillende wijzen – met andere uitkomsten – is berekend:
bij “Doorberekening 9,47% IRR naar 1 juli 2020” staat dat het rendement 9,47% is met een waarde van € 456.285;
bij ‘Waarde belang obv BOEKWAARDE schip’ staat dat het rendement 12,00% is met een waarde van € 531.119; en
bij ‘FPJS: MIJN IDEE VOOR EEN UITKOOPBOD’ staat dat het rendement 11,25% is met een waarde van € 507.825.
4Procedure bij de rechtbank
4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad primair de cessieovereenkomst te vernietigen en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, of subsidiair [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] hoofdelijk te veroordelen om de schade te vergoeden die [appellant] door de cessieovereenkomst heeft geleden, op te maken bij staat, en de proceskosten te betalen.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.
5Vordering in hoger beroep
5.1.
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – de in de memorie van grieven naar voren te brengen eisen toe te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding met nakosten en rente. In de memorie van grieven concludeert [appellant] met “tot persistit’.
5.2.
[geïntimeerden] concluderen primair tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] in het hoger beroep, bij gebrek aan een geformuleerde eis, en subsidiair tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
6Beoordeling
Ontvankelijkheid
6.1.
Het hof stelt vast, met [geïntimeerden] , dat de in de appeldagvaarding aangekondigde eis in de memorie van grieven ontbreekt. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] daarmee geen eis ingesteld en dus geen belang bij het hoger beroep. Ter zitting is namens [appellant] aangevoerd dat de slotzin ‘tot persistit’ zo moet worden begrepen dat de in eerste aanleg geformuleerde eis in hoger beroep wordt gehandhaafd. Het hof is van oordeel dat daarmee een redelijke uitleg is gegeven aan de inzet van het hoger beroep zoals die blijkt uit de memorie van grieven. [geïntimeerden] hebben in hun memorie van antwoord op deze uitleg geanticipeerd en zijn aldus niet in hun belangen geschaad. [appellant] kan worden ontvangen in het hoger beroep.
Verdere beoordeling
6.2.
[appellant] legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat zij heeft gedwaald ten aanzien van het interne rendement (ook wel IRR genoemd) van haar investering, danwel is bedrogen, en dat zij daardoor haar achtergestelde vordering voor een te lage prijs heeft verkocht. Zij voert aan dat er aan haar zijde een wilsgebrek bestond omdat zij niet op de hoogte was van de werkelijke waarde van de investering. Zij stelt dat de raad van commissarissen in 2020 heeft gedaan alsof het IRR op dat moment 9,8% was, terwijl dit in werkelijkheid 12% bedroeg. [appellant] stelt dat daarom de cessieovereenkomst tot stand is gekomen door dwaling en bedrog, zodat deze vernietigbaar is.
Subsidiair vordert zij hoofdelijke veroordeling van de commissarissen tot vergoeding van de schade die [appellant] lijdt als gevolg van de cessieovereenkomst.
6.3.
In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten voert [appellant] over de rol van [geïntimeerde 3] nog het volgende aan.
Tussen [naam 1] en [geïntimeerde 3] bestond, voorafgaande aan deze samenwerking, al een jarenlange zakelijke en persoonlijke relatie, die heeft geleid tot een diepe vertrouwensband. [geïntimeerde 3] was van 1999 tot oktober 2020 fiscaal adviseur van [naam 1] . Met betrekking tot de onderhavige investering werd [geïntimeerde 3] benoemd als commissaris namens de investeerders. Daarmee werd bewerkstelligd dat de investeerders, ondanks de achtergestelde winstdelende lening, over precies dezelfde rechten zouden beschikken als de gewone aandeelhouders. [geïntimeerde 3] werd dus in de raad van commissarissen benoemd om de belangen van [appellant] te behartigen als ware zij volwaardig aandeelhouder.
6.4.
De door [geïntimeerde 3] berekende IRR over 2018 van 9,68% (zie hierover ro. 3.9) klopte niet volgens [appellant] omdat daarin nog niet de gereserveerde en vrijvallende belastinglatentie was meegenomen. Dit heeft [geïntimeerde 3] destijds niet aan [naam 1] gemeld. [appellant] stelt weliswaar dat [naam 1] in een telefoongesprek in juni 2020 aan [geïntimeerde 3] heeft gevraagd of zijn berekening een reële marktwaarde vertegenwoordigde, maar zij erkent dat zij dit telefoongesprek, dat door [geïntimeerde 3] wordt betwist, niet kan bewijzen. Tegen het oordeel van de rechtbank dat dit telefoongesprek niet is komen vast te staan, is dan ook geen grief gericht. Volgens [appellant] blijkt dit verzoek echter ook uit de e-mail van 12 juni 2020 (zie hiervoor ro. 3.12). Uit het Excel-document blijkt bovendien dat [geïntimeerde 3] op de hoogte was van de hogere waarde. Hem kan, vanwege de persoonlijke relatie met [naam 1] , een persoonlijk verwijt worden gemaakt van het feit dat hij deze informatie niet met [naam 1] heeft gedeeld, aldus [appellant] .
6.5.
[geïntimeerden] wijzen erop dat als de IRR per einde 2018 uitgangspunt was van de waardebepaling, zoals door [appellant] gesteld, daarop alle grieven en vorderingen afstuiten, omdat [appellant] over alle beschikbare informatie betreffende 2018 beschikte. Het Excel-document is voor die berekening irrelevant. [appellant] heeft niet gesteld dat de belastinglatentie zou vrijvallen en worden uitgekeerd op het moment dat de lening opeisbaar zou worden. Bovendien blijkt uit niets dat [geïntimeerde 3] dit document met de kopers heeft gedeeld
6.6.
[geïntimeerde 3] stelt voorop dat hij als commissaris gehouden was de belangen van de vennootschap te behartigen; niet die van [appellant] . [geïntimeerde 3] betwist voorts dat [naam 1] (namens [appellant] ) ooit aan hem om advies heeft gevraagd over de waarde van de investering. Hem is enkel bij e-mail van 12 juni 2020 gevraagd of de daarin vervatte berekening juist was, niet of het berekende bedrag een reële (actuele) marktwaarde zou vertegenwoordigen. [geïntimeerde 3] stelt voorts dat het Excel-document slechts een rekenexercitie was, voor hem zelf bedoeld, en dat daaruit niet valt af te leiden dat [geïntimeerde 3] van mening zou zijn dat de belastinglatentie [geïntimeerde 3] zou vrijvallen, of dat deze zou vrijvallen op het moment van terugbetaling van de lening.
6.7.
[geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] constateren dat geen grief is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank die op hen betrekking hebben en concluderen dat het hoger beroep faalt.
Geen dwaling of bedrog, geen vernietiging van de cessieovereenkomst
6.8.
[appellant] stelt dat zij heeft verkeerd in de onjuiste voorstelling van zaken dat de door haar berekende koopprijs een reële marktwaarde van de investering vertegenwoordigde en dat de cessieovereenkomst op grond van dwaling of bedrog vernietigd dient te worden. Het hof volgt haar daarin niet en overweegt daartoe als volgt.
6.9.
Uit de vaststaande feiten volgt dat de tussen [appellant] en de kopers tot stand gekomen cessieovereenkomst is gebaseerd op de berekening van [naam 1] in diens e-mail van 12 juni 2020, te weten de IRR per ultimo 2018 berekend over de periode van de investering.
[appellant] heeft in de memorie van grieven nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat de IRR per einde 2018 de grondslag is geweest voor de berekening van de koopprijs en niet de IRR per einde 2019 of 2020. Tussen partijen is niet in geschil dat de door [geïntimeerde 3] berekende IRR per einde 2018 (die door [geïntimeerde 3] aan alle partijen was toegezonden) 9,68% bedroeg maar dat [naam 2] dit getal in zijn e-mail per abuis verkeerd heeft overgenomen, en melding maakte van 9,8%, welk percentage [naam 1] – eveneens per abuis – overnam in zijn berekening van 12 juni 2020. Geen van partijen verbindt consequenties aan deze vergissing, die evident niet in het nadeel van [appellant] is. Evenmin is in geschil dat [appellant] op het moment van het aangaan van de cessieovereenkomst beschikte over de jaarcijfers over 2018, net als de kopers.
Van een asymmetrie in informatie is op dat moment aldus geen sprake.
6.10.
Uit niets blijkt dat bij de berekening van de IRR de belastinglatentie is betrokken, hetgeen [naam 1] , als fiscalist, op basis van de jaarcijfers ook duidelijk moest zijn. [appellant] heeft ook niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de belastinglatentie ooit een rol speelde bij de vaststelling van de IRR. Ook heeft [appellant] niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde 3] ooit de indruk heeft gewekt dat de belastinglatentie daarbij wèl betrokken zou moeten worden.
[appellant] heeft ook ter zitting niet kunnen uitleggen waarom het in de rede lag bij de IRR de belastinglatentie te betrekken. Daarbij zij opgemerkt dat onweersproken is gesteld dat de belastinglatentie bij het aflossen van de lening feitelijk niet is vrijgevallen, zodat de (overige) verstrekkers van achtergestelde leningen daarvan evenmin hebben geprofiteerd.
6.11.
Reeds gelet op het voorgaande is de inhoud van het Excel-document niet relevant. Naar ter zitting door [appellant] immers is erkend, beroept zij zich op dat document louter ter onderbouwing van haar stelling dat het betrekken van de belastinglatentie zou hebben geleid tot een hogere IRR.
Overigens volgt ook uit niets dat [geïntimeerde 3] het Excel-document ten tijde van de totstandkoming van de cessieovereenkomst met de kopers heeft gedeeld.
6.12.
Voor zover de vordering berust op de stelling dat [appellant] in een onjuiste voorstelling van zaken verkeerde ten aanzien van de hoogte van de IRR 2018 faalt deze stelling op grond van het voorgaande.
6.13.
Voor zover [appellant] betoogt dat zij in een onjuiste voorstelling van zaken verkeerde omdat zij meende dat het door haar berekende bedrag de reële actuele marktwaarde vertegenwoordigde, faalt dit betoog eveneens.
Dit betoog is niet te rijmen met de door [appellant] ingenomen stelling dat de grondslag van de koopprijs (in 2020) was gebaseerd op de IRR per einde 2018. Ook overigens heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] door toedoen van de kopers in de veronderstelling verkeerde dat de koopprijs de reële marktwaarde in 2020 vertegenwoordigde.
6.14.
Op het voorgaande strandt het beroep op dwaling en/of bedrog en de daarop gebaseerde primaire vordering tot vernietiging van de cessieovereenkomst. Aan de stelling dat er aan haar zijde was van een wilsgebrek heeft [appellant] , anders dan de op dwaling en/of bedrog gebaseerde vordering tot vernietiging, geen rechtsgevolgen verbonden. Voor zover [appellant] bedoeld heeft haar beroep op wederzijdse dwaling in hoger beroep te handhaven, strandt dat beroep eveneens op het voorgaande.
Geen aansprakelijkheid [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]
6.15.
Het verwijt van [appellant] aan [geïntimeerde 3] komt neer op de stelling dat op [geïntimeerde 3] , als commissaris, de plicht rustte om [naam 1] te adviseren over een mogelijke andere berekening van de koopprijs. Voor het bestaan van die plicht is onvoldoende gesteld, nog daargelaten de vraag of een dergelijk advies zou hebben geleid tot overeenstemming met de kopers of derden over een hogere koopprijs. Die plicht volgt in elk geval niet uit [geïntimeerde 3] positie van commissaris van [bedrijf 1] , ook niet in het licht van het feit dat [geïntimeerde 3] namens de investeerders is aangesteld. Die plicht kan evenmin worden gebaseerd op de persoonlijke relatie van [geïntimeerde 3] met [naam 1] .
Daar komt bij dat niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] aan [geïntimeerde 3] heeft gevraagd of zijn berekening een reële actuele marktwaarde van de investering weerspiegelde. Dit volgt niet uit de e-mail van 12 juni 2020 van [naam 1] , waarin immers een berekening is vervat die is gebaseerd op de IRR per einde 2018, die – ook in de visie van [appellant] – de grondslag diende te zijn voor de te berekenen koopprijs.
6.16.
Aldus is onvoldoende gesteld voor de conclusie dat [geïntimeerde 3] enige op hem als commissaris jegens [appellant] rustende verplichting zou hebben geschonden, laat staan voor de conclusie dat hem daarvan een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Reeds daarop stuiten de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] af.
6.17.
Tegen de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen tegen de commissarissen [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] zijn geen grieven gericht, zodat het hoger beroep tegen deze afwijzing eveneens faalt.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.18.
Het hoger beroep heeft geen succes. De grieven slagen niet. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 798
- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.378
7Beslissing
Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.378,
7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, J.L.M. Groenewegen en A.C. Metzelaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|