|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:949 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-04-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.360.223/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Rechtsmiddelenverbod. Artikel 200 Rv.
Ondanks het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 Rv is hoger beroep ingesteld tegen de afwijzende beslissing van de rechtbank op het verzoek om deskundigen te horen. Omdat geen sprake is van een doorbrekingsgrond zijn appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.360.223/01
zaak- en rekestnummer rechtbank : C/17/199273 / HA RK 25-17
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 april 2026
inzake
1 [appellant 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. [appellant 2],
wonende te [plaats 2] ,
3. [appellant 3] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. P.W.H. Stassen te Eindhoven ,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [plaats 3] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [plaats 4] , gemeente [plaats 5] ,
3. [geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 6] (België),
4. [geïntimeerde 4],
wonende te [plaats 7] ,
5. [geïntimeerde 5],
wonende te [plaats 8] ,
6. [geïntimeerde 6],
wonende te [plaats 9] (Maleisië),
7. [geïntimeerde 7],
wonende te [plaats 10] ,
8. [geïntimeerde 8],
wonende te [plaats 11] , gemeente [plaats 12] ,
9. [geïntimeerde 9],
wonende op een geheim adres,
10. [geïntimeerde 10],
wonende te [plaats 13] ,
11. DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend te Den Haag,
12. [geïntimeerde 11],
wonende te [plaats 14] (Verenigde Staten van Amerika),
13. [geïntimeerde 12],
wonende te [plaats 15] ,
14. [geïntimeerde 13],
wonende te [plaats 16] (Verenigde Staten van Amerika),
15. [geïntimeerde 14],
woonplaats kiezende te [plaats 17] ,
16. [geïntimeerde 15] ,
wonende te [plaats 18] , gemeente [plaats 1] ,
17. [geïntimeerde 16],
wonende te [plaats 19] ,
geïntimeerden,
advocaat geïntimeerden sub 1 t/m 11 en 16: mr. R.W. Veldhuis te ’s-Gravenhage,
advocaat geïntimeerden sub 12: mr. D.C. Roessingh te Amsterdam,
advocaat geïntimeerden sub 13 en 17: mr. P.A. Lichtendahl te Amsterdam,
advocaat geïntimeerde sub 14: mr. W. Heemskerk te ’s-Gravenhage,
advocaat geïntimeerde sub 15: mr. A.H. Ekker te Amsterdam.
Appellanten worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] genoemd (en samen: [appellanten] ).
Geïntimeerden worden hierna [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 9] , [geïntimeerde 10] , [geïntimeerde 9] , de Staat, [geïntimeerde 11] , [geïntimeerde 12] , [geïntimeerde 13] , [geïntimeerde 14] , [geïntimeerde 15] en [geïntimeerde 16] genoemd (en samen: [geïntimeerden] ).
Geïntimeerden sub 1 t/m 11 en 16 worden hierna ook genoemd: de Staat c.s.
1De zaak in het kort
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen een afwijzende beschikking van de rechtbank op hun verzoek om door hen aangedragen deskundigen te horen bij wijze van voorlopige bewijsverrichting. Dit ondanks het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 Rv. Nu [appellanten] geen verlof hebben gevraagd aan de rechtbank om hoger beroep toe te staan, kunnen [appellanten] alleen in hoger beroep worden ontvangen indien sprake is van een doorbrekingsgrond. Daarvan is geen sprake, zodat [appellanten] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep.
2Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij beroepschrift, met vijf producties, ontvangen ter griffie van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden op 15 september 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Noord-Nederland op 20 augustus 2025 onder bovenvermeld zaak- en rekestnummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden heeft bij beschikking van 9 oktober 2025 de zaak verwezen naar dit hof voor verdere behandeling.
Desgevraagd hebben [appellanten] bij bericht van 1 december 2025 aan het hof bericht dat geen verlof is gevraagd aan de rechtbank voor het instellen van hoger beroep.
Bij bericht van 3 december 2025 heeft het hof aan partijen laten weten dat eerst dient te worden beslist over de ontvankelijkheid van [appellanten] en de door hen ingeroepen doorbrekingsgronden.
Op 14 januari 2026 zijn ter griffie van het hof de verweerschriften (inzake ontvankelijkheid en doorbrekingsgronden) van [geïntimeerde 11] , [geïntimeerde 12] en [geïntimeerde 16] , en [geïntimeerde 14] ingekomen. Op 16 januari 2026 is ter griffie van het hof het verweerschrift (inzake ontvankelijkheid en doorbrekingsgronden) van de Staat c.s. ingekomen.
Partijen hebben hun standpunten over de ontvankelijkheid en doorbrekingsgronden tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 laten toelichten, [appellanten] door mr. Stassen, voornoemd, en de Staat c.s. door mr. M.E.A. Möhring, advocaat te ’s-Gravenhage, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. De advocaten van de andere geïntimeerden hebben verklaard dat zij zich aansluiten bij de spreekaantekeningen van mr. Möhring.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
3Eerste Aanleg
3.1.
[appellanten] hebben in eerste aanleg – samengevat – verzocht om bij beschikking te bepalen dat een verhoor zal worden gehouden waarbij de door [appellanten] genoemde deskundigen kunnen worden bevraagd naar aanleiding van de in het verzoekschrift geformuleerde vragen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellanten] afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden]
4Beoordeling
4.1.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en –uitvoerbaar bij voorraad – alsnog hun verzoek in eerste aanleg zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties inclusief nakosten en rente. [appellanten] hebben hiertoe zes grieven aangevoerd. Daarnaast hebben [appellanten] bij wege van voorlopige voorziening verzocht om toe te staan dat de aangedragen deskundigen ten overstaan van het hof hun opinie in deze zaak kunnen geven.
4.2.
Alle geïntimeerden hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] in het beroep, of anders om afwijzing van het verzoek. Met uitzondering van [geïntimeerde 13] , hebben de geïntimeerden verzocht om [appellanten] – uitvoerbaar bij voorraad – (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.
4.3.
Het verzoek van [appellanten] om deskundigen te horen betreft een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in de artikelen 196 e.v. Rv. Ingevolge artikel 200 lid 2 Rv staat tegen de beslissing op dit verzoek geen hogere voorziening open, tenzij de rechter anders bepaalt. [appellanten] hebben de rechtbank in hun verzoek niet gevraagd om hoger beroep toe te staan. Dat hebben zij ook niet tijdens de behandeling van het verzoek bij de rechtbank gedaan en evenmin na de beslissing. De rechtbank heeft geen oordeel gegeven over de vraag of hoger beroep al dan niet zou moeten worden opengesteld. De rechtbank was ook niet verplicht om die vraag ambtshalve te beantwoorden en hoefde niet te motiveren dat geen uitzondering op het rechtsmiddelenverbod werd gemaakt.
4.4.
Nu de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen haar beslissing, zijn [appellanten] vanwege het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 Rv niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. Enkel indien sprake zou zijn van een doorbrekingsgrond kunnen [appellanten] in weerwil van artikel 200 Rv worden ontvangen in het hoger beroep. Van een doorbrekingsgrond is sprake indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. De door [appellanten] ingenomen stellingen hebben betrekking op deze laatste doorbrekingsgrond. Niet is gesteld of gebleken dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van de regeling is getreden of deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.
4.5.
Het standpunt van [appellanten] dat de zitting bij de rechtbank niet openbaar was en dat de rechtbank door het sluiten van de deuren artikel 6 EVRM heeft geschonden mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft immers de deuren niet gesloten. De zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden; dat blijkt ook uit de door de rechtbank aan partijen verstrekte geluidsopname van de zitting. De beslissing van de rechtbank om – in lijn met de per 1 juni 2025 herziene persrichtlijn van de Rechtspraak – alleen geaccrediteerde pers toe te staan om foto’s, geluids- en video-opnamen te maken, maakt evenmin dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM. De zitting was ook voor niet-geaccrediteerde journalisten toegankelijk en bovendien heeft de rechtbank ten behoeve van de niet-geaccrediteerde pers een geanonimiseerde geluidsopname van de zitting verstrekt aan partijen. Het recht op een eerlijke en openbare behandeling is derhalve op geen enkel moment in het gedrang gekomen. Dat een deel van het massaal opgekomen publiek geen toegang had tot de zittingzaal, kennelijk omdat deze vol was, maakt dat niet anders. De gang van zaken ter zitting levert dan ook geen doorbrekingsgrond op.
4.6.
[appellanten] hebben voorts aangevoerd dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door te beslissen op het verzoek van niet-geaccrediteerde pers om beelden van de zitting te maken voordat hun advocaat hierop heeft kunnen reageren. [appellanten] verliezen hier uit het oog dat het beginsel van hoor en wederhoor (in de zin van art.19 Rv en art. 6 EVRM) betrekking heeft op het (inhoudelijke) debat waar zij bij betrokken zijn. Het verzoek van niet-geaccrediteerde journalisten om beelden te maken valt daarbuiten en betreft een beslissing aangaande het ordelijk verloop van de zitting. De (voorzitter van de) rechtbank is bevoegd tot het nemen van dergelijke procedurele beslissingen, ongeacht de visie van partijen. Daarom kon (de voorzitter van) de rechtbank in lijn met de herziene persrichtlijn van de Rechtspraak niet-geaccrediteerde pers verbieden foto’s, geluids- of video-opnamen te maken. Met censuur heeft dit niets te maken, want de zitting was openbaar en de betrokken journalisten konden aanwezig zijn en desgewenst verslag doen van de zitting. Er is ook geen sprake van schending van hoor en wederhoor, zodat hier evenmin een grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 Rv in kan worden gevonden.
4.7.
[appellanten] hebben geen beroep gedaan op een andere doorbrekingsgrond. Wel hebben zij uitgebreid uiteengezet dat het rechtsmiddelenverbod in dit geval dient te worden gepasseerd vanwege het bijzondere belang van hun vordering en de context van de zaak. Het belang of de context van een zaak kan echter op zichzelf geen grond voor doorbreking opleveren en evenmin kan het de drempel voor doorbreking verlagen. De doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad beperkt de doorbrekingsgronden tot fundamentele schendingen van het recht, waarvan in dit geval geen sprake is. Een gesteld groot belang, maatschappelijk, financieel of anderszins, maakt niet dat desondanks tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod moet worden gekomen. Ook de gestelde schending van art. 21 Rv, wat daarvan verder ook zij, volstaat niet om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken. Dat verbod berust op een afweging van de wetgever; de wetgever heeft ook voorzien in het maken van een uitzondering op dat verbod door het bieden van de mogelijkheid van een verzoek tot het instellen van hoger beroep. De door [appellanten] gestelde belangen en/of schending van art. 21 Rv hadden de grondslag kunnen vormen voor zo’n verzoek, maar niet voor doorbreking van het verbod.
4.8.
Hoewel het evenmin tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod kan leiden , merkt het hof nog op dat het in de algemene grief verwoorde standpunt van [appellanten] dat de rechtbank de door hen voorgestelde deskundigen ten onrechte als partijdeskundige heeft aangemerkt onjuist is. Nog daargelaten dat [appellanten] de deskundigen in het inleidende verzoekschrift van 7 maart 2025 zelf – terecht – telkens als partijdeskundigen aanduiden, gaat het ook om deskundigen die door [appellanten] worden aangedragen. De aanduiding ‘partijdeskundigen’ verduidelijkt slechts het verschil met door de rechtbank of het hof benoemde gerechtelijk deskundigen. De term ‘partijdeskundigen’ zegt niets over partijdigheid of onafhankelijkheid. Van iedere deskundige mag immers worden verwacht dat hij/zij zijn/haar taak onpartijdig en onafhankelijk vervult. Het bezwaar van [appellanten] tegen deze aanduiding door de rechtbank is dan ook onterecht en leidt niet tot een ander oordeel over de ontvankelijkheid van [appellanten] in hun hoger beroep.
4.9.
Nu geen sprake is van een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 Rv zijn [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. De overige grieven en het verzoek om een voorlopige voorziening hoeven dan ook niet nader te worden besproken. Ter zitting hebben [appellanten] aan de orde gesteld dat ondanks de oproeping voor de zitting geen van de geïntimeerden in persoon is verschenen. Het hof ziet geen aanleiding om hier gevolgen aan te verbinden. Partijen mogen hun eigen proceshouding kiezen. Na de oproeping voor de zitting heeft het hof aan de advocaten gevraagd wie van partijen (al dan niet via videoverbinding) aanwezig zou willen zijn bij de zitting. Als eerdere berichtgeving aan partijen al een andere indruk heeft gewekt is daarmee, zoals in verzoekschriftprocedures als deze gebruikelijk, aan partijen de gelegenheid geboden om slechts bij advocaat te verschijnen.
4.10.
[appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep voor zover dat is gevorderd door van [geïntimeerden] Het hof stelt de kosten van salaris van de advocaten vast op € 2.580,- (2 punten à € 1.290,- (tarief II)).
5Beslissing
Het hof:
5.1.
verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;
5.2.
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van:
- de Staat c.s. vastgesteld op € 373,- aan griffierecht, € 2.580,- aan salaris van de advocaat en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
- [geïntimeerde 12] en [geïntimeerde 16] vastgesteld op € 373,- aan griffierecht, € 2.580,- aan salaris van de advocaat en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
- [geïntimeerde 14] vastgesteld op € 373,- aan griffierecht en € 2.580,- aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking is voldaan;
- [geïntimeerde 11] vastgesteld op € 373,- aan griffierecht en € 2.580,- aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking is voldaan
5.3.
verklaart de veroordelingen onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bosch, D. Kingma en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|