Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:747 
 
Datum uitspraak:17-03-2026
Datum gepubliceerd:26-03-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.318.252/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Voortijdige beëindiging van franchise-overeenkomst. Schadevergoeding verschuldigd na berekening door een door het hof aangewezen deskundige. Proceskostenveroordeling van franchisegever
Trefwoorden:belastingrecht
vennootschapsbelasting
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.318.252/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/703288/ HA ZA 21-560


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026


inzake
1.de rechtspersoon naar vreemd recht

EBI LTD.
gevestigd te Vista (Californië Verenigde Staten van Amerika).

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

HLMG INC.

gevestigd te Minden (Nevada. Verenigde Staten van Amerika).

appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.W. Hooijen te Blaricum.

tegen


SANIFIX B.V..

gevestigd te Leerdam.
geïntimeerde in het principaal hoger beroep.
appellante in het incidenteel hoger beroep.
advocaat: J.M. Visser te Hendrik-Ido-Ambacht.






1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Bij tussenarrest van 18 februari 2025 heeft het hof een deskundige benoemd en een aantal door de deskundige te beantwoorden vragen geformuleerd.
Op 22 oktober 2025 heeft de deskundige [naam 1] zijn rapport ingediend bij het hof.
Partijen hebben daarna ieder een memorie na deskundigenbericht ingediend; de memorie na deskundigenbericht van Sanifix is nog voorzien van een tweetal producties (genummerd 53 en 54).
Ten slotte is arrest gevraagd.







2Het deskundigenrapport

In het tussenarrest van 18 februari 2025 heeft de rechtbank de navolgende vragen aan de deskundige geformuleerd:

1. Wilt u nagaan of de gegevens in de door Sanifix overgelegde documenten ter onderbouwing van de hoogte van haar schade (producties 13 (berekening schade door Trajectum), 27 (nieuwe berekening gederfde winst Benelux), 32 (nieuwe berekening gederfde winst Duitsland/Spanje/Frankrijk NK), 36 (nieuw overzicht van directe kosten (intern en extern)) en 44 (schadeberekening door boekhouder Sanifix), productie 46 grootboekrekening omzet Proffill over 2019, productie 47 grootboekrekening, omzet Proffill over 2020, productie 48 grootboekkaarten omzet Proffill over 2019 van alle gefactureerde omzet, productie 49 grootboekkaarten omzet Proffill over 2020 gefactureerde omzet, productie 50 omzet Proffill webshop met gerealiseerde omzet december 2002 tot 1 december 2021) aansluiten op de administratie van Sanifix en uw bevindingen noteren?

2. Wat is uw opvatting over de bezwaren van EBI c.s. ten aanzien van deze schadeberekening zoals weergegeven in rov. 3.19. en 3.26. van het tussenarrest van 21 mei 2024?

3. Deelt u de opvatting over de schade van de boekhouder van Sanifix zoals opgenomen in productie 44 eerste aanleg met inachtneming van de maatstaf dat vergeleken moet worden de toestand met de onterechte beëindiging per direct met de toestand met een opzegtermijn van 12 maanden gerekend vanaf 5 november 2020?

4. Wilt u, indien de gegevens bedoeld onder 1) niet kloppen of u een andere opvatting over de schade bent toegedaan dan staat opgenomen in productie 44 eerste aanleg, zelf met een onderbouwd alternatief komen om de schade te berekenen?

5. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan het hof volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

In het deskundigenrapport van 22 oktober 2025 zijn al deze vragen beantwoord en daarbij is ook nog ingegaan op de opmerkingen van Sanifix op het concept rapport. EBI c.s. had geen nadere opmerkingen meer.




3De verdere beoordeling


3.1
Naast het cijfermatig nagaan en toetsen van de door Sanifix in de procedure reeds verstrekte gegevens van omzet, kosten en winst door de jaren voorafgaand aan 4 november 2020 en het jaar vanaf 1 november 2020 tot 30 november 2021, heeft de deskundige [naam 1] zich voor wat betreft de schadeberekening verder geconcentreerd op een tweetal situaties, te weten de hypothetische situatie zonder de opzegging in november 2020 en de werkelijke situatie (zoals ook door het hof aangegeven) en door hem benoemd als: scenario’s. Hij stelt daartoe in zijn rapport het volgende:

“Wij analyseren de door Sanifix beweerdelijk geleden vermogensschade door vergelijking van het effect op de vermogenspositie van Sanifix in twee situaties:


- Soll-scenario: de situatie waarin de distributieovereenkomst op rechtmatige wijze wordt beëindigd, met een opzegtermijn van 12 maanden vanaf 5 november 2020.


Ist-scenario: de feitelijke situatie waarin de distributieovereenkomst onrechtmatig per direct op 5 november 2020 is beëindigd.


De schadeperiode beloopt 12 maanden. Om praktische redenen berekenen wij deze over de periode 1 november 2020 t/m 30 november 2021 (aansluitend op de maandomzetten van Sanifix). De vermogensschade wordt berekend voor aftrek van vennootschapsbelasting. Sanifix zal immers vennootschapsbelasting verschuldigd zijn over een aan haar toe te kennen schadevergoeding De schadeberekening van Sanifix omvat drie elementen:


- Directe kosten


- Gederfde winst in de Benelux


- Gederfde winst in het buitenland (uitbreiding van het Territorium)


Deze toetsing komt overeen met de door het hof verstrekte opdracht waar het gaat om een vermogensvergelijking ter berekening van de door Sanifix geleden schade en sluit (dus) daarbij aan.



3.2
Vastgesteld kan verder worden dat op de door Sanifix verstrekte cijfers voor wat betreft omzet, kosten en gemaakte winsten als onderzocht door de deskundige geen van partijen nader commentaar heeft geleverd, zodat deze als uitgangspunt kunnen dienen voor de hiervoor genoemde schadeberekening.



3.3
Het commentaar/de kritiek van Sanifix concentreert zich met name op de vragen over de bij de schadeberekening in aanmerking te nemen directe kosten, de gederfde winst in de Benelux en de gederfde winst in het (verdere) buitenland (door [naam 1] benoemd als “uitbreiding van het Territorium”).


directe kosten



3.4.1
Sanifix heeft deze kosten berekend op een totaalbedrag van € 96.538,09. Zij stelt dat deze kosten zijn gemaakt met het oog op de uitbreiding van het Territorium, bestaande enerzijds uit externe kosten (opstellen meertalige websites, productfotografie en marketingactiviteiten voor Profill-reparatiesets) geraamd op € 62.956,27 (af te schrijven over een periode van 3 jaar, dus over 2021 € 21.154,09) en interne kosten (directeur [naam 2] en loonkosten marketingmedewerker) ad € 73.384,--.



3.4.2
De deskundige [naam 1] heeft hierover (zie pagina 21 van zijn rapport) het volgende opgemerkt:

“Naar ons oordeel zouden voornoemde kosten zowel in het Soll-scenario als in het Ist-scenario zijn gemaakt. Het betrof immers voorbereidingskosten. Deze kosten waren noodzakelijk om de Proffill-reparatiesets in het buitenland te gaan verkopen.


Dit blijkt ook uit de factuurdata. Van alle 31 facturen voor deze voorbereidingskosten hebben 27 facturen een datum die ligt voor de peildatum van 5 november 2020. 4 facturen hebben een datum van relatief kort na peildatum, maar wij achten het aannemelijk dat de opdrachten voor de betreffende werkzaamheden voor peildatum zijn verstrekt.


De distributieovereenkomst omvat geen bepalingen op grond waarvan de distributeur aanspraak kan maken op vergoeding van voorbereidingskosten indien de overeenkomst rechtmatig, maar wellicht vroeger dan de distributeur heeft verwacht of gehoopt, zou worden opgezegd. Artikel 9 van de distributieovereenkomst sluit dergelijke compensatie uit.


Naar ons oordeel komen de door Sanifix gemaakte voorbereidingskosten, zowel intern als extern, daarom niet voor vergoeding in aanmerking.”

In de visie van Sanifix heeft de deskundige deze kosten aangemerkt als voorbereidingskosten waarmee een direct verband is gelegd tussen de voorgenomen uitbreiding van het territorium door Sanifix gericht op de verkoop van Profill-reparatiesets en de schade door de onverhoedse opzegging door EBI c.s. van de distributieovereenkomst tot levering van de daartoe benodigde reparatiesets.



3.4.3
Het hof gaat daarin niet mee en wel om de volgende reden. Zowel de directeur van Sanifix ( [naam 2] ) en de medewerkster e-Commerce ( [naam 3] ), maakten reeds geruime tijd deel uit van de organisatie van Sanifix (mevrouw [naam 3] in ieder geval vanaf april 2019). Die commerciële kant van een onderneming is inherent aan het bestaan en de werkwijze van een onderneming, zoals die op dat moment is ingericht. De enkele omstandigheid dat hun taak mede omvatte het onderhouden en/of uitbreiden van de samenwerking met EBI c.s. maakt nog niet dat door de beëindiging van die samenwerking (ook al is dat op onrechtmatige wijze geschied) deze kosten - in totaal begroot op € 75.384,-- aan loon over 12 maanden - dan als schade in rekening gebracht kunnen worden. Ook de overige kosten aangemerkt als voorbereidingskosten vallen niet als schade aan te merken. De rechtbank heeft daarbij met juistheid overwogen dat dit een omstandigheid is die onderdeel uitmaakt van de te verwachten winst, die Sanifix door de ongerechtvaardigde beëindiging heeft gederfd. Grief 4 in het incidenteel appel is hierop gericht en faalt daarom.


gederfde winst Benelux




3.5.1
Hierover heeft de deskundige [naam 1] het volgende opgemerkt (pagina 21 rapport): “Sanifix hanteert bij de berekening van de gederfde winst in de Benelux de volgende uitgangspunten:

- Voor 2021 wordt een omzetgroei van 40% verwacht ten opzichte van 2020, resulterend in een omzet van € 193.123 (ca. 9.004 verkochte Proffill-reparatiesets).


- De kostprijs per set bedraagt € 10,97.


- Over de omzet wordt 10% aan royalty’s afgedragen aan EBI.


- De gerealiseerde omzet in 2021 bedraagt € 32.015, overeenkomend met 1.493 verkochte sets.


- De berekende winst komt hiermee uit op € 62.605.


Hoewel wij enkele onderdelen van deze berekening onderschrijven, hebben wij op diverse punten een andersluidende visie en uitwerking.”.




3.5.2
De deskundige heeft ter toelichting op het in onderdelen afwijkende standpunt de volgende - door Sanifix als zodanig niet betreden - tabellen gehanteerd en daarbij gebruikgemaakt van de door Sanifix aangeleverde cijfers (zie met name onder het hoofdstuk 5.4.2 Omzet):
Tabel 2: een vergelijking van de maandelijkse omzet in 2019 en 2020.
Tabel 3: de verwachte omzetten in november en december 2020.
Tabel 4: Vergelijking maandomzetten
Tabel 5: Omzetvergelijking Sanifix en Doe Het Zelf-markt
Tabel 6: Omzetgroei 2021
Tabel 7: Omzet in Soll-en Ist-scenario Benelux.
Zijn conclusie is dan: “Op basis van deze uitgangspunten bedraagt de verwachte winst over de omzet in de Benelux in het Sollscenario € 71 .623. In het Ist-scenario is een winst gerealiseerd van € 18.953. Dit resulteert in een winstderving van € 52.670 over de omzet in de Benelux.”



3.5.3
Gelezen het commentaar van Sanifix op het rapport van de deskundige komt het er volgens het hof op neer dat in de visie van Sanifix de (explosieve) omzetstijging in het vierde kwartaal van 2019 en het 1e kwartaal van 2020 louter gerelateerd kan worden aan het feit dat dat mevrouw [naam 3] - een marketingmedewerkster - in april 2019 actief is gestart met haar marketingwerkzaamheden voor Proffill en dat er in juli 2019 een nieuwe webshop is geïntroduceerd. Dit alles was ruim voor de COVID-pandemie. Het is dus in de visie van Sanifix onjuist die explosieve omzetgroei te relateren aan de COVID-pandemie. De verwachte omzetgroei over 2021 dient dus gelijk te zijn aan 40,6% en dus ook de te berekenen gederfde winst en de totale vermogensschade.



3.5.4
Deze opvatting van Sanifix is ook verwoord in haar commentaar op het conceptrapport van de deskundige [naam 1] en deze heeft hierop het volgende opgemerkt (pagina 22 en 23 van zijn rapport):

“Tabel 3: Verwachte omzetten november en december 2020


Op basis hiervan bedraagt de verwachte jaaromzet voor 2020 € 144.039.


Indien gekeken wordt naar de maandelijkse omzetgroei, dan is dit gemiddeld 49,0%. Dit toont aan dat Sanifix er gedurende 2020 structureel in slaagde om nagenoeg iedere maand een significant hogere omzet te behalen dan in 2019. (….) Naar ons oordeel is deze opmerkelijke groei ten dele het gevolg geweest van de COVID-pandemie die ook bij doe-het-zelf-winkels en bouwmarkten tot een grote omzetgroei heeft geleid. In deze uitzonderlijke periode met lockdowns, gesloten horeca en reisbeperkingen hebben Nederlanders veel meer dan gebruikelijk geld gespendeerd aan woningverbetering en onderhoud. In 2020 bedroeg de omzetgroei bij de winkels in doe het-zelfartikelen 19,5%.


Uitgaande van een verwachte, geëxtrapoleerde, jaaromzet voor Sanifix van € 144.039 voor 2020, is sprake van een omzetgroei op jaarbasis van 42,1%. Hiervan was naar onze inschatting 19,5% als eenmalig te duiden (COVID-gerelateerd). De resterende bovengemiddelde groei is dan 22,6%. Deze groei wordt, onzes inziens, verklaard doordat Sanifix in 2019 een marketingmedewerker, mevrouw [naam 3] , heeft aangesteld. Naar mededeling van Sanifix hield zij zich in belangrijke mate bezig met Search Engine Optimization (SEO). Dit betreft het geheel aan technieken en strategieën waarmee een website beter vindbaar wordt gemaakt in zoekmachines zoals Google. Het doel daarbij is hoger te scoren in organische (niet-betaalde zoekresultaten). Deze inschatting wordt nader onderbouwd door analyse van de omzetgroei op kwartaalbasis van Sanifix ten opzichte van de algehele markt van doe-het-zelf winkels. Deze analyse toont aan dat, hoewel Sanifix stelt dat haar omzetgroei in 2020 grotendeels in Q1 is gerealiseerd (en niet COVID-gerelateerd), ook de omzet in de DHZ-markt in dat eerste kwartaal reeds stevig toenam. De COVID-pandemie had naar ons oordeel dus ook in het eerste kwartaal reeds invloed op de omzetontwikkeling. Het Proffill product is onderdeel van de DHZ-markt, en wij achten het juist om bij het prognosticeren van de omzet voor 2021 uit te gaan van de door Sanifix in 2020 gerealiseerde bovengemiddelde groei, vermeerderd met de gerealiseerde omzetgroei in de DHZ-markt in 2021.


Wij achten aannemelijk dat de bovengemiddelde groei ook in 2021 bewerkstelligd zou worden, waarbij wij een negatieve correctie toepassen van 1,5% voor de marktgroei (doe-het-zelf artikelen). Dit resulteert in een verwachte jaaromzet voor 2021 van € 174.486 zoals onderstaand weergegeven.”




3.5.5
Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige daarmee in voldoende mate inzicht gegeven in zijn gedachtegang en daarmee het hiervoor verwoorde standpunt van Sanifix op goede gronden weerlegd. Ook het hof onderkent dat het hierbij gaat om een inschatting van marktontwikkelingen, terwijl een absolute zekerheid nu eenmaal niet verkregen kan worden.


Gederfde winst buitenland




3.6.1
In zijn rapportage heeft de deskundige [naam 1] het standpunt van Sanifix als volgt weergegeven (en dat is niet door Sanifix bestreden).

“Sanifix hanteert bij de berekening van de gederfde winst in het buitenland de volgende uitgangspunten:


- De gerealiseerde omzet per inwoner in Nederland in 2020 bedraagt € 0,0075. Verwacht wordt dat dit niveau in 2023 ook haalbaar is in Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Spanje.


- Sanifix gaat uit van een jaarlijkse omzetgroei van 40%, terug redenerend naar de verwachte omzet in 2021.


- Uitgaande van een verkoopprijs van € 29,70 per set wordt het aantal verkochte sets bepaald. Bij een geraamde kostprijs van € 18,04 per set en 10% royalties komen de totale kosten uit op € 505.888. De gederfde winst wordt door Sanifix berekend op € 209.242.”




3.6.2
In de discussie met de deskundige staat centraal de vraag hoeveel tijd Sanifix nodig zou hebben om een min of meer gelijkwaardige marktpositie in het (overige) buitenland op te bouwen als in de Benelux. In de conceptrapportage heeft de deskundige voor die opbouwperiode een termijn genomen van 12 jaar gebaseerd op de tijd die Sanifix nodig heeft gehad om de huidige marktpositie in de Benelux op te bouwen.
In reactie op het rapport van de deskundige stelt Sanifix deze opbouwperiode aanmerkelijk minder tijd zal vergen en zij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

“• Sanifix heeft in 2020 inmiddels 11 jaar ervaring met het verkopen en adviseren van de Proffill producten;


• Het intensiveren van marketing-inspanningen zorgt voor hogere omzetten. Hiervan ziet Sanifix - onder meer - bewijs in de gerealiseerde omzetgroei in 2019 en 2020. Het introduceren van een marketing medewerkster en het opzetten van een nieuwe webshop heeft aantoonbaar bewezen dat dit omzetgroei voor Sanifix tot gevolg heeft.


• In de jaren 2009 t/m 2016 was Proffill een product dat werd verkocht, waarbij er weinig tot geen energie werd gestoken in marketing en waarbij er geen webshop beschikbaar was. Eerst vanaf 2017 is de webshop geïntroduceerd. Daarnaast veranderde e-commerce - internetverkopen - het speelveld in de detailhandel. Het CBS heeft hieromtrent vanaf 2014 data beschikbaar.



Sanifix is dan ook van mening dat als startjaar 2014 genomen dient te worden voor de berekeningen (voor de opbouw van een marktpositie in het buitenland). De intrede van e-commerce - internetverkopen - heeft onmiskenbaar een serieuze omzet boost gegeven.”




3.6.3
Dit standpunt van Sanifix leidt tot een situatie dat reeds in het eerste jaar van de opbouw van de marktpositie voor Proffill ook buiten de Benelux vanaf september 2019 (immers eerst vanaf dat moment mocht Sanifix haar territorium voor die producten uitbreiden) reeds een aanzienlijke omzet zou zijn gegenereerd. Bovendien (zo begrijpt het hof) zou deze opbouwperiode ook niet langer hoeven duren dan drie jaar, zodat reeds in 2023 een gelijkwaardige omzet gerealiseerd zou kunnen worden als in de Benelux (wél gerelateerd aan het aantal inwoners van Duitsland, Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk). Daaruit leidt Sanifix af dat de gederfde winst over de periode na november 2020 veeleer moet worden geschat op een bedrag ad € 209.242,00.



3.6.4
Hoewel het standpunt dat de ervaring van Sanifix met de verkoop van Proffill dient mee te tellen bij de berekening van de start van de opbouwperiode wordt gedeeld door de deskundige [naam 1] , wijst hij - impliciet - de visie van Sanifix op een gelijkwaardig marktniveau binnen een periode van drie jaar in het territorium buiten de Benelux van de hand. Het is het hof ook niet duidelijk waarom Sanifix kiest voor een uitgangspositie bij verkoop buiten de Benelux gebaseerd op de (vergelijkbare) omzet in 2014 per persoon om nadien voor haar berekening toch een veel hogere omzet en winst in 2021 te begroten/schatten. Dat het startpunt van de verwerving van de (omvang van) omzet (nog steeds vergelijkenderwijs) voor de verkoop buiten de Benelux wordt verlegd, maakt immers nog niet dat vervolgens ook de geschatte omzet van de jaren na 2021 moet worden teruggerekend naar 2021 (dat is dan immers in zekere zin dubbelop). Bovendien miskent deze opvatting het uitgangspunt dat tegen november 2021 rechtmatig door EBI c.s. mocht worden opgezegd.



3.6.5
Het standpunt van de deskundige [naam 1] hieromtrent is terug te vinden op pagina 27 van zijn rapport en luidt als volgt:

“Sanifix is dan ook van mening dat als startjaar 2014 genomen dient te worden voor de berekeningen (voor de opbouw van een marktpositie in het buitenland). De intrede van e-commerce - internetverkopen - heeft onmiskenbaar een serieuze omzet boost gegeven.


Wij kunnen ons vinden in voornoemde reactie van Sanifix. Het komt ons redelijk voor om bij de analyse van de veronderstelde opbouw van een klantenportefeuille in het buitenland niet uit te gaan van de startdatum van de activiteiten in Nederland, maar ook rekening te houden met de ervaring die Sanifix inmiddels heeft opgedaan, en de start van internetverkopen (die naar opgaaf van Sanifix in 2017 plaatsvond).


Wij zullen schattenderwijs uitgaan van een opbouw met als verondersteld startjaar 2014. Tot en met 2020 zijn dan 7 volle jaren verstreken.


De verwachte cumulatieve omzet in de Benelux voor 2020 bedroeg € 144.039. Dit impliceert vanaf de thans veronderstelde start van de activiteiten begin 2014 een toename van circa € 20.577 per jaar. Gegeven dat Nederland in 2014 circa 16.829 miljoen inwoners telde, komt dit neer op een startomzet van ca € 0,00122


per inwoner. Wij achten dit niveau representatief voor de buitenlandse markten, aangezien toetreding daar eveneens met een ‘startjaar’ zou beginnen.


Op basis van deze benadering, die niet anders dan schattenderwijs kan plaatsvinden, bedraagt de verwachte omzet in het buitenland in de periode november 2020 - oktober 2021 € 324.243. Bij een verkoopprijs van € 29,70 resulteert dit in een verwachte afzet van 10.917 sets. Deze analyse voor het Soll-scenario is onderstaand weergegeven. (….)


In de relevante periode heeft Sanifix geen verkopen in het buitenland gerealiseerd. De omzet in het Ist-scenario bedraagt daarom nihil.”

Na een verder niet bestreden berekening van de kostprijs per set komt de deskundige tot de volgende conclusie: “Op basis van deze uitgangspunten bedraagt de verwachte winst over de omzet in het buitenland in het Soll-scenario € 75.749. In het Ist-scenario is een winst gerealiseerd van nihil. Dit resulteert in een winstderving van € 75.749 over de omzet in het buitenland.”



3.6.6
Naar het oordeel van het hof is het deskundigenoordeel ook op dit punt voldoende onderbouwd en inzichtelijk ook rekening houdend met de kritiek van Sanifix op dit punt. Het hof sluit zich daarom hierbij aan.



3.7.1
Dit alles leidt ertoe dat het hof overeenkomstig het rapport van de deskundige [naam 1] als schadevergoeding aan Sanifix een bedrag van € 128.420,-- zal toewijzen.



3.7.2
De grieven 1 tot en met 8 van EBI c.s. in de kern gericht op de afwijzing van alle vorderingen van Sanifix falen. De grieven 9 tot en met 11 zijn reeds in het tussenarrest van 21 mei 2024 behandeld door het hof en in de rov. 3.5 tot en met 3.7 afgewezen. Het hof blijft daarbij.



3.7.3
De grieven 1 tot en met 3 in het incidenteel appel van Sanifix gericht op hoogte van toegewezen schade slagen gedeeltelijk, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen in de rov. 3.5 en 3.6. Grief 4 met betrekking tot de gestelde ‘voorbereidingskosten’ faalt dus.



3.8.1
Met grief 5 in het incidenteel appel bestrijdt Sanifix het oordeel van de rechtbank waarbij de vordering tot betaling van het bedrag van € 15.000,-- aan (werkelijke) incassokosten is afgewezen. Sanifix betoogt dat door het stopzetten van de levering van haar bestelling van 27 oktober 2020 door EBI c.s. zij als het ware is uitgerookt en dat zij daarna bij de onderhandelingen nadien ‘aan het lijntje’ is gehouden en dat het daarom gerechtvaardigd is dat EBI c.s. de werkelijke incassokosten dient te betalen.



3.8.2
Bij de afwijzing van de vordering van Sanifix tot betaling van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Volgens Sanifix is er aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke forfaitaire

tarief omdat EBI c.s. helemaal geen rekening heeft gehouden met de belangen van Sanifix. Dat is voor de rechtbank echter onvoldoende grond om af te wijken van het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit) bepaalde tarief. Bovendien is slechts een gedeelte van de gevorderde hoofdsom toegewezen. De buitengerechtelijke kosten worden op basis van het Besluit en op basis van het toegewezen bedrag van € 76.000 begroot op € 1.535,00” (rov. 2.24 eindvonnis).



3.8.3
Kennelijk - zo meent het hof te begrijpen - ligt volgens Sanifix in de houding van EBI c.s. na de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst tussen partijen een grond om af te wijken van de gebruikelijke staffel BIK en aan te sturen op een volledige vergoeding van schade als bedoeld in art. 6:96 BW. Weliswaar gaat het hier om een vordering tussen twee ondernemingen, maar dat enkele aspect geeft het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke vergoeding volgens de staffel BIK in het kader van de gebruikelijke redelijke kosten ter incassering van een geldvordering. Nu de toe te wijzen vordering een bedrag beloopt van € 128.420,-- zal het hof aan buitengerechtelijke kosten een bedrag toewijzen van (875 + 1% hoofdsom) = € 2.150. In zoverre slaagt de grief gedeeltelijk.



3.9.1
Grief 6 in het incidenteel appel ziet op de door Sanifix gevorderde vertaalkosten ad € 1.845,25 van de dagvaarding en inmiddels (in hoger beroep) het eindvonnis. De rechtbank heeft deze kosten afgewezen omdat deze onvoldoende gespecificeerd waren. Thans heeft Sanifix een specificatie in het geding gebracht.



3.9.2
EBI c.s. bestrijden deze vordering met de stelling dat de gebruikelijke taal tussen partijen altijd Engels is geweest, verder dat geen enkel bewijs wordt overgelegd dat Sanifix deze vertaalde stukken aan EBI c.s. heeft toegezonden en tenslotte dat de huidige vordering in hoger beroep ook de vertaling van het eindvonnis omvat, maar dat dit niet heeft geleid tot een wijziging van eis in hoger beroep.



3.9.3
Zowel Nederland als de Verenigde Staten van Amerika zijn lid van dan wel aangesloten bij het Haags Betekeningsverdrag van 15 november 1965. Artikel 5 van dat Verdrag luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

De centrale autoriteit van de aangezochte Staat belast zich met de betekening of de kennisgeving van het stuk of het doen betekenen of kennisgeven daarvan,


a)
hetzij met inachtneming van de vormen, in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich aldaar bevindende personen,


b)
hetzij met inachtneming van een bijzondere, door de aanvrager verzochte vorm, mits deze niet in strijd is met de wet van de aangezochte Staat.


Behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b, kan het stuk altijd worden afgegeven aan degene voor wie het bestemd is, zo deze het vrijwillig aanneemt.


Indien van het stuk betekening of kennisgeving moet worden gedaan overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, kan de centrale autoriteit verlangen dat het stuk wordt opgesteld of vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van haar land.


(…)


Dit brengt met zich mee dat de betekening van een gerechtelijk stuk dient te geschieden in de taal van het land waar in dit geval EBI en HMG zijn gevestigd, derhalve de Verenigde Staten van Amerika. De kosten van deze vertalingen zijn € 1.845,25 zoals valt af te leiden uit de overgelegde nota’s bij het incidenteel appel. Die kosten komen als proceskosten daarom in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De tegenwerping van EBI c.s. dat Sanifix zelf maar deze vertalingen had dienen te redigeren - partijen corresponderen immers in het Engels - miskent de strekking van het Betekeningsverdrag. Ook aan de stelling dat Sanifix ook nog bewijs moet bijbrengen dat het vonnis daadwerkelijk vertaald is en aan EBI c.s. is toegezonden (via de geëigende kanalen) gaat het hof voorbij. Die stelling is in het licht van de procedurele aspecten, die nu eenmaal verbonden zijn aan twee zich in verschillende landen bevindende procespartijen, niet goed houdbaar. Voor zover EBI c.s. aangeven dat een eiswijziging in vergelijking met de eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden, ziet EBI c.s. over het hoofd dat deze eiswijziging (inhoudend ook de kosten van de vertaling van het eindvonnis) is te vinden in het petitum van de memorie in het incidenteel appel. EBI c.s. hebben daarop ook inhoudelijk gereageerd. De grief slaagt.



3.10.1
Grief 7 in het incidenteel appel ziet op de door Sanifix gevorderde hoofdelijkheid van de betaling van de schadevergoeding door EBI respectievelijk HIMG. Sanifix heeft deze hoofdelijkheid wel gevorderd in eerste aanleg, maar de rechtbank heeft deze volgens haar niet toegewezen.



3.10.2
Het hof stelt vast dat strikt genomen Sanifix in eerste aanleg wel de hoofdelijkheid van de gevraagde veroordelingen van een voorschot op de schade en de buitengerechtelijke kosten, de vertaling van de processtukken en de proceskosten heeft gevorderd, maar niet die van ‘eigenlijke’ schadevergoeding (punt 3 van het petitum in eerste aanleg). In die zin heeft de rechtbank juist geoordeeld. Deze misslag wenst Sanifix kennelijk te herstellen en daar is gezien het verdere procesverloop ook geen bezwaar tegen, nu dat kennelijk ook steeds de bedoeling is geweest. Een inhoudelijk bezwaar is door EBI c.s. ook niet aangevoerd anders dan thans dat met de woorden “des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd” nog niet de hoofdelijkheid van de veroordeling wordt geëist. Die stelling acht het hof onbegrijpelijk. De rechtbank heeft die mogelijk wat ‘obsolete’ woorden terecht aangezien als een vordering tot een hoofdelijke veroordeling, zoals ook tot uitdrukking gebracht in de veroordeling(en) in de proceskosten. EBI c.s. legt ook niet uit waarom die vordering onderbouwd met deze bewoordingen anders zou moeten opgevat dan gericht op hoofdelijkheid van EBI én HIMG. De grief slaagt.



3.11.1
De conclusie van dit alles dient te zijn dat de grieven in het principaal appel falen, terwijl de grieven in het incidenteel appel (deels) slagen.
EBI en HIMG zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 128.420,-- aan Sanifix vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2021 als schadevergoeding wegens voortijdige opzegging van de distributie overeenkomst.
Verder dient EBI c.s. de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 2.150,-- en de kosten van de vertalingen ad € 1.845,25.
EBI c.s. zal als de merendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van zowel die uit eerste aanleg (conform het vonnis van de rechtbank) en die van het hoger beroep. Die laatste kosten worden begroot op € 2.135,-- aan griffierecht en € 9.492,50 (2,5 punt, memorie van antwoord, mondelinge behandeling en memorie na deskundigenbericht tarief V) voor het principaal appel en € 4.746,25 voor het incidenteel appel.
De kosten van het deskundigenbericht ad € 24.990,11 dienen door partijen ieder voor de helft worden gedragen. Dat betekent dat nu Sanifix het voorschot van de deskundige heeft betaald, EBI c.s. aan Sanifix de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek (€ 12.495,06) moet betalen.



3.11.2
Om redenen van doelmatigheid zal het hof het vonnis uit eerste aanleg in zijn geheel vernietigen.







4Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt EBI en HIMG hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 128.420,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2021;

veroordeelt EBI en HIMG hoofdelijk tot betaling van € 2.150,-- aan buitengerechtelijke kosten en € 1.845,25 aan vertalingen dagvaarding en vonnis;

veroordeelt EBI en HIMG hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, voor de eerste aanleg gesteld op € 7.713,62 en voor het hoger beroep op € 2.135,-- aan griffierechten en € 9.492,50 aan kosten advocaat in het principaal appel en € 4.746,25 aan kosten advocaat in het incidenteel appel;

veroordeelt EBI en HIMG hoofdelijk in de helft van de kosten van de deskundige ad € 12.495,06 te betalen aan Sanifix;

veroordeelt EBI en HIMG hoofdelijk in de nakosten;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit arrest is gewezen door mrs. H.K.N. Vos, E. Loesberg en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
Link naar deze uitspraak