Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:926 
 
Datum uitspraak:31-03-2026
Datum gepubliceerd:03-04-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.359.015
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Klacht tegen een notaris. Klager heeft van de bewindvoerder van zijn moeder haar concepttestament ontvangen. Heeft de notaris zijn geheimhoudingsplicht geschonden door het concepttestament aan de bewindvoerder toe te sturen? Klacht ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
testament
 
Uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _


GERECHTSHOF AMSTERDAM


afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.359.015/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/445223 / KL RK 24-178


beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 31 maart 2026


inzake



[appellant]
,
wonend te [plaats 1] , gemeente Heerlen,
appellant,

tegen



[geïntimeerde]
,
notaris te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. F.B.A.M. van Oss, advocaat te Harderwijk.

Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.





1De zaak in het kort

De goederen van de moeder van klager zijn – op haar eigen verzoek – onder bewind gesteld van een professionele bewindvoerder. De advocaat van klager heeft vragen gesteld aan deze bewindvoerder over de verkoop van de woning van moeder. De bewindvoerder heeft daarop geantwoord en het concepttestament van moeder meegestuurd. Uit dit concepttestament blijkt dat klager door zijn moeder zou worden uitgesloten als erfgenaam. Een jaar later is moeder overleden en is klager gebleken dat de notaris het testament van moeder heeft gepasseerd conform het concepttestament. Klager verwijt de notaris dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door het concepttestament van zijn moeder aan haar bewindvoerder toe te sturen. Net als de kamer in eerste aanleg verklaart ook het hof deze klacht ongegrond.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Klager heeft op 9 september 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 15 augustus 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:30).



2.2.
De notaris heeft op 6 november 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.



2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.


2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 januari 2026. Klager en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.






3Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.


3.1.
Bij beschikking van 28 februari 2023 van de rechtbank Midden-Nederland zijn – op haar eigen verzoek – de goederen van de moeder van klager (hierna: erflaatster) onder bewind gesteld, met benoeming van een professionele bewindvoerder.



3.2.
Op 17 augustus 2023 heeft de advocaat van klager vragen gesteld aan de bewindvoerder over de verkoop van de woning van erflaatster:
“Tevens begrijp ik dat in overleg met uw cliënte is besloten tot verkoop van de woning. Cliënt vraagt zich allereerst af of zijn moeder, medisch gezien, in staat is tot het nemen van deze beslissing, welke overigens niet strookt met wat zij eerder heeft aangegeven omtrent haar woning (deze wilde zij juist aanhouden).

Daarnaast is uw cliënte wel onder bewind gesteld (beschikking d.d. 28-02-2023: “Op basis van de stukken en de behandeling ter zitting is vastgesteld dat verzoeker niet in staat is om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 lid 1 Burgerlijk Wetboek.”), maar zou zij nu wel in staat zijn dit soort belangrijke beslissingen te nemen? Dit lijkt niet met elkaar te rijmen. En ook al zou uw cliënte volgens u voldoende bekwaam hiertoe zijn, is het de vraag of deze verkoop weloverwogen is. Cliënt acht deze verkoop namelijk ook financieel niet in het belang van zijn moeder, aangezien dit naar verwachting enkel tot een toename van kosten zal leiden. Waarom wordt desondanks voor verkoop gekozen?”



3.3.
De bewindvoerder heeft de advocaat van klager dezelfde dag als volgt geantwoord:
“In reactie op uw mail kan ik kort zijn.

Mevrouw heeft uw cliënt alsmede zijn nageslacht onterfd. [De broer van klager, hof] is benoemd tot executeur testamentair waarbij [de broer van klager, hof] tevens het recht heeft een boedelnotaris aan te wijzen.

Mocht uw cliënt zijn moeder trachten te bezoeken dan zal de politie worden gebeld om hem uit het pand te laten verwijderen.


Ik ga er vanuit dat dit bericht aan duidelijkheid niets te wensen overlaat.”
Bij de e-mail is een door de notaris opgesteld concepttestament van erflaatster, gedateerd 16 augustus 2023, gevoegd. In dit concepttestament benoemt erflaatster de broer van klager tot enig erfgenaam en is klager (alsook zijn afstammelingen) uitgesloten als erfgenaam.



3.4.
De notaris heeft het testament van erflaatster op 23 augustus 2023 gepasseerd conform het eerder genoemde concepttestament.



3.5.
Erflaatster is op 25 oktober 2024 overleden.



3.6.
Klager heeft op 5 december 2024 het testament van erflaatster, als genoemd onder 3.4, ontvangen van de notaris.






4De klacht

Klager verwijt de notaris dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt, omdat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De notaris heeft het concepttestament van erflaatster aan haar bewindvoerder verzonden en erflaatster was niet wilsbekwaam om haar toestemming te geven voor het delen van (de inhoud van) haar testament met derden.





5Beoordeling


5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.


Ter beoordeling voorliggende klacht




5.2.
Klager heeft in hoger beroep geen bezwaar gemaakt tegen de omschrijving van de klacht door de kamer in de bestreden beslissing. Het hof gaat daarom van deze klacht uit, zoals hiervoor weergegeven onder 4. Ter zitting in hoger beroep is met klager besproken dat, op grond van artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) het hof een aan hem voorgelegde zaak, dat wil zeggen de bij de kamer ingediende klacht, opnieuw in volle omvang behandelt. Indien en voor zover bij de behandeling in eerste aanleg procesrechtelijke fouten zouden zijn gemaakt, is bespreking van de bezwaren van klager daarover in hoger beroep niet nodig vanwege die behandeling in volle omvang van de klacht.


Klager is belanghebbende




5.3.
In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de notaris – in lijn met het oordeel van de kamer – erkend dat klager een redelijk belang heeft bij het indienen van de klacht, als bedoeld in artikel 99 lid 1 Wna. Ook het hof is van oordeel dat klager belang heeft bij het indienen van de klacht omdat hij door het door de notaris gepasseerde testament is onterfd, terwijl hij zonder testament op grond van de wet erfgenaam zou zijn geweest.


Toezending concepttestament aan de bewindvoerder




5.4.
De kamer heeft overwogen dat klager heeft erkend dat erflaatster haar toestemming heeft verleend aan de notaris om haar concepttestament met haar bewindvoerder te delen. Verder heeft de kamer geoordeeld dat niet is gebleken van omstandigheden waaruit volgt dat de notaris diende te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster ten aanzien van het geven van haar toestemming voor het delen van haar concepttestament. Klager heeft zijn stellingen ten aanzien van de wilsonbekwaamheid van erflaatster niet nader onderbouwd, aldus de kamer.



5.5.
Het hof is, net als de kamer, van oordeel dat de notaris geen reden had om te twijfelen aan het verzoek van erflaatster om aan haar bewindvoerder het concepttestament toe te sturen. Het hof acht de verklaring van de notaris over de wijze waarop het contact met erflaatster tot stand is gekomen en de diverse gesprekken die hij met erflaatster heeft gehad, geloofwaardig en juist. De bewindvoerder behartigde de belangen van erflaatster, waardoor er voor de notaris geen reden bestond om te twijfelen aan het verzoek tot toezending van het concepttestament aan de bewindvoerder. In hetgeen klager hiertegen heeft ingebracht ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De door klager overgelegde video van een gesprek van klager met erflaatster, waarin zij zegt nooit een notaris te hebben gezien, dateert van een jaar later. Dit zegt niets over de geestelijke gesteldheid van erflaatster een jaar eerder. Ook valt niet met elkaar te rijmen dat – volgens klager – erflaatster een jaar later wel in staat zou zijn geweest om een verzoek tot ontslag van haar bewindvoerder in te dienen, maar niet om eerder toestemming te geven voor het delen van het concepttestament met haar bewindvoerder. Ten slotte heeft klager ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in de periode rondom het passeren van het testament van erflaatster geen contact had met erflaatster, waardoor hij slechts aannames kan doen over de gesteldheid van erflaatster in die periode. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de notaris geen toestemming had voor toezending van het concepttestament van erflaatster aan haar bewindvoerder, althans daaraan had behoren te twijfelen.


Conclusie




5.6.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, evenals de kamer, van oordeel is dat de klacht van klager tegen de notaris ongegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen.






6Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.


Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, J.C.W. Rang en A.M.J.M Ploumen en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door de rolraadsheer.
Link naar deze uitspraak