Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:776 
 
Datum uitspraak:10-03-2026
Datum gepubliceerd:20-03-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.300.061
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2024:827. Eindarrest. Verbintenissenrecht. Discussie tussen partijen over de beëindiging en afwikkeling van samenwerkingsafspraken.
Trefwoorden:belastingrecht
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)

zaaknummer : 200.300.061/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/676824/ HAZA 19-1349


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2026


in de zaak van



[appellant] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. J.A. Tempelman te Amsterdam,

tegen



[geïntimeerde] .,

(thans geheten [bedrijf] ),
gevestigd te [plaats 1] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. J.I. Krikke te Amsterdam.


Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.





1Het verdere verloop van het geding

In deze zaak heeft het hof op 29 maart 2024 een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest), waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft gelast.

Op 24 september 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.





2De verdere beoordeling in hoger beroep


2.1.
Bij het tussenarrest heeft het hof zijn oordeel gegeven over de grieven in het principaal en incidenteel appel. Samengevat komt dit oordeel erop neer dat geen van partijen kan worden verweten niet “in good faith” te hebben gehandeld in de heronderhandelingsperiode nadat het Remedial Process is gestart in 2017.



2.2.
Om tot een beëindiging van het geschil te komen zal het hof thans de vorderingen van partijen over en weer beoordelen in het licht van het in het tussenarrest gegeven oordeel. Daarbij is het uitgangspunt dat de pijn gelijkelijk over partijen dient te worden verdeeld. De slotsom komt erop neer dat vastgesteld dient te worden hoeveel omzet iedere partij heeft gemaakt c.q. was gegarandeerd en hoeveel kosten iedere partij heeft gedragen. Vervolgens kan met die gegevens het gezamenlijke verlies gelijkelijk over beide partijen worden verdeeld.



2.3.
Partijen hebben voor hun berekening gebruik gemaakt van deskundigenrapporten. [appellant] heeft een rapport van [naam 1] van 24 december 2021 overgelegd en [geïntimeerde] heeft een eerste en een tweede rapport van [naam 2] van 27 juni 2022 in het geding gebracht. Het hof zal met “ [naam 1] ” respectievelijk “ [naam 2] I” en “ [naam 2] II” naar deze rapporten verwijzen.



2.4.
Ter zitting is vastgesteld dat tussen partijen de volgende posten niet langer ter discussie staan: wettelijke rente, interne kosten ( [geïntimeerde] case), externe kosten ( [geïntimeerde] case) en marge. In onderstaande berekening zal het hof de openstaande geschilpunten tussen partijen bespreken.


Omzet [appellant]




2.5.
Partijen zijn het grotendeels eens over het omzetcijfer dat zijdens [appellant] moet worden meegenomen in de berekening.










Omzet [appellant]






Omzetpost




Volgens [appellant]




Volgens [geïntimeerde]





Gerealiseerde omzet


€ 9.110.487


€ 9.110.487




Omzetgarantie 2017


€ 540.000


€ 540.000




Onbetaalde facturen hostingdienstverlening


-/- € 90.915


--




Totaal


€ 9.559.572


€ 9.650.487








2.6.
Het bedrag van € 90.915,00 heeft betrekking op twee facturen van [appellant] aan [geïntimeerde] , die onbetaald zijn gebleven. [appellant] trekt deze onbetaalde facturen af van haar gerealiseerde omzet, maar dat is niet juist. Zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven dient te worden uitgegaan van de omzet versus de gemaakte kosten. De omzet in het kader van de samenwerking met [geïntimeerde] bedraagt € 9.110.487,00. Dit volgt uit het rapport [naam 1] en wordt bevestigd in het rapport [naam 2] II. Op basis van het oordeel van het hof ten aanzien van de omzetgarantie 2017 dient dit bedrag te worden vermeerderd met € 540.000,00.
De twee onbetaalde facturen maken geen deel uit van de omzet van [appellant] , maar maken de gerealiseerde c.q. gegarandeerde omzet ook niet lager. De facturen vallen hier eenvoudigweg buiten. [appellant] kan desgewenst nakoming vorderen, maar dat valt buiten het thans voorliggende geschil. Het hof gaat ervan uit dat de met deze facturen samenhangende kosten wel zijn meegenomen in de kosten van [appellant] , die hierna zullen worden vastgesteld.



2.7.
Het hof stelt de uit de samenwerking met [geïntimeerde] gerealiseerde omzet van [appellant] vast op € 9.650.487,00.


Kosten [appellant]




2.8.
Ten aanzien van de kosten zijdens [appellant] komen partijen tot de volgende bedragen.












Kosten [appellant]






Kostenpost




Volgens [appellant]




Volgens [geïntimeerde]





Directe kosten RUN


€ 6.083.428


€ 5.534.193




Directe kosten partnership


€ 1.040.314


€ 0




Sunk costs


€ 4.876.110


€ 4.876.110




Totaal


€ 11.999.852


€ 10.410.303








2.9.
Onder “RUN-costs” worden de kosten meegenomen die partijen hebben moeten maken in de uitvoering van de hostingservices in het kader van hun samenwerking. Het verschil van mening ten aanzien van deze kosten ten bedrage van € 549.238,00 heeft te maken met een volgens [geïntimeerde] te maken correctie op drie posten, die betrekking hebben op de hosting overeenkomst:


€ 436.569,00 aan “Platform costs” (C7 [naam 1] )


€ 100.855,00 als kosten “Fortinet/Firewall” (C9 [naam 1] )


€ 11.814,00 wegens een “Proof of concept” (C10 [naam 1] )





2.10.
In het rapport [naam 1] wordt aan de hand van diverse overeenkomsten en facturen geconcludeerd dat de “Platform costs” kosten zijn geweest die [appellant] gedurende de jaren 2017 – 2021 heeft gemaakt voor cloudoplossingen. In het rapport [naam 2] II wordt geconstateerd dat niet kan worden vastgesteld dat deze kosten verband houden met de uitvoering van de hostingservices. [appellant] heeft echter – onbetwist – aangevoerd dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van voorbereidende werkzaamheden voor specifieke hostingklanten. Het betreft hier dus geen acquisitiekosten of pre-sale kosten, waarover hierna in 2.14 zal worden geoordeeld, maar concrete werkzaamheden in het kader van de te leveren hostingservices. Deze “Platform costs” van € 436.569,00 neemt het hof dan ook mee in de berekening.



2.11.
De kosten “Fortinet/Firewall” zijn door [appellant] in 2016 gemaakt en hebben betrekking op de aanschaf van een firewall voor het datacentrum in Groningen. Niet kan worden vastgesteld dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van de samenwerking tussen partijen.



2.12.
De kosten voor de “Proof of concept” zijn in 2017 gemaakt en vloeien voort uit een overeenkomst tussen partijen voor het project App Agile van 28 november 2017. Deze kosten vloeien derhalve niet voort uit de hostingovereenkomst, die thans moet worden afgewikkeld.



2.13.
Op grond van het voorgaande stelt het hof de “RUN-costs” vast op € 5.970.762,00.



2.14.
De “directe kosten partnership” hebben betrekking op werkzaamheden van [appellant] bij de ondersteuning van [geïntimeerde] bij twee offertes en voor pre-sales activiteiten. Deze werkzaamheden houden geen verband met de hostingdiensten, maar hebben betrekking op pre-sales. Partijen hebben in dat kader gesproken over een “Go-to-Market-Agreement” (versie 0.94) c.q. een “Go-to-Market-Plan”(versie 1.0 van 16 augustus 2016). Beide stukken zijn door [appellant] overgelegd. Uit beide stukken blijkt dat het idee was dat partijen hun eigen kosten zouden dragen. Zo staat in het “Go-to-Market-Plan”:


“The focused portfolio will be brought to the market in a joint operation. (…) All sales & bid cost will be borne by the parties themselves.”


De “Go-to-Market-Agreement” bevat onder 5.2 een soortgelijke regeling.

Aan haar zijde heeft [geïntimeerde] deze werkzaamheden weggestreept. Het hof stelt vast dat partijen wat betreft deze kosten het steeds erover eens lijken te zijn geweest dat ieder de eigen kosten zou dragen. Tegen die achtergrond ziet het hof onvoldoende grond deze kosten mee te wegen in de te maken berekening.
Het in hoger beroep door [appellant] ingenomen standpunt dat deze kosten betrekking hebben op het inrichten van hostingdiensten, wordt niet ondersteund door het rapport [naam 1] en de daarin genoemde verwijzingen naar de gemaakte kosten.



2.15.
Het hof stelt de kosten van [appellant] vast op € 10.846.872,00.


Omzet [geïntimeerde]




2.16.
De door [geïntimeerde] gegenereerde omzet uit de samenwerking wordt door partijen als volgt berekend.










Omzet [geïntimeerde]






Omzetpost




Volgens [appellant]




Volgens [geïntimeerde]





Gerealiseerde omzet


€ 11.388.108


€ 11.388.108




Correctie [appellant]


€ 2.863.100


€ 0




Totaal


€ 14.251.208


€ 11.388.108








2.17.
De discussie over de omzet van [geïntimeerde] uit de samenwerking gaat over de vergoeding die [appellant] heeft betaald aan [geïntimeerde] voor de inzet van personeel van [geïntimeerde] .



2.18.
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] personeel heeft uitgeleend aan [appellant] en dat [appellant] daarvoor aan [geïntimeerde] een vergoeding heeft betaald, die niet onder de gerealiseerde omzet is meegenomen. Strikt genomen dient deze post dan ook te worden toegevoegd aan de omzetzijde van [geïntimeerde] . Het hof stelt echter vast dat [geïntimeerde] deze post niet heeft meegenomen aan de kostenzijde van haar overzicht en dat de inleen plaatsvond tegen kosttarief. De post hier toevoegen, zou moeten leiden tot aanpassing van het kostenoverzicht en tegen elkaar weggestreept op € 0,- uitkomen. Het hof zal daarom uitgaan van het door [geïntimeerde] opgegeven omzetbedrag ad € 11.388.108,00.


Kosten [geïntimeerde]




2.19.
De kosten die [geïntimeerde] heeft moeten maken in het kader van de samenwerking worden door partijen als volgt berekend.










Kosten [geïntimeerde]






Kostenpost




Volgens [appellant]




Volgens [geïntimeerde]





Facturen van [appellant]


€ 9.110.487


€ 9.110.487




Omzetgarantie 2017


€ 540.000


€ 540.000




Personeel [geïntimeerde]


€ 1.647.685


€ 1.647.685




Personeelskosten DC


€ 0


€ 1.251.458




Stichting Dichterbij


€ 0


€ 0




Totaal


€ 11.298.172


€ 12.549.630








2.20.

[geïntimeerde] heeft de posten E t/m H ( [naam 1] ) afgestreept, maar merkt wel op dat de juridische kosten, die zij heeft gemaakt rond het verlies van Stichting Dichterbij als een van haar klanten, wel betrekking hadden op de uitvoering van de hosting overeenkomst. [geïntimeerde] stelt weliswaar vast dat deze kosten ad € 80.140,00 meegenomen hadden kunnen worden, maar heeft dat expliciet niet gedaan, zodat het hof voor deze post van € 0,- zal uitgaan.



2.21.
De discussie ten aanzien van de kosten van [geïntimeerde] gaat over de personeelskosten die [geïntimeerde] stelt te hebben gemaakt bij het ontmantelen van het datacentrum in Groningen. [geïntimeerde] heeft deze stelling met verwijzing naar het rapport [naam 2] onderbouwd met gegevens uit haar administratiesysteem (SAP). Voor de ontmanteling van het datacentrum heeft [geïntimeerde] een apart project met nummer 404 aangemaakt in SAP. [naam 2] heeft gecontroleerd of de kosten uit het kostenoverzicht overeenkomen met het aantal geschreven uren en dat het verrekentarief overeenkomst met de in SAP opgenomen tarievenkaart. [naam 2] heeft geen bijzonderheden geconstateerd. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] niet betrokken is geweest bij de ontmanteling van de datacentra en dat de kosten betrekking hebben op het migreren van hostingklanten naar de nieuwe hostingomgeving van [geïntimeerde] . Deze stelling maakt echter niet dat de kosten van [geïntimeerde] niet meegenomen zouden moeten worden in de berekening. Door het einde van de samenwerking moest deze omzetting plaatsvinden, waarmee de door [naam 2] geverifieerde kosten samenhangen.



2.22.
Het hof stelt de kosten zijdens [geïntimeerde] vast op € 12.549.630,00.


Slotsom




2.23.
Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom.










Slotsom










[appellant]






[geïntimeerde]






Omzet


€ 9.650.487


11.388.108




Kosten


€ 10.846.872


12.549.630




Resultaat


-/- € 1.196.385


-/- € 1.161.522








2.24.
Op basis van deze slotsom heeft [appellant] € 34.863,00 meer verloren aan de samenwerking dan [geïntimeerde] . Uitgaande van het hiervoor onder r.o. 2.2 genoemde uitgangspunt dat dit verlies gedeeld moet worden, dient [geïntimeerde] nog een bedrag van € 17.431,50 aan [appellant] te betalen.



2.25.
Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW. Deze rente is in beginsel toewijsbaar vanaf het moment dat er kort gezegd betaald had moeten worden. Omdat de definitieve financiële afwikkeling van de samenwerking pas bij dit arrest wordt vastgesteld, gaat die rente pas lopen vanaf de datum van dit arrest.



2.26.
Zoals in het tussenarrest reeds overwogen slaagt het hoger beroep en dient het bestreden vonnis te worden vernietigd.



2.27.
Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.



2.28.
Aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten van zowel het principaal als het incidenteel appel, die ten nauwste met elkaar samenhangen, worden gecompenseerd in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.





3Beslissing

Het hof:


in het principaal en het incidenteel appel



3.1.
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:



3.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 17.431,50 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW met ingang van heden tot de dag der algehele voldoening,



3.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



3.4.
compenseert de kosten van het geding, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt,



3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.C. Bosch, M.A.M. Vaessen en M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Link naar deze uitspraak